Insomnia

 

Over de onrust
van een kleine straat
in Antwerpen

Kroniek van de
Marché du lin
te Antwerpen

(of Vlasmarkt zoals sommigen deze plaats noemen)

van 1996 tot 2015

 

Opgedragen aan:

Rik, glazenwasser,

Thomas, postbode en dichter,

Luc, sjouwer,

Stan, jeannet

VOOR HUN ROL IN DIT LEVEN

Colofon

 

 

 

Uitgave van de Stichting Dubitatio Liberat

Gevestigd:

Vlasmarkt 23, 2000 Antwerpen, België

Correspondentie adres:

Oude Gracht 92a, 3511 AV Utrecht, Nederland

Informatie: ludov123@gmail.com

Website: www.dubitatioliberat.org

Verkoop en administratie: ORVA BV 

Uitgave:

DL002, december 2016, ISBN 978-90-824645-1-1

digitale versie (ePub): 1.0, januari 2017 door Studea

 

© Stichting Dubitatio Liberat

Alle auteursrechten voorbehouden

Overnames dan wel weergaves van dit boek dan wel delen daaruit kunnen enkel plaatsvinden na instemming van de uitgever tevens copyrighthouder.

Alle uitgaven van de stichting Dubitatio Liberat zijn te lezen op de website www.dubitatioliberat.org. Papieren versies zijn op aanvraag leverbaar tegen kostprijs inclusief verzendingskosten.

JANUARI

Als een dame voor de spiegel

fleurt de ochtend je op.

Maar de middag brengt naijver

en onrust.

En de avond is moe

van vergeefs verdriet.

Hoe ben je opeens anders

mijn stad,

je lijnen zijn hard en strak

getekend

in grauw en grijs

Alleen de trams

zijn de hoop op de zomer.

Heel sierlijk

bewegen ze zich

als verliefde luchten

op zoek naar de zon.

Thomas Triphon

Inhoudsopgave

PROLOOG

DE VLASMARKT,

ZOMAAR EEN PLEK, ZOMAAR EEN TIJD.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

VAN GEBOUWEN EN MENSEN

Inleiding

Vlasmarkt 26-28-30 – Het Griekse Huis

Vlasmarkt 34 – ’t Cuveeke

Vlasmarkt 36-38 – De Frituur

Vlasmarkt 35-37 – De Apotheek

Vlasmarkt 31-33 – Den Rooden Coninck

Vlasmarkt 27-29 

Vlasmarkt 23 – ’t Stamineeke

Vlasmarkt 21 – Chez Raoul

Vlasmarkt 19 – De Ware Jacob

Vlasmarkt 17 – De Blauwe Gans

Vlasmarkt 15

Vlasmarkt 13

Vlasmarkt 11 – Het Schooltje

Vlasmarkt 9 – Huize Wallendaal

Hoek Grote Pieter Postraat en Vlasmarkt

Vlasmarkt 7a

Vlasmarkt 7 – Mai Thai

Vlasmarkt 3-5 

Ernst van Dijckkaai 26-27 – No Problem

Vlasmarkt 2 – Café Beveren

Vlasmarkt 4-6 

Vlasmarkt 8-10 – Restaurant

Vlasmarkt 12 – De Stoempot

Vlasmarkt 14 – Het Spaans Restaurant

Vlasmarkt 16 – Huize Benabid

Vlasmarkt 18-20 – Het Zwanenpand

Vlasmarkt 22

Vlasmarkt 24

Vlasmarkt 32 – At last, Ons Huis

EPILOOG

Zicht op de Vlasmarkt, kadekant

Zicht op de Vlasmarkt van de Reyndersstraat

PROLOOG

Koud, nat, vuil en donker. Gebouwen die zich duister naar elkaar toe buigen boven mijn hoofd, de getrapte punten die elkaar haast lijken te raken. Het huis dat we kwamen kijken in de Grote Pieter Potstraat in Antwerpen komt op me af alsof het een schuilhut was, een plek om je te verbergen in de jungle van de stad. Het is rommelig, zoals Antwerpen alles verrommelt.

Een kale kapotte gang, een ondefinieerbare ruimte op het gelijkvloers, en dan de trap op om in een schattige rood betimmerde binnenruimte komen, een soort rookkamertje, los van alle buitenvertrekken die er zich als een beschermende schaal omheen opstelden. Ik was verliefd op dat kamertje, ik wilde het wel aaien, heen en weer schuiven met mijn achterste over de platte zitkussentjes van de houten bankjes die rondom de wanden van het kamertje bekleedden, staren naar die prachtige glas-in-lood-raampjes die boven de glanzend houten lambrisering uit het licht van de buitenwereld van de kamers doorgaven. Hier kon je je verbergen, hier kon je eindelijk je adem laten ontsnappen.

Maar zo’n kamertje schept een tegenstelling. Van de knusheid naar buiten gaan, dat grauwe Antwerpen in! Angstaanjagend en onontkoombaar vooruitzicht.

Weg uit die nauwe straat moest ik, en ik liep naar de hoek van het straatje, waar licht me riep: kom, kom naar me kijken, mijn leven voelen.

Ik sloeg de hoek om en keek in die open ruimte, een zich verwijdende kom van licht, huizen die zich ernaast opstelden in alle kleuren van de regenboog, hun ramen lonkend naar de overzijde, als wulpse weduwen op zoek naar een partner. De straat ertussen, met haar brede stoepen, het slagveld van de bewoners, het stenen bed van de nachtbrakers, waaronder het water van de ruien en riolen ongestoord door borrelde, kortom, het gezicht van een straat dat mij grijnzend aankeek.

Het was 1996, het was de Vlasmarkt.

DE VLASMARKT,
ZOMAAR EEN PLEK,
ZOMAAR EEN TIJD.

1.

Wat is het leven van een straat? Zijn dat de mensen, of eerder de huizen, of misschien de gebeurtenissen, of nee, eerder toch de ideeën die er leefden, of is dat allemaal bijgeloof, waan van de dag en is het enige dat telt de harde werkelijkheden, de keien die het wegdek vormen en altijd zo verrot ongelijk liggen omdat geen enkele Antwerpse stratenmaker ze recht zal leggen om zijn eigen werkkansen voor de toekomst niet te vergooien, of die bot-dikke plavuizen, die samen een stoep moeten vormen waarover de bewoners dan kunnen en moeten strijden voor hun levensbehoud, en waarin de buitenlandse macht die op het schoon verdiep van het stadhuis huist dan op onbewaakte momenten palen met aluminiumplaten laat slaan waarvan de bewoners dan de betekenis wellicht niet kunnen maar zeker niet willen vatten.

Wat is dat, waar zit het leven van een straat? Kun je het vinden door achter de kleine ramen van die hoge huizen te kijken, door in die nauwe gangen te gaan, die leiden tot de krochten van de oude koeren die erachter liggen. Die gangen waar de geheimzinnige afwisselingen van onbestemde panelen, half gestucte wanden en rauw schetterende kleuren duidelijk maken dat de bewoners om alles geven behalve stilistische strakheid. Die gangen ook, waar je luiken vindt en trapjes naar beneden, naar dat donkere onderaardse dat onder heel de vlasmarkt zit, waarin stroompjes lopen en lijken rotten, waarin dichtgemetselde en weer opengebroken doorgangen provocaties aan de weetgierigheid zijn. De hele onderaardse wereld die is maar niet wil zijn, die lacht met Magritte’s la Pipe, en waar nooit een steen zijn eigen bestaan zal erkennen, want niets wil in de Vlasmarkt zijn wat het is. De schuldbewust stenen onderbuik van de straat spiegelt zich in de o zo zachte onderbuik van haar bewoners, die daarvan evenmin graag het bestaan willen weten.

Een verdeeld maar onverbrekelijk samenhangend boven- en onderlijf, dat is de Vlasmarkt als biotopisch geheel, maar het bio daarin is een onterechte reductie. De stenen, de balken, de oeroude hoekige nagels die je soms nog in de vloeren vind, ze kunnen niet gemist worden in dat levensgeheel dat een straat is. De mensen gaan voorbij, ze komen, ze doen hun ding, en ze verdwijnen en gaan in rook op, want in de Vlasmarkt gaat niemand zichtbaar dood. Maar die straat, die leeft daar al zo een duizend jaar.

Minstens.

Of bijna niemand toch.

Want wat is leven en dood in een straat? Als ik uit de ramen keek, zag ik gestalten, gezichten, bewegingen, en naarmate ik die vaker zag kreeg het leven patronen, niet zozeer regelmaat, maar eerder herkenbare onregelmatigheid. Je begon te leren dat alles tegelijk voorspelbaar en onvoorspelbaar kon zijn, dat je overbuurman elke dag zijn deur open kon doen om het terras buiten te zetten en daar dan op een dag grijnzend buiten kon komen om het terras niet buiten te zetten, maar integendeel op bezoek te gaan bij zijn immorele collaborateurs op het schoon verdiep om te bereiken dat zijn buren geen terras zouden mogen zetten, of dat zijn overburen, waaronder ik, helemaal niet de kleur op hun gevels zouden mogen smeren die ze daar onherroepelijk natuurlijk toch op smeerden. Al die onzichtbare samenhang in menselijke betrekkingen die het leven in de Vlasmarkt maakt tot wat het is, waarvan de bewegingen en driften zich aan je sensitieve waarneming onttrokken maar die je na verloop van tijd begon te voelen, als onderhuidse koude rillingen, waarvan je pas weet dat ze er zijn als ze al gepasseerd zijn.

Mensen kwamen op en gingen af, een toneel waarvan je op elk moment dacht dat het eeuwig was en waarvan je dan steeds weer ontdekte dat het allemaal veranderde en bleef veranderen. Ze hadden natuurlijk een verleden als ze op kwamen, maar daar vroeg niemand naar. Het verleden was er om vergeten te worden, weggespoeld met een goede pint. Nooit zo dom zijn om echt te willen weten wat iemand was, of wat hem overkomen is. Niemand op de Vlasmarkt was blij met wat hem overkomen was, geen mens wilde verhalen van zijn echte leven. Oh, verhalen op zich wilde iedereen, niemand deed wat anders. De meest geweldige personages en avonturen passeerden de tappen en straathoeken van deze wondere plek, geen economisch wonder was te groot, of het was wel verricht door een Vlasmarkt habitué. Regeringen die gevormd werden zonder dat de bewoners van de Vlasmarkt daarin betrokken waren, waren ondenkbaar. In de Vlasmarkt zweefde altijd de wereld van het grote verhaal, van de onbegrensde fantasie die mensen op andere plaatsen enkel hebben als ze ‘s nachts naast hun vrouw (of man) stilletjes hun gezicht in hun kussen drukken en dromen over alles wat ze zouden willen zijn maar nooit worden. Het duurde lang voordat wij begonnen te begrijpen dat het verhaal diende voor de invulling van het leven en helemaal niet voor een beschrijving van de werkelijkheid. Dingen zei je omdat ze leuk waren, niet omdat ze waar waren. Erger nog, iedereen vond het eigenlijk nogal gênant en embêtant als er weer eens een buiten-Vlasmarktse sukkel zijn levensverhaal kwam vertellen, terwijl alle Vlasmarkters dan juist de groots mogelijke maar plezante nonsens stonden uit te kramen. Dat deed je niet, de Vlasmarkt was geen OCMW (= Vlaamse bijstand en maatschappelijk werk).

Integendeel, elke Vlasmarkter was een grote persoonlijkheid, toch minstens in zijn eigen ogen. Wilde je er ingeburgerd raken dan moest je bij elke ontmoeting met een Vlasmarkter wel eerst het hele compendium van meer dan levensgrote daden aanhoren, en de lijst van grote persoonlijkheden die door de spreker met glans waren voorbijgestreefd. Het kon niet anders of het wezen van de vlasmarkt bestond eruit dat het onbetwistbaar het centrum, van de wereld was.

Maar ja, ook dat ging soms voorbij. Dan verdwenen de sprekers in duistere sferen. Soms hoorde je via via nog wel eens geruchten waar ze waren, maar ze stelden er duidelijk geen prijs meer op daar nog gevonden te worden. Ze konden ook dood zijn, maar zelfs dat hielden ze meestal liever verborgen; van de doden niets dan goeds, toch? Mensen bestaan eigenlijk alleen zolang we ze zien, daarna is het uit het oog uit het hart.

De Vlasmarkt vermaalde haar bewoners, iedereen was tijdelijkheid die nooit erkend werd.

De bewoners stonden niet op zich, ze waren en zijn een met hun huizen, met de stenen van de straat, en de flossige ophanging van hun kerstverlichting en hun steeds weer omwaaiende terrassen. Ze konden helemaal niet bestaan zonder die bouwsels, net zoals die bouwsels niet konden bestaan zonder hen. Ze waren symbiotisch samengesteld: de persoonlijkheid van de bewoner was de persoonlijkheid van het huis en vice versa. Je kon geen plaats binnenstappen waarbij je niet direct dacht: typisch iets voor hem of haar. Woning en bewoner, winkel en handelaar, ze waren op elkaar afgestemd alsof het een natuur was waarin de dieren zich aanpasten aan hun eigen jungle. Het leven van de straat was het leven van die bouwsels erin, elk met de erbij passende wezentjes, die er dagelijks doorheen, in en uit liepen, zonder dat een waarnemer ook maar enige zin in al dat gekrioel zou kunnen zien. Iedereen hoorde ergens bij en bij de straat, het paste in elkaar, en vormde zo een leven, het leven van een straat.

2.

Waar begint het leven van een straat? Is dat in de tijd? Of is het eerder in de beleving? Elke buiten-Vlasmarkter zou natuurlijk denken in de tijd, maar dat is een vergissing. De tijd weegt, hij is te zwaar. Wie zou echt willen weten dat Erasmus en Thomas Morus hier rond moeten hebben gelopen en in huize De Haen ettelijke pinten moeten hebben genuttigd toen ze de opzet van Utopia bespraken? Wat heeft het voor zin om je eigen daden te laten verkleinen door het ophalen van zulke herinneringen. Of wie zou willen weten dat de fotografiewinkel in handen was geweest van echte nazi’s die de overige bewoners de stuipen op het lijf joegen met hun foute relaties op het schoon verdiep? Allemaal gegevens die moesten blijven waar ze waren, en dat was het verleden.

Nee, de Vlasmarkt vindt ten alle tijde zijn beginpunt in de beleving en wie daaruit verdwijnt, verdwijnt gewoon ook uit de historie.

Dus laat ons daar het verhaal beginnen, bij onze beleving van onze entree op het toneel van een gepassioneerde straat, die leeft onder en boven het gezichtsveld van onze waarneming.

3.

Het jaar: 1996. Geen bijzonder jaar, een jaar zoals alle andere, minstens het duizendste jaar van de Vlasmarkt. Zij wisten toen nog niks van ons bestaan, wij ook niks van het hunne.

Het was in de loop van een mistige ochtend in 1996 dat onze veel te oude visa schurend en vonken ketsend over de keien vanwege het gewicht van 5 volwassenen, waarvan minstens 4 met overgewicht, hijgend tot stilstand kwam voor nummer 32. Bevrijd van de druk en de walm van een gezelschap van onmiskenbaar teveel alcohol consumerende passagiers betraden we het bouwsel dat onze behuizing diende te gaan worden; een aluminium winkelpui met een aluminium voordeur, waarachter een licht vijandige dame ons uitlegde dat we van haar kostbare zeldzame papiersoorten af dienden te blijven. Het pandje was akelig ondiep op het oog, nauwelijks 4 meter diep konden we zien. Nukkig erkende de dame dat het ons huis zou kunnen zijn (we hadden het gekocht) maar kondigde direct daarop aan dat ze nooit van ons zou willen huren. Dat was geruststellend want wij wilden haar ook echt niet als huurder. Daarna werd het ons vergund verder in ons bezit door te dringen. Een piep smal trapje liet ons opstijgen naar een eerste verdieping waar we in een wirwar van bordpapieren boogjes, zwak geconstrueerde alkoofjes en vele lagen dikke tapijten belandden, met overal rondom spiegels, kastjes, persjes, kitsch porselein, opzichtig gekleurde plastic schaaltjes en overal kraaltjes en glimmertjes. Kleuren: rose, zwart met gouden sterretjes, gifgroen en geel. Dit was duidelijk het salon.

De verdieping erboven was heel wat armoediger, maar dat de bewoner een bekwaam behanger moest zijn was gezien de vele over elkaar geplakte lagen behang in de twee kamers duidelijk.

En dan was er nog een trapje naar de bovenste laag, onder het dak. Daar heerste het duister in een door schotten verdeeld geheel van kamertjes (4!) onder een niet geïsoleerd dak, waarvan wij later begrepen dat daar 3 kinderen in opgeborgen waren geweest.

Het huisje was een typisch Antwerps construct. Opgekocht in de negentiende eeuw door een aannemer die de voordelen zag van twee al bestaande zijmuren en een al bestaande achtermuur. Enkel een voorgevel van circa 9 meter lang bouwen en een dak en het huisje was daar. Dat dan de zijmuren niet meer dan een halve steen dik waren, het dak meer voorbestemd leek om er bij de eerste windvlaag af te gaan, en de achtergevel steeds bleef twijfelen tussen voorwaarts of achterwaarts instorten was van geen belang gebleken. De aannemer deed, zoals generaties van soortgelijke lieden die later projectontwikkelaars gingen heten zouden doen, het huizeke als gloeiende kool zo snel van de hand. Een volgende eigenaar zag alweer winstmogelijkheden en splitste het wankele geheel in twee: aan de ene kant het kleinste café van Antwerpen, later bekend als ‘t Cuveeke’, aan de andere kant het huisje dat wij kochten en dra in de twintigste eeuw het onderdak van een fotograaf werd. Diens enige probleem was dat het huizeke daarvoor eigenlijk te klein was, en dus besloot hij een trap voor het cafeeke op de zoldering van de woonkamer van het buurhuis te zetten, waardoor een nauwkeurige kadastrale scheiding tot de vrijwel onmogelijkheden van dit bestaan werd gemaakt. Wij, sullige kaaskoppen van het noorden, hadden dat niet gezien, zoals de sluwe verkoper-eigenaar vanonder zijn wenkbrauwloze oogleden met voldoening vaststelde. Engelbert Longerstaey, die zijn voornaam ongetwijfeld te danken moest hebben aan de akelige samenstelling van zijn persoonlijkheid die zijn moeder in hem had voorzien, vond dat hij ons uitstekend belazerd had, en ik kwam er later achter dat de rest van de straat dat roerend met hem eens was. Zijn vrouw, die wij maar een enkele keer zagen, die het huizeke bijkans wenend ontvlood, voelde zich zowat van haar leven beroofd toen haar Engelbert het huis van onder haar gat had verkocht.

Het huis was geen huis. Het waren drie muren waartussen afval hing. Wij hadden al eens een huis verbouwd en dachten dat we dit wel aankonden. We begonnen te slopen. Laag na laag vloertapijten, laag na laag behang, laag na laag formica, laag na laag triplex plaatjes en laag na laag gips. Eindeloos.

Maar geleidelijk aan raakten we tot op de botten van het geraamte, we begonnen balkjes te zien, en toen heel grote balken; verrotte vloeren die op instorten stonden onthulden kinderbalkjes die op het punt van naar beneden vallen stonden. Op de zolder vonden we achter alle schotjes een lading nazi-boekjes, uitgaven van nazi-uitgeverijen, nazi folders en allerlei papieren van duistere Vlaamse clubs. Meest sinister en naar de keel grijpend was de vondst van twee van die typische tora-rolhouders van goud of koper, die ik nu nog in stille devotie bewaar voor degenen die ze kennelijk gewelddadig zijn verloren. God weet of ooit nog nazaten boven komen die ik ze als een soort ‘teruggave’ kan doen toekomen.

Brave Engelbert voelde zich op zijn gemak op de Vlasmarkt. Zijn kinderen wilden hem wel niet meer zien, maar zijn vrouw wel, en als zij weg was ging hij naar de overkant, naar ‘den Rooden Coninck’, het café van Marcel, en dat dus dagelijks. Voor mij, domme Hollander, leek het niet te bevatten dat je een zo goed als zeker overbekende nazi dagelijks in het openbaar in je café wilde hebben, maar dat was alleen maar een bewijs van mijn onbegrip voor Vlaanderen. Het zou niet lang duren voordat ik ontdekte dat de straat Engelbert als een van haar braafste nazi’s beschouwde.

Onder het huizeke zat een kelder waar je toen nog met een ladder in kwam. Ik dacht dat dat uniek was, zo een kelder met mooie bogen en veel metselwerk dat wel droop van het vocht, maar alla!! Daarbinnen zat ook wat wij een stoppenkast van ver voor WO II zouden noemen, waar het water lustig op klaterde, en waar een reusachtige hendel op zat die naar beneden klapte als het water weer eens langs de zekeringen liep en die je dan met gevaar voor eigen leven en liefst een rubberen handschoen aan weer omhoog moest zetten, wilde je tenminste licht en warm water hebben.

Dat werd ons huis.

In de eerste jaren was het alleen maar verbouwen. Van het huizeke bleek praktisch niks goed. Zelfs de achtermuur, die in feite een restant van de vroeger daar staande stadsmuur was en om die reden een pyramide vorm had, was door het doordrukken van het scheefzakkende dak naar achteren uitgebroken en moest deels herbouwd worden. Van het balkenrooster was behalve wat oude grote moerbalken niks meer over. Op een gegeven moment konden we binnen staan en omhoog kijken tot het wankele dak: er was niks meer over van het huizeke dat we gekocht hadden. Dat was het moment waarop een bescheiden klop op onze voordeur klonk. Bezoek hadden we nog niet gehad en dus werd uit louter curiositeit de deur geopend om een bezoeker-in-spe te ontwaren die voor onze deur stond, een kleine morsige man, twee witte gympies, een plastic tasje, de weinige haren dwars over zijn ronde hoofd geplakt. Hij zette haastig twee pasjes naar voren, naar binnen, om te voorkomen dat de deur tegen zijn neus werd dichtgeklapt, maar die haast was overbodig want dat waren we toch al niet van plan. ‘Goedendag’, zei hij tegen John, ’ik ben bouwinspecteur en ik zag hier nogal wat stof en ik vroeg me af wat jullie hier aan het doen zijn’. Het gewicht van die vraag kwam dreunend op ons neer; we hadden er geen moment over gepiekerd om een bouwaanvrage in te dienen, en dan hing er nu duidelijk een probleem boven de markt. ‘Tja’, zei John ‘we zijn hier bezig, he’. ‘Dat kan ik zien’, zei Maller, ‘maar mijn vraag is wat jullie doen’. ‘Ja’, zei John en hij keek meevoelend met Maller omhoog naar het dak dat daar zo schrikbarend vanaf de begane grond zichtbaar in de hoogte hing, ‘we proberen het op te knappen’. Maller begreep dat hij hier met een volkomen oen te maken had en dat hulp nu dringend noodzakelijk was. ‘Je bent toch niet aan het verbouwen , he?’ zei hij tegen John. Die bekeek hem eerst met grote ogen en toen verscheen langzaam een bevrijde glimlach: ‘Nee hoor, we repareren alleen een paar dingen’. Maller knikte opgelucht, en zei ‘dan is het goed’ waarna hij omdraaide en met zijn plastic tasje nog sneller door de deur verdween als hij gekomen was. Het was onze eerste ontmoeting met de goede kant van Antwerpen.

Het woord ‘vanzelfsprekend’ is in het Nederlands iets heel anders dan in het Vlaams, althans qua connotatie. Wij vinden het vanzelfsprekend dat mensen de regels van de overheid volgen, Vlamingen vinden het vanzelfsprekend dat je dat niet doet. Wij vinden het vanzelfsprekend dat degene met wie je praat dingen vertelt die waar zijn, Vlamingen vinden het vanzelfsprekend dat ze niet waar zijn. Als je in Vlaanderen de belastingen belt en die vragen om een formulier toe te zenden zeggen ze er direct bij dat je dat aangetekend moet doen omdat er bij de belastingen nogal eens iets ‘verloren gaat’, waarmee ze bedoelen dat er een vuilbak staat onder hun gewone brievenbus. Als je in Antwerpen een brief schrijft naar het stadsbestuur vinden wij het vanzelfsprekend dat je een beschaafde ontvangstbevestiging of een normale afwijzing krijgt; in Antwerpen krijg je geen antwoord of een heel venijnige brief die je erop drukt dat je een Hollander bent en derhalve niet gerechtigd tot enig begrip.

Maar er zijn dus ook ‘Maller’s’.

Zo eentje was ook mijn trouwste bouwmaatje op nummer 32, Randy, havenarbeider of liever ‘kuiper’, d.i. degene die het kloterigste werk doet in de haven, namelijk het slaan van banden rondom vracht in het ruim van schepen. Hij kluste bij bij ons en hij knauwde zo een plat Vlaams dat wij de eerste twee weken geen idee hadden waar hij het steeds over had. Ik denk dat hij mij een beetje woest vond, zelfs voor zijn Vlaamse begrippen, en toen wij op een dag zonder kokers puin stonden te storten vanaf de tweede verdieping in een container en in de stofwolk die daardoor ontstond een figuur uit een door stof bedolven auto zagen kruipen die de Antwerpse hoofdcommissaris bleek te zijn voelde hij zich zwaar bevestigd in zijn verdenkingen. ‘Gaot da bei gullie eiges doen, maor nie hier’ brulde de boze hoofdcommissaris, en Randy zei ‘Alle, nie da ik et daor mee ens ben, maor een beetje meer compassie is, allee, toch wel better, nie??’

Randy had een heel eigen begrip voor wat normaal was en wat niet. Toen wij op een dag leidingen tegen onze zijbuitenmuur stonden te bevestigen en een pinnetje aantroffen en het in de weg zat, gaf hij er een ferme dreun op waarna van de andere kant van de muur een hoorbare plof klonk. Navraag bij de buurman leerde dat aan het pinnetje een schilderij had gehangen, maar geen haar op Randy’s hoofd dat vond dat hij spijt moest betuigen. ‘Da witte’ zei hij, ‘in Antwaarp zijn de muren dun’, en dat was dat. Ik vond dat geen sterk verhaal, maar toen wij aan de andere kant van het huis naar mijn mening heel voorzichtig een balkje lostrokken waardoor er een gat viel van een meter doorsnee in de scheidingsmuur met de buurvrouw, verscheen die in het gat met de vraag of wij geen simpeler manier konden vinden om, om een pintje te vragen. Dunne muren was Antwaarps, zoveel was zeker.

Maar Randy vond niet alles normaal. Onze achtermuur was erg slecht, maar daken rusten nu eenmaal wel op buitenmuren. Toen onze achtermuur verregaand werd afgestapeld door Randy en mij, keek hij opeens geobsedeerd langs mij heen naar de andere kant van het dak. ‘Maarten, er komt een spleet tussen het dak en die andere muur daartegenover’. Het dak was bezig om te kantelen, en hij rende naar beneden om twee autokrikken te halen waarmee we het subiet terug in zijn juiste positie krikten. Daar was hij niet blij mee, en ook niet toen de schoorsteen bleek te zijn ingestort toen we eens een weekend weg waren. Maar de limit kwam toen hij bezig was op het dak aan de schoorsteen te metselen en die deels van het dak afviel . Hij keek het stuk schoorsteen in starre verbijstering na en je zag hem bedenken dat hij niet wilde weten waar het heen gegaan was. Dat bleek het dak van een recht onder ons dak geparkeerde BMW te zijn. Geluk hadden we weer, want de eigenaar wilde van geen vergoeding of schadeaangifte weten, wat Randy normaal vond, en ik niet, omdat ik toen nog geen besef had van de mogelijkheid dat auto’s in de Vlasmarkt nu eenmaal regelmatig gestolen auto’s zijn. Voor Randy was de maat wel vol. Hij verdween snel daarna, terug aan het werk in de haven, zei hij, maar ik denk dat hij nog grotere rampen vreesde (die er overigens helemaal niet kwamen).

Zo leerden we de mores van de straat kennen. We keken niet eens meer op toen Krisje, onze buurvrouw in het naastgelegen café, Het Cuveeke langs kwam met een gratis blad met pintjes en ook niet toen de vuilkar van de gemeente voor een habbekrats voor de jongens het puin kwam afvoeren, waarbij volgens mij de hydraulische installatie van hun vehikel zich stuk beet op de stukken steenpuin.

Zo entre-nous was alles te regelen.

4.

De grootsten erreur die je kunt maken in de Vlasmarkt is als je denkt dat de straat is waar je staat als je op je voeten op het gelijkvloers staat. Dat is de straat helemaal niet. Eigenlijk ligt de straat 3 meter lager, en sommige Vlasmarkters beweren zelfs dat hij nog 3 meter lager ligt omdat onder de kelders van de Vlasmarkt soms nog kelders liggen. De huizen van de Vlasmarkt zijn eigenlijk gebouwd op opslagplaatsen en magazijnen, waarvan de buitenmuren grensden aan een oude waterstroom die maar heel kort naar het inlandse reikte omdat de Hoogstraat, zoals haar naam uitdrukt, nu eenmaal op een hoogte lag. Die opslagplaatsen waren allemaal voorzien van bovenluiken waarlangs de aankomende vracht kon worden neergelaten in de voorste kelder om daarna met bekwame spoed naar de achterste kelders te worden gesjouwd. Die achterste kelders waren fraai van vorm, soms zelfs voorzien van een kruisgewelf (achter in nr. 23), en soms ook met hun bogen steunend op prachtige pilaren (onder de apotheek van Charles de Craecker op de hoek en onder Den Rooden Coninck van Marcel tegenover nummer 32). De fraaie delen waren bedoeld voor de opslag van de kostbare goederen, de povere delen voor dat wat eventueel wel nat mocht worden. Waar je ook loopt op de Vlasmarkt, die kelders zitten (aan de noordkant) nog overal onder je voeten als je over de brede stoepen loopt, ook al zijn ze lang niet meer overal toegankelijk (toegankelijk zijn nog minstens de voormalige apotheek, nr. 23, nr. 25, nr. 27 en nr. 29, Den Rooden Coninck en Chez Raoul). Die kelders zijn in alle opzichten symbolisch voor Antwerpen en Vlaanderen. Ze zijn verstopt, ze worden als het ware achtergehouden. Ze zijn mooi ja, maar juist dan moet je ze niet zien. Hun toegangen worden weggestopt, de Vlasmarkters praten er niet over, of het moet zijn dat het over hun geslaagde plundertochten in die kelders gaat, zoals acteur van Uffelen en basketbalcoach Guy van den Broeck en legerautofabrikant Jef Willems deden, die er prat op gingen dat ze zoveel munten en potten in die kelders hadden weten te vinden voordat de stad zelfs maar het bestaan daarvan had begrepen. Nee, liever praatten de Vlasmarkters er niet over, omdat ze het als een soort bewijs van achterlijkheid zagen die ze liever zichzelf niet toedichtten. Want als er iets is waar een echte Antwerpenaar, laat staan een Vlasmarkter, de pest aan heeft is het door een Hollander verdacht te worden van achterlijkheid. Zelfs als daar totaal geen sprake van is wordt voor elk gesprek met een kaaskop vastgesteld dat die zich klaar en duidelijk vooraf superieur voelt aan elke Vlaming, laat staan Waal. En daarom wijst elke Vlasmarkter per definitie op zijn onberispelijk geschilderde deurstijltje, het glimmen van de deurknop of de waarde van de vergeelde lampenkapjes in zijn interieur, zodra hij een Hollander in je vermoedt. Niet dat ze trots zijn maar eerder dat het een uiting is van gefrustreerd onvermogen. Als je in een Vlaamse tijdschriftenkiosk komt voor een voetbalmatch tussen de Belgen en de Nederlanders blijkt dat ze vinden dat hun jongens toch met courage gespeeld hebben als ze verloren hebben, en dat het toch een natuurlijke vanzelfsprekende zaak is dat ze verliezen. Puur verkropte frustratie!

Maar goed, die kelders appelleren aan een duister verleden dat ze maar niet achter zich kunnen laten, en dus zwijgen ze daarover. Toen het stadbestuur enkele jaren terug begon met openbare wandelingen langs de onderaardse ruien stuitte dat ook op groot onbegrip: ‘ge gaat toch geen mensen langs de riolen sturen!

En dat heeft er ook wel mee te maken: Antwerpen is van harte een stinkstad. De stad ligt aan een getijdewater, en dus als het hoogwater wordt, duwt het water als het ware zichzelf de open buizen van het riool in, om daar vervolgens bij laag water met groot geweld weer uit te stromen (althans zo was het tot voor 5 jaar geleden). Als gevolg daarvan moesten Antwerpenaren als het ware even hun behoeften op houden als het hoog water is totdat het lage water weer toestond om al het ongerief vrijelijk te laten vloeien. Omdat dat in de stad in oude tijden nogal een hoop stank en ziektes veroorzaakte is de stad septische putten of beerputten gaan voorschrijven, die meestal in of achter het achterhuis onder de grond lagen. Die putten hadden in de regel een gewelfd dak en waren meestal anderhalve tot drie meter hoog van binnen, en voorzien van een zogenaamde overstortkanaalverbinding met het straatriool waarlangs het dunne gebeuren het pand kon verlaten terwijl het dikke deel dan bezonk. Dat dikke deel groeide natuurlijk wel aan en als de put dan vol raakte en ergerlijk begon over te lopen repte de huiseigenaar zich om een pompwagen te laten komen, zoals die van ’t Ruimerke, om de boel leeg te pompen op een dusdanig reukvrije wijze dat zelfs op het schoon verdiep bekend moest zijn dat er op de Vlasmarkt een beerput werd leeggepompt. Nu was het al van oudsher zo dat dat systeem van onderaardse putten en gemetselde kanaaltjes nogal gauw verstopt kon raken en in vroeger tijden waren er dan werklui die dat nou en dan kwamen ontstoppen. Maar in de moderne tijden van de twintigste eeuw hadden ze daar andere oplossingen voor gevonden en dan blies men met grote pompen vanuit het centrale inlaatkelderhuis nou en dan eens de leidingen door tegen de normale stroomrichting in, met als gevolg dat in de kelders van de Vlasmarkt bij die gelegenheid de stront letterlijk uit het plafond van de kelder spoot. Maar ach, dat was maar even en het ging wel weer over al heb ik nog jaren de stommiteit uit gehaald me over het fenomeen bij de stad te beklagen.

Maar goed, de associatie van kelders met stront en vuil was dus niet helemaal onbegrijpelijk. Daar kwam nog bij dat de structuur van het wonen in de Vlasmarkt van vele kleine appartementjes ( 20 tot 30 m2) in de veel te kleine gebouwen ervoor zorgde dat huurders hun overtollig huisraad niet binnenshuis konden opslaan en dan de kelders van de gebouwen opzochten om de spullen daar te lozen, zodat in de regel al die kelders propvol rommel zaten en sowieso niet betreden konden worden. Nee, een kelder was een vuile plek, waar wij Vlamingen met onze voorkeur voor een proper imago niks mee te maken moesten hebben.

Dat was eigenlijk wel heel jammer. Want er waren prachtige exemplaren bij. De kelder van de voormalige apotheek was door Charles de Craecker, de apotheker, helemaal tot de voet van de zuilen uitgegraven en je kijkt daar vanop de keldervloer tegen vier meter hoge prachtige zuilen in een gewelfd plafond aan, waarvan Charles steeds dacht dat die van het vroeger erachter gelegen Pieter Potklooster waren, maar die in werkelijkheid door een lakenhandelaar waren gebouwd. Zijn buurman, Marcel, zoon van de vroegere voorzitter van het gilde van marktspeelgoed-handelaren, had in zijn huis ook een fors begin gemaakt met het uitgraven van de zuilen, maar had de strijd zuchtend gestaakt toen hij moest vaststellen dat de afbraak van de goede verhoudingen in zijn gezin aanzienlijk sneller ging dan het uitgraven van de zuilen. Het bleef bij een onafgemaakte hobby, maar wel met een teruggevonden waterput, zoals we later er ook een in nr. 23 terugvonden.

Nee de kelders konden prachtig zijn, en er was veel dat onbekend was en zich aan het zicht onttrok, en alleen bij toeval gevonden zou kunnen worden. Zo hadden wij bijvoorbeeld, na vele vergeefse pogingen een hardnekkig doorlekkende zijmuur waterdicht te maken, de hulp van de stad ingeroepen omdat die eigenaar was van het naastgelegen Griekse huis, vanwaar het water leek te komen. Daarop klopten op een gegeven dag twee werklieden met een enorme boor met verlengstukken aan onze deur met de opgewekte mededeling dat zij voornemens waren dat apparaat in onze muur te zetten en die te voorzien van grote en vooral diepgaande gaten. Mijn voorzichtige suggestie om misschien dat toch eerst in het Griekse huis te gaan doen begrepen ze na een paar bakken koffie als een goed geplaatste Vlaamse truuk om de overheid een hak te zetten waar ze veel begrip voor hadden en graag aan mee werkten, en dus begaven wij ons opgewekt naar de kelders van het Griekse huis. Langdurig rondsnuffelen in allerlei kelders die onder dat gebouw zitten brachten ons alleen tot de conclusie dat wij water hoorden lopen zonder te begrijpen waar dat dan liep. Uiteindelijk werd onze aandacht getrokken door een stenen luik in de keldervloer dat we met veel moeite open kregen om daarna daaronder een compleet kanaal van circa 4 meter breed en onbestemde diepte te vinden (dat kanaal bestaat volgens de stad niet, maar doet dat dus in werkelijkheid wel). Het geluid dat wij hadden gehoord klonk in dat kanaal en kwam ergens van de straatkant. Mijn beide helpers keken elkaar vragend aan (ik begreep pas later waarom ze wel een beetje moed nodig hadden) en daarop zetten ze domweg de boor zo hoog mogelijk in een keldermuur naast ons huis. De muur was hard en het duurde even, maar daarna was het alsof er een reusachtige kurk uit de muur was getrokken en spoot het in het rond alsof de grootste champagnefles van het westelijk halfrond zojuist was opengetrokken. We stonden in no time in de blubber, en de beide werklui stelden tevreden vast dat dat het waarschijnlijk wel was. Het was een blinde kelder, in de loop der tijden beetje bij beetje volgelopen vanaf de straat totdat hij viermeter hoog vol water stond, pal naast ons parmantige schattige keldertje.

Zo zijn er vele, sommige heb ik zelf opengemaakt, van andere hoorde ik de verhalen, en sommige maakten we nooit open omdat we er vrij zeker van waren dat er botten in lagen die niet van konijnen waren. Werklui en aannemers hielden niet van die kelders. Toen het schooltje werd verbouwd tot de onsamenhangende bult appartementen die het nu is stuitte aannemer Leemans op enkele kelders die helemaal doorliepen tot achter nr. 19 en 21, maar hij heeft die ijlings dichtgemaakt om te voorkomen dat de stad en de dienst monumentenzorg in zijn nek zouden springen en het werk zouden stilleggen. Aan de achterkant van het oude kloosterplein van het voormalige pieter potklooster, waar het gebouw Kleine Pieter Potstraat 8-10 staat had zich al zo een probleem voorgedaan, maar die bouwheren, die belangen in de Congolese diamant hadden, hadden zulke goede connecties op het schoon verdiep dat zij toch na betrapt te zijn twee reusachtige fosses in de grond mochten slaan, dwars door de oude kelders heen tot groot verdriet van de bouwinspecteur die dat alles geheel onvrijwillig aan moest zien. Eigenlijk waren de Vlasmarkters met hun afkeer van hun kelders al een beetje uit de tijd. Twee straatjes verderop bestond al sinds de tachtiger jaren een keldercomplex, De Pelgrom geheten, dat ontstaan was doordat een koppige Brusseleer, Jean Badz geheten, op een gelukkige dag had besloten een houweel in zijn keldermuur te planten. De muur had het begeven en hij kwam in een kelder, waar niemand was, en zette zijn houweel ook in de volgende muur, en herhaalde dat tafereel in de loop der jaren vele malen. Zijn onderaardse keldercomplex, later aangevuld met een bovenaards museum, deels gevuld met wat hij onderaards vond, groeide uit tot een trekpleister voor toeristen waar ze in de eindeloze holen en gaten hun toeristisch behoeftes uit kunnen leven en niet al te beste Vlaamse kost kunnen vermalen. De Jean maakte het kelderwezen beroemd, en dat terwijl hij echt niet de mooiste kelders van de buurt had. Die liggen namelijk onder het Jordaenshuis, dat prachtige roemruchte complex op de hoek van Hoogstraat en Reyndersstraat, juist aan de ingang van de Vlasmarkt. Ze zijn enorm en volmaakt van vorm. Ooit huisde daar het kantoor van monumentenzorg, maar dat werd er, naar men zegt, op last van de vrederechter uitgezet wegens verwaarlozing van het gebouw, en dat verhaal past wel precies in de opvatting die Antwerpenaren van hun overheid hebben. De eigenaar van het Jordaenshuis, een adellijke persoon die uit zuinigheid in het koetshuis van zijn eigen kasteel woonde, tolereerde de wanpraktijken van de stad niet. Hun wraak was groot toen de volgende bewoner, ex-bakker Frank Vermorgen, dacht het pand op te knappen en daarbij door de stad voor werkelijk elke vierkante centimeter stucwerk zo stuk getreiterd werd, dat hij bijna met zijne voiture door de voordeur van het stadhuis binnengereden was.

De kelders van de Vlasmarkt zijn niet de hele Vlasmarkt, maar met al hun vuil, al hun geheimen en ook hun verborgen schoonheden, hun nog niet herontdekte plekken, de botten van de monniken die op ontdekking liggen te wachten, met dat al symboliseren ze wel dat ongrijpbare lief en leed van een straat, die gruwel als je denkt aan alles wat hun bewoners uithalen, die lach als je bedenkt wat ze allemaal voor onzin verrichten, die huiselijkheid die je kent van de plekken waar je terug komt en denkt: hier op het

bankje onder de boom bij de apotheek, hier kan ik eindelijk echt zitten, hier is mijn plek.

5.

‘Den Belg heeft baksteen in zijne maag’ is een gevleugelde uitdrukking in Vlaanderen, die overigens geheel en al onwaar is maar toch veelzeggend voor wat Vlamingen geloven. Want wat een echte Vlaming doet is oppotten, niet zozeer in francs en later euro’s maar in stenen, want in die eerste twee betaalmiddelen heeft hij over het algemeen geen vertrouwen. Maar stenen, die brengen op.

Dat betekent alleen niet dat hij bedoelt te investeren in stenen om er iets productiefs mee te doen, helemaal niet, au contraire zelfs. De bedoeling is het om op stenen te parasiteren. Je stopt er geld in en er komt nog meer geld uit, zonder dat je er maar een hand naar hoeft uit te steken, en dat doen echte Vlamingen dan ook liever niet. Dat is niet zozeer een ramp, zoals Hollanders denken, maar ook een zegen, want alles wat oud is blijft behouden, stomweg omdat niemand ook maar iets wenst uit te geven om het te veranderen. Dat de internationale economische verhoudingen, die sowieso toch niet door Vlamingen bepaald worden, ervoor zorgen dat de huren gestaag omhoog blijven gaan, bevestigt onze Vlaamse burgers alleen maar in hun vooroordeel: stenen zijn er om ze te laten wat ze zijn. Als gevolg daarvan is de Antwerpse binnenstad voor een groot deel nog zoals de tijdgenoten van Paul van Ostaijen ze achter gelaten hebben: een negentiende-eeuwse bouwvallige en rommelige verzameling van ooit mooie huizen. Daar is nooit zoiets als stede-bouwkundige planning of zo aan te pas gekomen, behalve dan dat er overduidelijke sporen zijn van baron Haussman die ooit heeft gedacht door middel van het trekken van rechte boulevards de Vlamingen van hun stedenbouwkundige anarchie te bekeren. Daar kwam niets van in, en alleen echte Vlamingen begrijpen waarom.

Vlaams-vreemde elementen, zoals wij, vroegen ons dan af hoe het mogelijk was om een glazen kast van een kantoorgebouw te zetten tussen twee antieke gebouwen op de Grote Pieter Potstraat, bijna waar die aansluit op de Vlasmarkt, maar dat komt helemaal niet zoals wij in onze naïviteit dachten door een of ander stede-bouwkundig besluit maar gewoon door goede connecties met het schoon verdiep. In het begin begrepen wij helemaal niet hoe zoiets werkte maar geleidelijk aan begonnen we ingewijd te raken en te snappen waarom elke notie van stede-bouwkundig beleid in de Antwerpse overheidsstructuur niets meer of minder dan een onnozelheid was. Het bleek dat naast ons in Het Cuveeke met grote regelmaat een ambtenaar stamgast was die daar zogezegd kwam om vergunningen uit te venten. Eenieder die problemen had met het verkrijgen van een bouwvergunning van de stedelijke overheid voor een huizeke of iets dergelijks vervoegde zich op een dag bij deze brave mens en die regelde dat dan, en ongetwijfeld zijn wij, net zoals u brave lezer, ervan overtuigd dat hij dat geheel om niet deed. Als het om grotere gebouwen ging, dan kon dat niet, althans niet in Het Cuveeke. Wij werden ooit door een bevriende aannemer (die inmiddels het ondermaanse heeft verlaten) meegenomen naar een etablissement, De Roze Villa genaamd, halverwege de binnenstad en de haven, waar hij, behept met een enorme hekel aan de wanpraktijken van de Antwerpse overheid, aanwees wie ambtenaren van de stad waren en wie projectontwikkelaars en bouwbedrijven, en welk project zij daar kwamen bedisselen buiten alle procedures om. Het was illustratief voor wat Antwerpen verziekt.

In zo een klimaat is er natuurlijk niks te beginnen met stedenbouwkundige ideeën, want voor alles gaat de sacoche waar alles in verdwijnt. Het is de verdienste van burgemeester Patrick Jansen dat hij tenminste de idee heeft durven opperen dat dat toch geen goede zaak was, maar als je dat doet met een schepen in je college die daar zeer openlijk mee doorging helpt dat natuurlijk niet veel.

Maar goed, zo was de Vlasmarkt tenminste wel gebleven wat hij al 500 jaar of zo was, tenminste op het oog. Want in werkelijkheid was er natuurlijk wel wat veranderd. In het begin niet zo veel, want behalve dat de munt van Antwerpen achter het Griekse huis definitief gesloten werd, en ene mevrouw De Beuckelaere op de binnenplaats van het Oude Pieter Potklooster de eerste Antwerpse stoom-aangedreven meubelmakerij vestigde bleef de straat aanvankelijk zoals hij was.

Maar die vermaledijde culturele revolutie van de ‘soisantehuitards’ bezorgde een paar Vlasmarktse families het curieuze idee dat zij dringend naar de middeleeuwen terug moesten, een idee dat meer dan honderd jaar eerder ook al het interieur van het stadhuis had verziekt door dat vol te plempen met quasi middeleeuws houtsnijwerk. Dus liet bijvoorbeeld Marcel zich vereeuwigen in middeleeuwse kostuums en besloten de basketbalcoach en de acteur hun huizekes van trapgevels te voorzien, een waanidee dat Marcel direct navolgde en waarvoor hij zelfs een prijs van beste monument van Bob Cools kreeg, de burgemeester die zijn concurrent aan de overzijde, Het Cuveeke frequenteerde (en de halve binnenstad aan de andere kant van het stadhuis vol met monumenten had vernield in een onbezonnen vlaag van stedenbouwkundige grootheidswaan). Zo was de Vlasmarkt zomaar plots ineens overheerst geraakt door trapgevels die er nooit geweest waren, en werd het duidelijk negentiende eeuwse stempel dat door Zwanenpand en Griekse huis op de straat waren gezet plots weggedrukt door nadrukkelijk monumentaal bedoelde trapgevels die een zestiende eeuws verleden moesten oproepen. Dat dat niet erg geloofwaardig was wisten de eigenaren ook wel, want toen ik het ongeluk beging de eigenaar van nummer 23, de basketbalcoach, eens te vragen waarom hij 1579 als jaartal in smeedijzer op het pand had laten aanbrengen, was het antwoord dat dat de cijfers waren die hij in de brocanterie had kunnen vinden. Ach, dat geklooi met waarheden behoorde bij de authentieke eigenschappen van de Vlasmarkt, het was er misschien wel het meest centrale bestanddeel van.

Dat kun je ook aflezen aan de praktijk die ze in Antwerpen om een of andere onnaspeurbare reden monumentenzorg noemen maar in feite beeldvorming of façade-zorg is. In Antwerpen mag je een monumentaal gebouw alles aan doen als de voorgevel maar blijft staan, want daar komen de toeristen voor. Zo is bijvoorbeeld het café en eethuis De 7 Schaken, naast het stadhuis, niet meer dan een antieke gevel met een betonnen bouw erachter, die keurig met veel triplex en formica is opgetuigd als ware het een achttiende-eeuwse taverne. En zo is dat met veel als antiek bekend staande gebouwen gegaan. Monumentenzorg gaat in Antwaarp over PR, niet over monumenten.

6.

Maar ondertussen is er wel veel monumentaals op de Vlasmarkt, maar dat is niet in het zicht en verstopt achter lagen modern gips en schrootjes en formica en alle mogelijke andere rommel die onze tijdgenoten tot de bouwmaterialen rekenen maar door de echte bouwers van de oeroude gebouwen als verfoeilijke rommel zou zijn beschouwd. Vrijwel alle gebouwen hebben nog die prachtige oude roosteringen, bestaande uit twee tot vier of vijf moerbalken van 20 bij 30 of 30 bij 30 en soms 30 bij 40 cm waarop dwars de kinderbalkjes uitkomen, alles meestal in prachtig oud eiken, en vaak ingekapt in zwaluwstaartophangingen. Veel van die moerbalken hebben alle meerdere levens doorgemaakt doordat ze gerecupereerd werden bij gebouwen die door brand vernield werden, zoals bijvoorbeeld het Sint Michielsklooster waarvan een moerbalk in nr. 32 belandde. Moderne bouwverordeningen zorgen er heden ten dage voor dat die roosteringen uit zicht verdwijnen door lagen brandwerende gipsplaat, maar ach, dat beschermt ze misschien ook wel voor de vernielzucht van de moderne bouwtechnici. In de muren van de gebouwen vind je, naarmate je lager komt in het gebouw, nog erg veel oud metselwerk (in de achtergevel van nr. 32 zaten nog restanten van de oude stadsmuur) waarin je zelfs nog kloostermoppen vindt, die enorme alleroudste bakstenen van 20 op 10 op 7. En op de vloeren van de kelders komen veel antieke plavuizen voor en onder die plavuizen vaak nog de restanten van oude putten, al is er niet vaak nog stromend water in te vinden (zoals bijvoorbeeld nog wel in het oude pandje Moriaenstraat 5).

De Vlasmarkt is werkelijk vergeven van die restanten van een ver verleden, maar in werkelijkheid interesseert dat niemand. Ik heb wel eens pogingen gedaan om de oudheidkundige dienst van de stad, die toen op de Kloosterstraat was gevestigd te interesseren voor het opgraven van bepaalde stukken, maar werd daar honend weggelachen: ’stomme Hollander die dacht iets te begrijpen van Antwaarp’.

En zo blijft die oude Vlasmarkt gezapig wegsluimeren in de tijd, gerust met zijn eigen warrig geweten.

VAN GEBOUWEN EN MENSEN

Inleiding

Ook al heb ik nou al zoveel gezegd over de Vlasmarkt, toch zal elke lezer met een normaal stel kloten aan zijn lijf nu denken dat het de straat geen body geeft, dat het zout in de pap ontbreekt. Dat komt omdat we het nog niet over de mensen hadden, de Vlasmarkters zelf.

Biologisch gesproken zijn Vlasmarkters ook helemaal geen mensen. Natuurlijk, een deel van hen loopt in de vorm van een bundeltje spieren, vlees en bloed regelmatig over de stoepen, maar dat is enkel bedrieglijke schijn. Die fysieke vorm is enkel een printje van de idee die ze vertegen-woordigen. Marcel, bijvoorbeeld, is natuurlijk ook de biologische Marcel, maar dat schildert hem volledig inadequaat, want hij is de Marcel van Den Rooden Coninck.. Sven was natuurlijk niet Sven, maar den Sven van den Blauwen Gans, Charles was niet Charles, maar Charles van de apotheek, Andreas was niet Andreas maar Andreas van het Griekse huis, etc., etc. Elke Vlasmarkter was versmolten met het gebouw waar hij huisde, hij was deel van het gebouw geworden en van de professie die daar in hoorde. Hij kon als het ware niet zonder het gebouw gezien worden en evenmin kon het gebouw gezien worden zonder hem. Als er iets speciaal was aan de Vlasmarkt dan was het die bijzondere vorm van versmelting tussen huis en bewoner.

Dus als je die speciale ingrediënten wilt kennen die de Vlasmarkt maakte tot wat het was, dan is het die speciale huis-bewoner combinatie.

Maar voordat we het daarover gaan hebben past het mij nog een kleine oproep tot behoedzaam-heid te plaatsen: de Vlasmarkt was er alleen voor blanke mannen van eigenlijk alleen middelbare leeftijd. Als er vrouwen waren, werden die niet echt geacht, en als er lieden waren die hun herkomst buiten het Europa van de middelbare blanke man hadden, dan werden die subito weggekeken of anderszins verwijderd. De Vlasmarkt was Vlaams en de meeste bewoners ervan vonden in 1996 dat dat zo ook diende te blijven. Daar was pal voor onze komst in de tachtiger jaren toch wat verandering in gekomen en met die bewoners beginnen we onze korte schets van het leven op de Vlasmarkt tussen 1996 en 2015, ingedeeld naar 29 van de 30 gebouwen van de straat.

Vlasmarkt 26-28-30 
Het Griekse Huis

Griekse Huis voorzijde

Griekse Huis binnenplaats

Een immens gebouw, naast ons, tenminste als je het vergeleek met ons huizeke van 48 m2 bebouwde oppervlakte. Het heeft zeer brede gevel van zeker 20 meter en een diepte van het voorgebouw van circa 9 meter en is drie hoge lagen hoog. Achter de voorbouw ligt een plein dat bijna geheel omringd wordt door de diverse vleugels en aanbouwen, en helemaal achter dat plein ligt een lager gebouw met Franse tuindeuren, dat ervan beschuldigd werd het restant te zijn van de vroegere Antwerpse Munt. Het gebouw had alle mogelijke functies gehad, waarvan de voornaamste in de twintigste eeuw waren die van school en kindertheater, waar straatgenoot en acteur Van Uffelen actief bij betrokken was.

Toen de verwaarlozing van het gebouw in de tachtiger jaren van de vorige eeuw zo uit de klauw liep dat zelfs het Antwerpse stadsbestuur vond dat er iets moest gebeuren - en dat wil heel wat zeggen in Antwerpen - kwam er uit onverwachte hoek redding. In die jaren kwamen er nog schepen in de haven met Europese bemanning, en die bemanningen waren nogal eens Grieks. Men zei men dat er in die tijd elke dag wel een of twee schepen met Griekse bemanningen aankwamen. Er was dan ook een Grieks-orthodoxe kerk in Antwerpen, en de Griekse ambassade in Brussel, die zich toen nog in financieel luilekkerland waande, had er bij de Antwerpse overheid op aangedrongen hen een gebouw in Antwerpen voor de vestiging van een consulaat te bezorgen. Die zag daarop de mogelijkheid twee vliegen in een klap te slaan en leverde het gebouw aan de Vlasmarkt, dat daardoor Griekse huis ging heten, aan de Griekse overheid door middel van een contract, waarover alle Grieken van Antwerpen nu nog meesmuilende grappen maken gezien de volstrekte onbenulligheid van de inhoud ervan. Het kwam erop neer dat de Antwerpse overheid het gebouw verhuurde voor 500 Belgische franken per maand en dat gedurende tenminste 50 jaren. De Grieken hoefden zich niet vast te leggen op het gebruik en lieten in een uiterst vage algemene bepaling vastleggen dat ze eigenlijk het gebouw moesten onderhouden, wat ze natuurlijk nooit planden te doen. Tegen de tijd dat wij in de strijd arriveerden waren de Griekse bemanningen al lang in geen velden of wegen te bekennen en was het consulaat allang opgeheven, maar het gebouw stond er nog, compleet met diverse lekkages, lege winkelvitrines aan de straat, en flinterdunne muren doordat de aannemer die voor de stad de contractueel overeengekomen verbouwing moest doorvoeren de zijmuur had vernieuwd door die in dikte te halveren. Ik heb toen zo vaak door dat gebouw gedwaald. Het was er zo wezenloos mooi; grote heldere lichte ruimten, fraaie hoogten en bogen, en schitterende houten vloeren, en alles leeg, ontzettend leeg.

Alleen op de begane grond, daar was het anders. Daar heerste nog de Griekse cafetaria, onder leiding van een pronte Vlaamse madam, Arletta, die fiks de knoet hanteerde en elke gast bedolf onder een uitbraaksel van verwensingen over het bestuur van het gebouw door de Grieken. Maar gezellig was het er wel, ongelooflijk zelfs in de eerste jaren. Maar toen begon het tot ons door te dringen dat het liefelijke tafereeltje maar schijn was, want aan de overkant, bij de familie die het restaurant de Twee Atheners beheerde, viel een dode, en die werd kennelijk veroorzaakt door de maffia die het Griekse huis beheerde. Ik heb die jongens die tot die gang behoorden wel een paar keer gezien, en die staken echt niet onder stoelen of banken dat ze wel als echte beroepsgangsters gerespecteerd wensten te worden.

Na die dode werd het wel minder gezellig, al gingen de jaarlijkse Griekse feesten nog een tijd door, totdat er met een gruwelijk auto-ongeluk, waarbij de zoon van de bestuursvoorzitter van de Griekse vereniging om het leven kwam, een definitief einde kwam aan die illusie van Griekse gezelligheid. Verbitterde gevechten binnen het bestuur leidden dan uiteindelijk tot het opstappen van Arletta en het aantreden van een nieuwe exploitant die de cafetaria tot werkelijk grote hoogten zou gaan opwerken, zo had hij het bestuur verzekerd. Lieve Agapios was een voormalige Brusselse politie-inspecteur, lid van een oude hechte Griekse clan en vooral levens genieter ‘pur sang’.

Vanaf het begin werd de cafetaria plots omgetoverd tot een zwierige nachtclub, met groot vertier, schone muziek en nog schonere dames, Lieve straalde iedereen toe, zwierde tussen de tafels door en bewees dat Griekse charme toch onweerstaanbaar moest zijn. Dat vonden zijn schonen niet, en dus verdwenen die alras, maar het moet gezegd dat de omzet van de cafetaria explosief steeg. Lieve was een Vlasmarkter pur sang, ondanks zijn Griekse herkomst, en dat kon dus niet goed gaan. Hij stak de winst van zijn florerende cafetaria in een drankje, Outox geheten, dat er gegarandeerd (maar dit tussen aanhalingstekens) voor zou zorgen dat elk spoor van alcohol in de aders van zware zuipers zou worden gewist. Hij geloofde er zelf wel in, maar naar later bleek, geloofde hij in ongezond veel dingen. Met de staart tussen de benen ging Lieve af en kwamen twee andere Grieken op, Iourgos en Andreas, die het cafetaria voor een fabelachtig bedrag van het ondertussen wat slimmer geworden bestuur huurden, nadat ze hun eigen grensoverschrijdende bezigheid hadden verkocht na het in werking treden van nieuwe douaneregelingen.

Nu werd het Griekse Huis een serieuze taverne, en dat leek goed te gaan totdat Andreas, een van de twee exploitanten, zo dom was een vriend-schap aan te gaan met een notoire vastgoed-maffioos van Griekse nationaliteit, ene Yanakopoulos, die met geld zwaaide en zowaar de gevel van het Griekse huis liet schilderen. Dat is de stad niet helemaal ontgaan, en die zijn vervolgens, toen Yanakopoulos al door de politiediensten op de vlucht was gejaagd, toch uiteindelijk in gesprek gegaan met het bestuur van de Griekse vereniging over het onderhoud dat maar steeds niet gedaan werd. Recent is er dan toch werkelijk weer onderhoud gepleegd, uiteraard door de gemeente en niet door de vereniging.

Andreas is er nog altijd, zij het elke keer als ik hem zie met een nieuwe partner, maar daar kijk je op de Vlasmarkt niet van op.

De Grieken zijn niet het eerste niet-Vlaamse element op Vlasmarkt, want in de loop van de laatste achthonderd jaren hebben alle mogelijke nationaliteiten de stad gefrequenteerd, maar ze zijn in het tijdperk van na de eerste wereldoorlog waarin het Vlaamse culturele isolationisme opbloeide wel de eersten met een niet Vlaamse nationaliteit die het waagden zich te vestigen in dit ultra-Vlaamse nest dat de Vlasmarkt was. Aanvankelijk alleen in het Griekse huis aanwezig verspreidden ze zich door de straat, eerst met een restaurant, ‘De Twee Atheners’ geheten, van de familie Stavropoulos tegenover het Griekse huis, en daarna door de overname van ‘de Ware Jacob’ (nr. 19) door Janni Agapios (broer van Lieve, de voormalige exploitant van de Griekse cafetaria) en vervolgens door de overname van het Stamineeke (nr. 23) door Janni Pagkos en op het hoogte punt gevolgd door nog een restaurant aan de kant van het Griekse huis dat het eigendom was van Janni Agapios maar het wel maar een half jaar uithield. En toen stuikte de droom van een klein Griekenland ineen en verdwenen de een na de ander al die Griekse etablissementen.

Alleen het Griekse huis bleef, en is daar nu nog altijd.

Die Griekse episode lijkt van voorbijgaande aard te zijn geweest, maar heeft toch een trendbreuk veroorzaakt: de Vlasmarkters moesten erkennen dat er niet-Vlamingen bestaan, iets wat ze ternauwernood uit hun strot konden krijgen. Onmiskenbaar waren daar toch wezens die Vlaams verstonden en spraken en die ook nog in staat leken om zaken te doen en pinten te drinken. Een volledig onaanvaardbaar gegeven, maar ook zulke gegevens kunnen, ook zonder aanvaarding, toch aanwezig blijven. Dat is het lot!

Vlasmarkt 34 
’t Cuveeke

‘t Cuveeke, nu Ons Cafeeke geheten

Aan de andere kant van ons huis, nr. 32, stond het kleinste cafeeke van Antwaarp, toentertijd ‘t Cuveeke gedoopt met het nummer 34. En klein was het ook echt.

De gelagkamer was krap drie en een halve meter breed en de afstand tussen gevelraam en tap haalde diezelfde afstand nauwelijks. Achter de tap strekte zich nog zeker 1 meter 20 uit tot waar de achtergevel van het gebouw elke verdere expansie van het horecagebeuren definitief de pas afsneed. Er was natuurlijk wel al het mogelijke aan gedaan wat een Antwerpse caféhouder zich in kon denken om het café te vergroten, wat weliswaar fysiek niet kon maar wel door het bevestigen van spiegels aan alle wanden, waardoor het groter leek, maar je ook gedwongen werd je gesprekspartner niet alleen van voren maar ook van achteren te bekijken. Voor sanitaire behoeften was uiteraard geen plaats op het gelijkvloers en dus moest daarvoor langs een circa 50 cm breed stenen trappetje naar de kelder worden afgedaald waarin dan een smal gangetje naar het gerief leidde, waar je dan na lozing van de waren een brommend geluid vernam van de versnijdingspomp die alles ordentelijk weer naar een hoger niveau transporteerde (als hij het deed tenminste).

Op de eerste en tweede verdieping woonden in onze tijd Krisje en Sjef maar die laatste naar later bleek maar tijdelijk, omdat Krisje niet al zijn escapades tolereerde. Dat boven wonen was geen vrijwilligheid maar barre noodzaak, die feitelijk niet zo geëigend was voor Krisje, omdat ze gewrichtsproblemen had en die trap dus een kwelling was.

Dat temeer, omdat de keuken van ‘t Cuveeke, dat zich immers ook tot bistro had benoemd, ook op die eerste verdiep was, zodat Krisje voor elk bord het trapje omhoog en omlaag moest zwoegen. De gasten konden maar moeilijk begrijpen dat een verzoek om een zoutpot of een extra stukje brood niet bijster konden worden gewaardeerd.

Dit hele bouwsel was deel van het patrimonium, of liever, was het patrimonium van ene heer Janssen die wij verder nooit in levende lijve hebben mogen aanschouwen, maar Krisje ook nauwelijks, wat volgens haar te wijten was aan het feit dat het haar ontbrak aan de vrees die nodig was om haar af te houden van het voortdurend indienen van aanklachten over de zwaar doorlekkende achtergevel. Die muur was niet alleen compleet voos, maar ook onbereikbaar vanaf de achterkant, maar ook niet bereikbaar zonder de medewerking van de Grieken, en dus totaal niet bereikbaar volgens de huisbaas want dat waren geen Vlamingen.

‘t Cuveeke was mateloos populair in die jaren. Krisje had al een heel leven ervaring in de horeca voordat zij aan ‘t Cuveeke begon. Zij beheerde daarvoor het bijna laatste café van de Schuttershofstraat (dat met de dubbele trapgevel), dat een gekende oppikplaats voor courtisanes was, die zij zo mooi kon beschrijven. Het begrip ‘courtisane’, zo legde zij ons uit, sloeg niet zozeer op hoererij, want het ging de courtisane niet om het verkopen van het gebruiksrecht op haar lijf en leden, geheel au contraire, het ging de courtisane erom dat zij heren eventueel toestond te genieten van het plezier van haar gezelschap zo zij bereid waren zich te gedragen, en dat wil zeggen ook door de beschikbaarheid van de nodige contanten. Niks geen verloedering en verslonzing, maar juist de chic van de stad waren de courtisanes. Krisje zuchtte dan diep en zei dat die niet meer bestonden, of wellicht toch die ene dame op Vlasmarkt met de te welluidende naam Roxanne, die haar ‘lovers’ duidelijk in huis hield als extra huishond, maar dan wat haar betreft wel voorbestemd van het zwerftype te zijn.

Nee, wat dat betreft was ‘t Cuveeke, waar zij terecht kwam na door Heineken uit haar café op de Schuttershofstraat te zijn gezet, wel een degradatie, ook al dacht zij er met haren Sjef heel gelukkig te worden (wat dus een misverstand bleek).

Krisje had mateloos veel plezier in haar cafeeke. Het was er vaak veel te druk, en er kwam veel schoon volk: niet alleen die ambtenaar van de vrij verkoopbare bouwvergunningen, maar ook ex-burgemeester Bob Cools en acteur Julien Schoenaerts die daar dan ook legendarische ruzies kregen. Dat ruziën werd door de Vlasmarkt altijd nauwkeurig bijgehouden. Iedereen wist altijd precies wie met wie op de vuist was gegaan, al werden de redenen voor de strijd er meestal maar bij verzonnen voor de jus van het verhaal. Zo wisten alle Vlasmarkters altijd nog uitgebreid te verhalen van de straatvechtpartij tussen W.F Hermans en de cafébaas van het half Souke, juist om de hoek op de Hoogstraat, en werd ook elke vechtpartij waar Fred Berrevoets, de beeldhouwer die behalve bij het Cuveeke ook bij de subsidiefuik De Zwarte Panter op de Hoogstraat kwam, bij betrokken was nauwkeurig in de memorie opgetekend. Vechten was interessant, zoveel was zeker.

Maar wat Krisje betreft gold dat enkel het verhaal en niet het echte gebeuren en zij heeft naar mijn weten nooit ook maar een enkele vechtpartij binnen haar deuren gekend. Er was geen plek met een betere sfeer dan ‘t Cuveeke. Vaak dezelfde trouwe vrolijke gezichten, veel gelach, veel openheid, iedereen praatte met iedereen, muziek alom. Geen wonder dat daar de eerste niet-Europeaan van de straat werd binnengelaten, wat voor Krisje geen enkele moeite was. Ali was een politieke Iraanse vluchteling, voormalig lid van de Tudehpartij, en fietsenmaker annex bierhandelaar aan het begin van de Reyndersstraat, juist voor de vlasmarkt. Ali dronk te veel, maar - en dat was een groot cultureel verschil met echte Vlamingen - beklaagde zich daar ook veelvuldig over. Hij vond het slecht van hemzelf, maar was ondertussen wel ontzettend gezellig en uiterst vriendelijk.

En toch was Ali’s verschijning een teken aan de wand, en dat werd door sommige bezoekers ook zo gesignaleerd. Hij was bepaald niet echt Vlaams te noemen.

En de andere Vlasmarkters verweten het Krisje uitbundig dat zij met haar on-Vlaams gedrag zo het einde van de straat bewerkstelligde, althans in hun zeer Vlaamse ogen. Toen zij daarna ook nog nu en dan een Chinees ogende bediende tewerk stelde was het helemaal gedaan en spraken sommigen niet meer, wat in hun ogen ook gerechtvaardigd bleek te zijn toen de Chinees haar uitvoerig oplichtte.

Langzamerhand raakte het plezier van Krisje op, temeer toen bleek dat haar heup dit gevoel heel en al met haar deelde. Opereren zou noodzakelijk zijn en dan langdurige revalidatie daarna en dan tikte de huur toch door want wat je mijnheer Jansen ook kon verwijten, daar was geen overdreven medemenselijk gevoel bij.

Ze gaf het op en verkocht, aan John.

John was een extreem aardige man, van beroep leraar aan een lerarenopleiding, en wel in de pedagogie. Het cafeeke deed hij voor de ambiance, het inkomen eruit had hij niet nodig. Er was niks mis met John, zo leek het althans ons toe. Onze zoon werkte er af en toe wat bij en John leerde hem van alles, soms zelfs nuttige dingen. Maar wat er bij John niet in ging was dat pedagogie in een cafeeke niet werkt. Hij kreeg botsingen en woordenstrijd met bezoekers en er bleven er langzamerhand weg en anderen zette hij eigenhandig buiten. De sfeer verziekte, en John, die bepaald niet dom was, besefte maar al te goed dat het zo tastbare cafeeke hem begon te ontvlieden. Het was na een langdurig verblijf elders dat wij bij terugkomst op de vlasmarkt te horen kregen dat onze buurman John dit ondermaanse vlasmarkt gebeuren een zo onaangename plaats was gaan vinden dat hij middels een kogel uit een pistool zijn kaarsje had uitgedaan. Daar waren wij wel stil van, want het was wel weer een signaal dat er wel gemakkelijk hier redenen gevonden konden worden om het leven niet met groot genoegen tegemoet te treden.

Na John kwam er een glas-in-lood artiest in ‘t Cuveeke, Wannes, die tegelijk een (al te) trouw bezoeker van Den Rooden Coninck aan de overkant was. Hij gaf cursussen in zijn ambacht en toen dat niet voldoende bleek op te leveren, ging hij over op het deels heropenen van ‘t Cuveeke, wat ook niet bijster winstgevend bleek, en daarna gebeurde wat heel de straat al van verre had zien aankomen en was hij op een dag plots verdwenen.

En toen bleef het even stil naast ons.

De wedergeboorte van ‘t Cuveeke werd veroorzaakt door de enige mensensoort die zo een dikke plank voor zijn kop heeft dat enig achterbaks wantrouwen daar toch niet in door kan dringen; door een Hollander dus. Robbie kwam, gooide er fluks de prachtige glazen voorgevel uit en maakte daar een bar van waarbij de barkeeper nog juist in het cafeeke stond en de gasten buiten op straat ervoor. Ik ben nooit gaan uitzoeken of dat eigenlijk wel mocht, maar zag wel dat de pogingen van bijna al mijn buren om het overvloedig lawaai dat daardoor uit ‘t Cuveeke kwam te stoppen volledig faalden; Robbie had zich blijkbaar goed ingedekt. En hij was ook een verdomd goede cafébaas want het cafeeke heeft onder zijn regiem gebloeid als nooit tevoren.

Vlasmarkt 36-38 
De Frituur

Hoek Hoogstraat-Vlasmarkt De Frituur

De frituur op de hoek. De grootste vriend van Krisje op de Vlasmarkt was Edgar, den Edgar. Hij was de Vlasmarkt ten voeten uit. Overdag stond hij altijd in de frituur, soms afgewisseld door zijn zus Rita die vanwege de vroegtijdige pensionering van haar kok-echtgenoot wegens rug- en hartklachten het karige pensioentje moest aanvullen met wat bijverdiensten. Die frituur was niet bijster mooi, en ook niet bijster proper, eerder wat smoezelig, en leverde ook niet bijster goede producten af, omdat Edgar niet bijster vaak zijn olie vernieuwde, en bovendien ook niet bijster veel interesse had in klachten van klanten. Het was gewoon een typische Vlaamse frituur, met van die vuile witte kleine tegeltjes op de vloer, het nodige rvs waar je het vet vanaf keek en veel neonlicht.

En toch was er eigenlijk niks mis mee. Edgar was altijd aardig. En altijd heel open en gul tegen iedereen, zeker als hij weer eens een nacht uitging in zijn eigen straat – want zo zag hij de Vlasmarkt zeker - waarvan hij dan uitgebreid verslag deed bij Krisje, en dat deed hij vaak. Met Edgar had je plezier, aan welke bar je ook hing. Uitzonderlijk in de straat. En daarom was hij ook een trouwe maat van Krisje, de enige die echt begreep hoe beperkt het zicht op de mensheid was dat in de Vlasmarkt heerste. Ze waren elkaar trouw, zowat tot in de dood.

Want Edgar had het in zijne frituur niet altijd gemakkelijk. Een frituur in Antwerpen is een kwetsbare plek. Frituur no. 1 aan het begin van de Hoogstraat bulkt zo van de veiligheidsvoorzieningen dat je bijna verwacht dat ze eerst al je identiteitspapieren willen zien voordat je een frietje kunt krijgen, maar bij den Edgar liep je zo binnen. Dat kwam hem zo nou en dan duur te staan. Op een dag werd hij aangevallen door twee mannen in zijn frituur, niet zo van een gerichte overval vanwege de kas maar gewoon agressie om de agressie zelf. Hij belde de politie. Later wisten verschillende Vlasmarktbewoners te vertellen dat de politiewagen was gekomen maar omzichtig was blijven wachten bij het begin van de Reyndersstraat totdat de aanvallers uit eigen beweging vertrokken. Ze hadden Edgar helemaal in elkaar geslagen en hij moest geruime tijd het ziekenhuis in. Uiteraard is er nooit enig onderzoek naar de daders geweest. Hij is er niet vrolijker van geworden. Nog steeds ging hij wel nog eens uit in de Vlasmarkt, maar hij bekeek mensen met argwaan.

Op een dag vonden ze Edgar in zijn bed omdat hij niet was op komen dagen. Hij was dood, hartaanval zeiden ze. Zijn zus Rita deed fluks het handelsfonds over aan een al te simpele koper die er pal na de overname achter kwam dat de huurceel wel onherroepelijk binnen vier maanden ging aflopen.

Zo deed je dat op de Vlasmarkt.

Na het faillissement van die arme koper werd het pand opgeknapt en verkocht en sindsdien probeerden diverse winkelmodellen daar uit te vinden waarom ze er niet winstgevend kunnen worden. Maar het pand kreeg nooit de couleur lokale terug die het in Edgar’s tijd had.

Vlasmarkt 35-37 
De Apotheek

De Apotheek Vlasmarkt 35-37

Den Gouden Babbelaer was een toffeewinkel, op de hoek van de Hoogstraat en de Vlasmarkt. Hij was in typisch Antwerpse stijl kapot verrommeld, verslonsd tot op het bot. Den Charles, een grote magere man met een fikse gebogen neus, aasde er al lang op, voordat hij het uiteindelijk kocht, omdat hij vond dat zijn eigen kleine apotheek, schuin tegenover het Jordaenshuis, niet meer voldeed.

Hij had om zijn Annie gerust te stellen gezegd dat hij het snel zou opknappen, maar in werkelijkheid werd het een 5-jaren plan, vooral omdat Charles’ hart gewoon wel tien maal oversloeg als hij weer iets antieks meende te ontwaren onder het stof. De houten poutrelle, die midden in zijn apotheek uiteindelijk kopstotend boven de bezoekers kwam te hangen had hem volgens Annie maanden schuren gekost. Om dan nog maar niet te spreken over de kelder die meters dieper werd uitgegraven dan hij was omdat Charles per se de zuilvoeten in zicht wilde hebben. Toen hij ook nog de kelder onder de straat ontdekte en aanstalten maakte om ook daar vergaande interieur-technische hervormingen door te voeren heeft zijn Annie, zo vertelde Charles later, hem met een heuse huwelijkse crisis gedreigd. Hoe dan ook, toen Charles klaar was, stond daar een heus geheel nieuw oud monument, zo strak in de muren, de trapgeveltjes en de kei-nieuwe ramen, dat het volstrekt duidelijk was dat geen enkel werkelijk oud gebouw ooit zo recht van maat en leden had kunnen blijven. Charles vond de zestiende eeuw opnieuw uit, maar toen het er allemaal eenmaal stond bleek hijzelf toch de zeer moderne en bijdetijdse apotheker te zijn gebleven die hij altijd was. Charles was een libertair, hij hield niet van conventies, hij hield niet van partijen, en al helemaal niet van socialisten en nationalisten, hij hield niet van de meeste andere Vlasmarkters, niet van aannemers en architecten, en had een flukse minachting voor de aan de subsidiekraan hangende kunstenaars van de straat. Maar hij hield van zichzelf, en van de lol die hij steeds kon trappen. Hij kon onbedaarlijk veel plezier maken en ook onvergeeflijk (voor Annie dan) zwaar uit zijn bol gaan als hij zich liet gaan. Als patiënten eens al te zwaar klaagden over het gebrek aan succes van de voorgeschreven medicijnen had hij de jeneverfles klaar staan om samen het verdriet te verdrinken. Die fles was ook zijn voornaamste strijdmiddel als de socialisten met hun bejaardenclub langs kwamen op 1 mei, en hij lokte dan bekenden naar binnen om dan samen rond de jeneverfles grappen te maken over de demonstranten. Als ik hem zo beschrijf zou je misschien denken dat hij een onuitstaanbare man was, maar dat was hij juist niet. Hij was de aardigste charmantste, beminnelijkste en zeker meest intelligente bewoner van de Vlasmarkt, en Krisje en Edgar zouden dat zeker met me eens zijn geweest. Het was, wat verdomde Hollanders zo zeggen, een schat van een man. Ik heb nog enkele jaren met hem op mogen trekken en heb heel veel van hem geleerd, al zou hij ongetwijfeld hebben gezegd dat dat leren nog geen begrijpen inhield. Al zijn verhalen bestonden uit keiharde grappen en ketterijen waarvan steevast de moraal was dat er ergens nog wel wat goeds op de wereld te rapen viel, als je je maar eerst eens van alle klootzakken en rommel kon ontdoen. En hij had smaak ook, die Charles, voor kunst, mooie dingen en vooral ook lekkere dingen, levende daaronder inbegrepen. Voor mijn toen nog misschien wat overgevoelige hartje was het vaak nog wat slikken als hij weer eens een scherpe grap al te pikant serveerde, maar dan lachte hij eens en sprak mij moed in: gewoon goed doorslikken. Charles behoorde tot het soort superieure geesten die zich niet wilden laten vangen voor stompzinnige dingen als politiek of maatschappelijke belangenorganisaties, ook omdat hij wist dat dingen als de verslaafdenzorg, die hij als enige apotheker in de binnenstad wilde doen, toch door niemand uit die prachtige belangenorganisatie zou worden overgenomen wegens gebrek aan respectabiliteit. Charles was rigoureus in zijn gebrek aan ambitie en zelfrespect. Toen hij eenmaal door een beroerte niet meer kon werken en steeds langzamer kwam langs geschuifeld kon je erop rekenen dat je altijd een of andere schampere opmerking kon verwachten over de wankele baal botten waar zijn geest in huisde. Gewoon kaal en proper bij jezelf blijven dat was ambitie genoeg.

Ik miste hem verschrikkelijk toen hij uiteindelijk verdween van deze aardkloot. Na Charles kwam er eerst een nieuwe apotheker, Piet Borst, in de apotheek, maar die verkaste al na enkele jaren naar een pand op de Hoogstraat, en ja, dan ben je Vlasmarkter af. En sindsdien tracht Annie gewoonlijk tevergeefs allerlei winkeliers uit het hoofd te praten dat winstgevendheid voor en confectiewinkel op die plek echt onmogelijk is. De een komt, de ander gaat, maar steeds zie ik dan weer voor me de meesmuilende kop van Charles zeggen: ‘de gaot toch nie mannekes’! (Het huisje links naast de apotheek is een huisje met studio’s dat sinds jaar en dag door Annie wordt geëxploiteerd).

Den Rooden Coninck

Vlasmarkt 31-33 
Den Rooden Coninck

Den Rooden Coninck

Den Rooden Coninck was fake, echte zoetsappige roomtaart fake, in alle opzichten. In de huizen (het is een dubbelhuis) woonden Marcel en Mia met hun twee aangenomen kinderen. Marcel verkocht eigenlijk speelgoed op de markt, zoals zijn vader had gedaan die het zelfs tot het respectabele voorzitterschap van de vereniging van speelgoedmarktkramers had gebracht, waarvoor Marcel hem altijd eerde door een levensgrote foto met die titel boven het keldergat te hangen. Zodra zijn vader de Vlasmarkt definitief had verlaten besloot Marcel dat het ambt van speelgoedmarkt-kramer hem toch niet die eigen wereld bezorgde die hij zo graag zou willen hebben, en die beoogde wereld was een vorm van her-uitvinding van de late middeleeuwen waarin de Vlamingen als zin van hun bestaan zagen het uitroeien van alles wat on-Vlaams en vreemd was. Het is zeer de vraag (was het toen ook al) of Mia al zijn plannen wel goede voornemens vond, en het was zeer zeker dat zijn twee aangenomen zonen het achteraf zeer zeker geen goede voornemens vonden, maar hij nam zich voor zijn grof-grijs bepleisterd huis steen voor steen te herbouwen tot een stadskasteel met dubbele trapgevel, diepe kelders met waterput en -naar hij dacht- een originele trap waarvan naar zijn onjuist gebleken mening de treden in de muur staken in plaats van in een ordentelijke wang, omdat hij meende dat ze vroeger niet zo precies konden frezen dat trapwangen mogelijk waren. Jaren lang ploeterde hij met de onvrijwillige hulp van vrouw en kinderen van steen tot steen, van balk tot balk, en het moet gezegd dat het zoet-romantische bakstenen uiterlijk dat herberg Den Rooden Coninck ging huisvesten de waarschijnlijk ook toen al door verblijf in ‘t Cuveeke licht benevelde Bob Cools tot het waanidee moet hebben gebracht dat hier een heus origineel monument uit de grond rees, want hij heeft Marcel op een gegeven moment een prijs gegeven voor de ‘beste restauratie’ van Antwerpen, waarmee Marcel bevestigd zag dat hij eindelijk zijn vader was voorbijgestreefd, en het kostbare document dat dat bewees heeft sindsdien naast de inkomdeur van het cafeeke gehangen. En, tja, je moet bij zo een echte onechtheid ook niet de wijsneus uit gaan hangen, zoals sommige lieden van monumentenzorg deden die bijkans huilend op de stoep voor het bouwsel stonden, want de stenen waren immers echt oud, het hout kraakte zoals het in een echt stokoud pand ook zou hebben gedaan en de luikjes waren zo uit de Efteling weggelopen, al leken de bovenste stapjes van de trapgevel wel verdacht scheef en los, maar dat kwam alleen omdat Marcel te korte steunijzers had gebruikt om ze overeind te houden waardoor ze wat naar achteren waren getrokken. Het was Hans- en Grietje bouw, maar mooi scheef is niet lelijk. Geen gezeur, het zag er leuk uit en deed wat het moest doen, en dat was Vlaamse klanten trekken.

Het Antwerpen van de zestiger jaren had vanuit Holland gezien het imago van een bruisende linkse culturele stad, maar al bruiste en borrelde het wel, met linkse cultuur had dat heel weinig van doen. In Antwerpen leeft meer dan levensgroot het naoorlogse trauma van de repressie, waarover Hugo Claus o.m. het veel te omzichtige ‘Verdriet van België’ schreef. In de straten van de oude stad leefden duizenden mensen die aan den lijve de weinig prudente hand der wrake hadden gevoeld, en die daar een diep onwankelbaar wantrouwen aan de overheid aan hadden overgehouden. Natuurlijk, ze moesten dat ondershuids beleven, openlijke melancholie naar de oorlogstijd was bepaald niet chic, maar als de gelegenheid zich voordeed om dat uit te leven zoals bij de diverse taalrellen van de zestiger en zeventiger jaren in Voerstreek en Leuven, dan waren er veel die zich zeer verwant aan Voorpost toonden. Maar hun probleem was dat ze respectabel wilden zijn, niet veracht, niet gecriminaliseerd, maar erkend als volwaardige deelnemers in het leven. Vooral niet uitgesloten, zoals de repressie hen had willen opdringen.

In dat plaatje kwam de Vlaamse beweging in een spagaat terecht. De Volksunie was bereid bijna alles in te leveren om die respectabiliteit te bereiken. De om die toegeeflijkheid weggelopen Vlaams Blok stroming was bereid bijna alles aan normen en waarden op te geven om het Vlaamse doel te bereiken en toerde voortdurend op de grenzen van legaliteit en criminaliteit.. En de gewone Vlaming dan? Die mocht dan kiezen tussen criminaliteit en marginaliteit van het Blok of inleveren van het Flamingantisme met de Volksunie. Dat was wrang, te wrang na bijna een eeuw Vlaamse strijd. Voor veel Vlamingen, die je heel veel zag in de Vlasmarkt, was er te veel om weg te slikken. Dat leidde tot segregatie in cafés: er kwamen de linkse cafés en de Vlaamse cafés, waarvan sommige, zoals de Leeuw van Vlaanderen, exclusief voor Blokkers waren.

Marcel hield niet zo van die Blok-mentaliteit, omdat hij juist zijn eigen koninkrijkje had opgebouwd om respectabel te zijn, maar zijn dorst naar het grote Vlaanderen van weleer was onlesbaar, en dus was zijn huis niet alleen uiterlijk heimwee naar het verleden, maar ook van binnen. Het was in alle opzichten een café waar Vlamingen Vlaams moesten kunnen zijn, met de bekende houten tafeltjes met persjes erop, met de grote kelken traditioneel bier, met veel reclame voor (in de oorlog goed fout) de Koninck bier, met een eigen Vlaamse koffiebranderij (De Vlijt), met het eigen traditionele Antwerpse Poesje-theater en met ontegenzeggelijk ontzettend veel lol binnen. Het was er gegarandeerd elk weekend stampvol met Vlamingen van 30 tot 70 jaar, meest mannen, die, als je eenmaal binnen was, heel vriendelijk met je omgingen, al wilden ze wel altijd benadrukken dat sowieso vaststond dat je als Hollander niks van Vlamingen begreep. Het gesprek ging meestal over niks, d.w.z. dingen als eten, de goede bieren, over de grappen die de stad altijd weer uithaalde en waar ze dan verontschuldigend over lachten (legendarisch daarin was de aankoop door de waterpolitie van tweedehands politieboten van de Hollanders, die na aankomst niet onder de Vlaamse kanaalbruggen bleken door te kunnen). Wij waren daarin als twee apen die in een hondenkooi waren gezet en ons lieten besnuffelen om niet gebeten te worden. En dat werden we ook niet, want daar zorgde Marcel, die ons wel mocht, wel voor. En soms, tja soms liep het toch uit de hand. Zo zaten we op een dag op het terras in het zonnetje, en achter ons zat een baardige figuur, die kennelijk graag vertelde over het verleden en de strijd van de Vlamingen. Had Marcel het bijtijds gezien, dan had hij baardmans zeker binnen ontboden om op zijn kosten een pintje te drinken, maar hij zag het niet zodat baardmans ongestoord kon uitleggen wat voor gruweldaden die arme Vlamingen waren aangedaan in de oorlog. Wijs was het misschien niet, maar moreel vond ik niet dat ik dat mocht laten gaan. Binnen 5 minuten werd ik uitgemaakt voor Hollandse bezetter ( ik opperde dat dat wel 170 jaar geleden was), voor geschiedenisvervalser (hing van je perspectief af) en voor indringer (waarop ik zo stom was te zeggen dat wij pal tegenover dit terras woonden). Schreeuwen en schelden trok Marcels aandacht die baardmans zo naar binnen sleurde, maar daarmee was het wel duidelijk dat Hollanders als ongewenste indringers konden worden gezien door een deel van dit publiek, wat we later helaas nog vele malen bevestigd kregen.

Marcel woonde in die spagaat van het Vlaamse volk. En hij was zelf ook heel verdeeld. Aan de ene kant hing hij bij elke auto of vreemde figuur die op zijn stoep stond om die met een grote Leica-camera te fotograferen, en allerlei dreigementen te roepen, aan de andere kant was ook hij het, als voorzitter van de handelaren-vereniging van Vlasmarkt en Hoogstraat, die juist volkomen conform de heersende orde naar het schoonverdiep toog om de belangen van de buurt te verdedigen (en niet te zelden zijn eigen belang).

En hij was natuurlijk een partij op de Vlasmarkt. Charles naast hem respecteerde hij wel om diens intellectualisme, maar die linkse flamboyante Krisje en Edgar tegenover hem kon hij letterlijk wel schieten (ik weet dat Krisje hem er wel eens van verdacht dat hij dat serieus wilde gaan doen). De kop van de Vlasmarkt was zo echt een wespennest.

Op latere leeftijd, toen zijn zoons weer bij hem op bezoek kwamen en alles wat huiselijker werd, ook door de tijdelijke aanwezigheid van een schoondochter met kind, werd Marcel zowaar wat zachtmoediger. Hij installeerde een hele machinerie van bewegende objecten, vliegtuigjes, aapjes en weet ik wat al niet, die collectief omhoog gingen bij het openen en sluiten van de cafédeur. Het gaf zijn cafeetje iets ontwapenens.

Langzamerhand werd hij toen oud. Mia wilde dat hij eens mee ging naar hun zoon in Thailand, maar hij wou niet weg van den Rooden Coninck, en bleef. Elke dag de terrasstoelen naar buiten, elke dag de drankjes aansjouwen, kletsen met iedereen, de parasols weer inklappen, stoelen weer naar binnen. De Vlijt had hij er al aangegeven, maar op een gegeven moment kwamen de terrasstoelen niet meer naar buiten. Mia deed wat mistroostig nog even het café voort, maar toen ging de deur voorgoed dicht. Een vriendelijke Flamingant had dit strijdperk verlaten. Ik zie hem in gedachten nog wel eens in zijn quasi-middeleeuwse pak, wat hij bij gelegenheden zo graag aandeed. Sommige mensen zijn nu eenmaal niet geschikt om mooie persoonlijkheden te worden, maar Marcel zette voor zichzelf en van zichzelf wel een beeld neer, en dat blijft hangen in die straat.

Toen hij weg was verkocht Mia het pand. Het was niet best verbouwd, en iedereen wist dat wel. Het dak was niet beschoten en lekte aan alle kanten, een schitterende open haard werd vergezeld door rotte ramen, de vloerophanging deugde niet en isolatie vond Marcel een verfoeilijk modernisme. Er moest iemand komen met financiële ballen om dat weer op de been te krijgen. Die is er ook gekomen: het pand is nu eigendom van Johan, een alleraardigste doodgraver, en er zit een supercocktailbar in die door Johan’s vriend, Ismaël, gerund wordt, met een mooier terras dan Marcel ooit had. Er komt een multi-culti wereld binnen en die genieten, zoals het hoort in de nieuwe Vlasmarkt van vandaag.

En Marcel zit, zoals hij het zelf geloofde, boven op de wolkjes en pinkt een traan weg.

Vlasmarkt 27-29 
Vlasmarkt 25-27-29

De Twee Atheners

De Twee Atheners. Ooit (d.w.z. tot 1950) stonden op de Vlasmarkt drie schattige pandjes naast elkaar, alle drie piepklein met bebouwde oppervlaktes van 30 tot 40 m2, en alle drie, zoals het in Antwerpen hoorde, in behoorlijk vergaande staat van verval. Die drie pandjes werden in 1950 de prooi van een van de winnende partijen van de vijftiger en zestiger jaren, de firma Alphons van Broekhoven, gevestigd aan de Hoogstraat 36, waar zij achter een imposante gevel van 14 meter breed een warenhuis in linnen, katoenen stoffen en aanverwanten voor kloosters, scholen en andere tsjeven-instellingen onderhielden. De firma was gans en gewis een van de grote economische winnaars van het tijdperk vlak na de tweede wereldoorlog, waarin nationalisten zich maar beter koest konden houden en de tsjeven de dienst uitmaakten. Kerken, kloosters en scholen bloeiden op als nooit tevoren en leken zich wel te vermenigvuldigen, alsof Antwerpen al niet stikte van die rommel. En de firma Van Broekhoven ontving in ootmoedige vroomheid de baten van dit gebeuren. Het winkelpand van de firma was prachtig. Vanaf de imposante inkomdeuren kwam je binnen in een winkelruimte met daarboven een grote gaanderij met schitterende houten balustrades. Langs de wanden strekten zich schappen met daarin alle soorten linnen en katoenen gerief dat diende voor de uitrusting van vrome instituten. Achter de winkelruimte bevonden zich de keuken en het woonhuis van de eigenaarsfamilie in de voormalige oost-beuk van het oude Pieter Potklooster. De firma zag zichzelf als een veld pompoenen in de lente, waar de pompoenen als het ware over het veld rennen in de haast zich te vermenigvuldigen en tot grote proporties uit te groeien. De grootheidswaan kende geen grenzen en men verwierf belendende panden als de Kleine Pieter Potstraat 8-10 en het achterliggende gebouw van de voormalige eerste Antwerpse stoom-aangedreven meubelmakerij, waar ze op de resterende open ruimte van de oude begraafplaats van de monniken volledig illegaal een groot magazijn plantten. En daarmee was de kous bepaald niet af. Marcel, die de opdringerigheid van zijn almaar opzwellende buur met argusogen bezag, probeerde hem af te houden van plannen om het resterende steegje achter zijn huis volledig dicht te plaveien, maar tevergeefs. Van Broekhoven kocht alle drie de pandjes op en kegelde ze tegen de vlakte, waarbij hij overigens gelukkig voor de geschiedenis het teveel moeite vond de bijbehorende kelders onder de straat te vernietigen. De firma diende daarop bouwaanvrage in bij de stad, die werd afgekeurd omdat de geplande vijfde verdiep teveel uit het patroon van de straat sprong, aldus de oordelende stadsingenieur. Maar ook in dit geval bleken de relaties met het schoon verdiep van veel meer doorslaggevend belang dan het dommige oordeel van een stadsingenieur. De firma bouwde toch een vijfde verdiep maar liet die niet tot de voorgevel aan de straat doorlopen waardoor die formeel gesproken niet echt zichtbaar zou moeten zijn, maar natuurlijk in feite wel goed te zien was. De stadsingenieur sprak er zijn gram over uit in een boos ambtsbericht, en gram en ambtsbericht verdwenen in de onderste la van een ons uiteraard onbekend bureau, waarna de vijfde verdiep allengs van de illegaliteit naar de legaliteit overging.

Marcels gram was gewekt doordat de firma ook het gemeenschappelijke steegje achter hun huizen was overgestoken en daarachter een gebouw had neergeplempt van twee lagen waarin op de begane grond magazijn werd gehouden en op de eerste verdiep sokken werden gemaakt. Voor Marcels ogen was een stuk authentiek Antwerpen onder het verstikkend beton verdwenen. En dat ging ook nog enkel om bot en lomp geldelijk gewin, oh schande!! Want wat de firma deed was alle verdiepen boven het gelijkvloers omtoveren in appartementen (overigens zeer fraai en nu nog steeds authentiek) en die fluks verhuren. Op het gelijkvloers kwam de garage van de firma, ook uitgerust met een heuse benzinepomp en een naftatank in de kelder, waarvoor ze nu dan wel een vergunning hadden gevraagd en verkregen. Zo kon de firma nu niet alleen haar auto’s via het steegje onder de voorbouw aan de Hoogstraat naar helemaal achteren laten rijden, maar ook nog eens deftig haar auto’s installeren in de eigen garage aan de Vlasmarkt. Een grommende Marcel werd daarvan de buurman.

Maar einde de vijftiger jaren ging God onverwacht dood. Van Broekhoven had dat niet zien aankomen en in de dwingende kracht van de openbaring geloofd, maar die had hem toch niet duidelijk gemaakt dat dit stond te gebeuren. Kerken liepen leeg, kloosters stortten in, scholen werden ineens ongeüniformeerd, en al dat onrecht kwam op het bordje van Van Broekhoven terecht. De winkel kon ineens de lasten van de expansief gefinancierde uitbreidingen van de voorgaande decennia niet meer dragen en het imperium begaf het in 1977 krakend en stortte onder het geweld van de crediteuren ineen.

En een horde gieren keek juichend toe. Want van stond af aan was duidelijk dat er niet veel partijen konden zijn die zo een groot bezit in een keer zouden kunnen behappen, en dus werd onder applaus alom het eertijds glorieuze bezit uiteengereten, zoals echte gieren nu eenmaal behoren te doen.

De bewoners van het gebouw aan de Vlasmarkt waren zo wijs om als eersten snel het eigendomsrecht van hun appartementengebouw naar zich toe te trekken. Maar voor de rest was het niet zo simpel. Uiteindelijk, door wat voor ondoorzichtig godsoordeel ook, bleek een duistere verzekeringsfirma, ABIM NV geheten, aan het langste eind te trekken, hoewel het achteraf zeer de vraag bleek of dat vrijwillig of per ongeluk gebeurde, en in elk geval de financiële gevolgen niet geheel door de koper voorzien waren. Nu, ABIM was eigendom van een fraaie Antwerpse figuur, Rudi Wanzeele geheten, die, naar men zegt, vanaf de eerste dag dat hij eigenaar was zich als een pauw gedroeg, blazend door ‘zijn’ gebouwen schreed, en niets leuker vond dan in zijn rode sportwagen (een Triumph, zegt de geruchtenmolen) rondjes te draaien in zijn garage met luid motorgeraas en piepende banden. Een behoorlijk lullig einde voor zo een beroemde firma!

Nu, de Rudi had zich (en dat niet voor het laatst naar later zou blijken) behoorlijk verkeken op de gevolgen van wat hij financieel had aangericht. Hij begon in een steeds versnellend tempo onderdelen van het complex aan alle mogelijke gegadigden te verkopen, waarbij enige logica van indeling of samenstelling van de te verkopen delen hem geheel moet zijn ontgaan. Voor zover dat nog te reconstrueren is verkocht hij eerst het gebouw Kleine Pieter Potstraat 8-10 aan een paar beleggers in de Congolese diamantroof-industrie, waarvoor Peter Leroy (van het huidige Stramien) nog een zeer complexe scheidingsnota in elkaar draaide. Vervolgens deed hij de bovenbouw van het voorpand aan de Hoogstraat over aan een aantal bewoners voor een habbekrats per appartement (hoe dat met de scheidingsacten daar werd geregeld ligt in de schoot der goden verborgen). Het gelijkvloers verkocht hij grotendeels aan Mich van der Walle die daar de roemruchte Krak vestigde, waarvan Hollandse toeristen steeds denken dat die naam staat voor het geluid dat alle spullen maken nadat je ze daar koopt, maar in werkelijkheid slaat het woord op het idee dat de spullen geweldig goed zijn en een crack in hun soort. En toen zat hij nog met een heleboel restanten. Wat nu? Een probleem, en hij had ondertussen toch al zijn buik vol van al de misère.

De Krak

Nu, de oplossing woonde dichtbij. Want pal naast het door hem verkochte appartementenblok aan de Vlasmarkt woonde een voormalige basketbalcoach, ene Guy van den Broek en twee huizen verder ene Van Uffelen, acteur en cafébaas van beroep, en die twee hadden eigenlijk nog wel wat te bieden, zij het niet in de vorm van contanten, maar wel in de vorm van stenen, en wel de stenen van het Suikerhuis aan de Raapstraat, in het noorden van de oude binnenstad, waarvan zij via een vennootschap de trotse eigenaren waren. Rudi koos stenen voor zijn stenen en verliet met de staart tussen de benen de Vlasmarkt.

Maar de deal was niet rimpelloos gegaan, al is het schrijver dezes niet duidelijk waar de heren precies schuin marcheerden. Het resultaat was in elk geval dat als gevolg van deze deal Notaris van Hauwermeiren behoorlijk vroegtijdig zijn ambt moest verlaten en naar Spanje verhuisde, terwijl de basketbalcoach enige maanden zijn nieuw verworven bezit vanachter wat tralies moest bekijken. Fraai was anders, maar ook met Rudi liep het niet goed af. In het begin van de jaren negentig, toen hij nog volop bezig was het Suikerhuis te vernielen, geraakte hij in een minder zuivere handel betrokken, en toen hij in Uruguay het bericht kreeg dat een door hem ingevoerde container werd opgewacht door de douane, heeft hij kennelijk besloten niet meer terug te komen, zodat van hem niets meer werd vernomen.

Zo werd uiteindelijk met wat butsen en deuken de basketbalcoach eigenaar van de magazijnen en de voormalige stoom-aangedreven meubelmakerij en van de garage, terwijl hij al eigenaar was van nummer 23.

Het is aannemelijk dat deze aankoop in een eerder lyrische dan rationele bui was gedaan, maar van Uffelen kwam met de schrik zo wel vrij en liet zich niet meer in met de duistere zaakjes van de basketbalcoach, en die laatste zat zo met een bezit waarvan hij geen notie van een toekomst voorzag. Hij zette om te beginnen zijn zoon met een antiekhandel in een deel van de bouw aan de Vlasmarkt, maar dat bood niet echt soelaas en uiteindelijk verkocht hij het overblijvende deel van de garage aan een Griek, Stavropoulus geheten, die daar een restaurant, de Twee Atheners, in vestigde.

Het restaurant was kwalitatief meestentijds prima en floreerde dan ook. Maar de klad kwam erin na de moord op een zoon van de familie. Vader ging door met een ander restaurant bij het station, terwijl een overgebleven zoon het restaurant aan de Vlasmarkt voortzette. Toen vader na de schipbreuk van het andere restaurant terugkeerde op de Vlasmarkt vlogen binnen de kortste keren de verwijten vlammend in het rond. Wie er ook de schuld van had, het eertijds glorieuze restaurant ging uiteindelijk op de fles en het pand werd openbaar te koop aangeboden op de veiling in het notarishuis. Mich van der Walle kocht het. Veel en veel te duur, maar hij was ervan overtuigd dat hij het voor zijn winkel absoluut moest hebben.

Het deel van de garage dat niet aan de Grieken was verkocht bleef zo behoren bij de achterbouw, al bleef de antiekhandel van de zoon van de basketbalcoach, Eric van den Broek, niet daar, want die verhuisde naar het pandje naast de Krak dat ontstaan was doordat aan het doorlopen van het steegje in de voorbouw een eind was gekomen door alle scheidingen veroorzaakt door Wanzeele.

Achter de taverne van Stavropoulos en achter de brocanterie van den Eric lag daar nog dat oude binnenterrein met die magazijnen en de stoom-aangedreven meubelmakerij. Den Guy had geen notie van wat daarmee aan te vangen, en dus, zoals het een niet zeer planmatig aangelegd mens betaamt, besloot hij met alles plat te walsen. Dat is mooi, maar zelfs in die tijd had je daar wel al afbraakvergunningen voor nodig (sloopvergunningen eigenlijk) en die kostten geld in ‘t Cuveeke daartegenover. Dus besloot Guy dat dat geheel zoals in den oertijd behoorde te gebeuren, en gooide alles plat en liet het ter plekke liggen. Sindsdien is het binnenterrein achter Vlasmarkt 23 anderhalve meter hoger dan dat van alle buren, maar een kniesoor die daarop let. De enigen die daar kennelijk last van hadden waren de dode monniken onder de binnenplaats want hun kelder dak begon het opzichtig te begeven, waardoor de nieuw gelegde tegels bovenop Guy’s puinhoop steeds meer aandrift toonden te verzakken.

Guy treurde daar niet over. Hij vond het uitzicht vanaf zijn privéterras op de eerste verdiep over zijn nieuwe binnentuin wel prachtig en ging zelf wonen in het huis op de eerste verdieping van de stoom-aangedreven meubelmakerij vanwaar hij als de baron van de Vlasmarkt, zoals hij het zelf noemde, zijn binnentuin kon overzien. Maar ja, tuinen zijn alleen goed voor de plantjes en niet voor de eigenaar, en deze eigenaar wou geld, ook al had hij daar al niet te weinig van. Hij besloot dus een uitbater te zoeken die er geld in wou steken en vond die zowaar nog ook. Die uitbater, ene Paul, diende geheel en al onrechtmatig een bouwaanvrage in, die prompt door de hoofdingenieur van de stad werd afgewezen omdat hij een taverne wilde vestigen in de stoom-aangedreven meubelmakerij. Na ampel beraad diende hij dezelfde aanvrage opnieuw in, maar nu met de titel van kapper- en friseurbedrijf, en, zowaar, de aanvrage werd goedgekeurd, waarbij wel de nodige pintjes in ‘t Cuveeke zullen hebben geholpen. En daarna vestigde hij er uiteraard een taverne, en iedereen was gelukkig, en de protesten van de stadsingenieur daarna hebben er niets meer toe gedaan.

De Plaisante Hof (want zo ging die taverne heten) werd beroemd, enerzijds door allerlei feestjes die niet door de beugel konden, anderzijds door de beiaardconcerten. Van de binnenplaats af kun je namelijk heel goed de toren van de Lieve Vrouwenkerk zien, die eigenlijk een bisschops-kerk was maar niet meer zo genoemd mocht worden als strafmaatregel van paus en jezuïeten tegen de protestatie. Die kerk heeft een wonder-schoon carillon, en een week per jaar speelde daarop de beiaardier de schoonste melodiekes. De Antwerpenaars met echte Flamingante roots kwamen daar ‘entre nous’ en mooi verscholen luisteren bij de Plaisante Hof onder het genot van een bolleke of wat, en bedachten dan steeds dat de historie toch heel wat aangenamer te herin-neren was dan het heden. Dat zag je ook aan de roemruchte schilderingen die in het deel van de eertijdse garage werden aangebracht en middel-eeuwse taferelen ten toon spreidden, waarvoor de schilders (een groepje uit de Wolstraat) zoveel rijkelijk alcoholisch vocht kregen toebedeeld dat een ervan korte tijd later in benevelde staat een raam uitstapte dat daar niet voor bedoeld was en plots overleed.

De Guy vond het allemaal prachtig, hij genoot van het zicht, het geestrijk vocht, het vrouwelijk schoon, en van alle larie die er aan de tappen van de straat verkocht werd. Daar kwam een abrupt einde aan toen zijn echte vrouw omkwam bij een auto-ongeluk in Frankrijk en hij haar verscheurd door spijt begroef op zijn binnenplaats waarna hij vroom een boompje (een vogelkers die hij waarschijnlijk in de berm van een weg geplukt had), bovenop haar bol plantte ter nagedachtenis zogezegd. De boom groeide en bloeide en werd voorwaar een sierlijke reusachtige plant, die hoedde over de argeloze bezoekers van deze schone binnenhof.

Voor Guy was de lol er duidelijk af en het duurde niet lang of hij verdween met zijn bontwerkster, Sonja, van de Vlasmarkt waarmee een notoir boek werd gesloten.

D’n Paul werd er ondertussen rijk van en verdween.

En den Frank kwam. Hij was een ex-militair, body building en alles rechttoe, rechtaan. De taverne werd veel van hetzelfde , traditioneel en voorspelbaar. Frank dacht een imperium op te bouwen en begon in Ekeren bij het sportvliegveld nog een tent en liet zijn Plaisante Hof achter in de handen van twee jongens. Die hadden plezier, ze voetbalden op de binnenplaats en als er dan klanten kwamen joegen ze die weg omdat het potje nog niet af was. Dat duurde dus bijzonder kort en toen wou Frank ermee stoppen. Gemakkelijk ging dat niet en de vrederechter kon eina zo vermeden worden, maar het afscheid was wel definitief.

Na Frank kwamen Piet en Marina, een jaartje dan, en toen dropen ook die af met een pijnlijke financiële buts in hun bestaan.

Na Piet en Marina ontstond op dezelfde plek het restaurant De Kleine Wereld, met als roemruchte kok Arend Jan, een rasechte Hollander, grote mond, klein hart en hongerige porte-monnaie. Het menu van het restaurant was wonderschoon en aangenaam geprijsd, maar de kok kon zijn alcoholisme te slecht verbloemen om lang te blijven en liet het restaurant verweesd achter. Wel werden er nog fraaie poëzie-avonden gehouden, speelde er maanden achtereen een pianist en kwamen er chansonniers en cabarets, maar hoewel dat leuk was droeg het niet bij tot de verlichting der lasten, die ongelukkigerwijs nu eenmaal van deze wereld zijn. Nog tot 2009 rommelde het door en toen ging de deur dicht en werd het gebouw een appartementenblok, zoals alle appartementenblokken. Weer was een monument van Vlasmarktercultuur ten onder gegaan.

De binnenplaats is nu het terras van de crémerie van Tuur, Vivian, Ilse, en Benno geworden en daar zitten elke zomer de Antwerpse senioren verzaligd hun lekkernijen te eten en onbekommerd gelukkig te zijn.

Maar wel bovenop de monniken, bovenop allerlei kelders die Leemans senior ons eens had gewezen, bovenop een schat aan Antwerps verleden.

Veel later pas ontdekten wij dat de kelder onder de vlasmarktbouw van de firma Van Broekhoven eigenlijk heel bijzonder was ondanks zijn jonge leeftijd, want het is de enige atoomschuilkelder in deze buurt, compleet met beveiligde uitlaten en een verzwaarde stalen achterdeur die toegang gaf tot de achterplaats achter nr. 23. Die concessie had van Broekhoven dan toch wel aan de gemeente gedaan, nota bene een waarvan niemand ooit enig voordeel had gehad. Maar hij had wel niet meer gedaan dan strikt noodzakelijk was, want weliswaar was de voorgeschreven stalen deur er wel gekomen, maar begrijpelijkerwijs voor de Vlasmarkt niet de betonnen trap die daartoe vanuit de kelder had moeten leiden, zodat het maar goed is dat die atoombom nooit gevallen is.

En de mensen van het appartementsgebouw? Aardige keurige mensen, niet typisch Vlasmarkt’s, een Zeeuwse galeriehoudster, een redacteur van een Antwerps havenperiodiek en zo, gewone mensen, die je ’s nachts niet aan de bar hoefde te verwachten. Het gebouw heeft nog zo een oude ijzeren liftkooi, die er ruim de tijd voor neemt om van het hoogste naar beneden te komen, maar het wel altijd doet, en een ruime trap. Het zal altijd een net te chic gebouw blijven naar Vlasmarktse normen.

Vlasmarkt 23 
’t Stamineeke

Nummer 23

Nr. 23, huis De Haen, is stokoud, maar dan echt stokoud. Guy van den Broek, de basketbalcoach, had dan wel ‘1579 ‘ op de gevel laten schroeven zonder enig idee van de echte leeftijd, maar aan de kelders en allerlei andere attributen af te leiden waren er zeker sporen van voor die datum. Zo troffen we een kleine inpandige beerput en ook een kleine drinkwaterput in de bodem, en bleek achter de achterste keldermuren een blinde kelder te zitten met een heel schoon kruisgewelf, overigens allemaal zaken waar de Guy zeker geen weet van heeft gehad. De Guy bekeek de zaken meer zo globaal, als geheel zal ik maar zeggen, en had een gloeiende hekel aan details, laat staan aan stoffige berekeningen. Zijn boekhouder, die toen nog vrij jong was, verzekerde mij niettemin dat Guy zijn jaarlijkse schoenendoos hem grijze haren bezorgde (die hij weliswaar zelfs niet meer had toen ik hem leerde kennen). Guy bekeek gebouwen vanuit esthetisch oogpunt. Hij had eerder een molen in Brecht gekocht vanwege het schoon zicht, zonder zich te realiseren dat zich daar half vergunning verlenend Vlaanderen al op gestort had om die te overladen met verboden en boetes. Ook het suikerhuis aan de raapstraat behoorde in de categorie van volslagen verkeerde inschattingen en verwaarlozing van het detail, want hij had gedacht dat de antiekmarkt die de buurman-antiquair erin hield gouden bergen voor de toekomst beloofde, maar het bleek alras dat de buurman die gouden bergen liever voor zich hield en dat juridisch ook rustig kon doen, zodat Guy met vriend van Uffelen met de brokken was blijven zitten. Bij de aankoop van Vlasmarkt 23, ‘Stamineeke, kregen we van Guy te horen dat de wenteltrap naar boven zwaar beschermd was, wat een normaal mens beslist tot de overtuiging moest brengen dat ze vroeger hielden van echt moeilijke beklimmingen van het verdiep. Later ben ik gaan begrijpen dat de engte van dat trapje functioneel was en bedoeld was om het dronkaards te beletten helemaal naar beneden te tollen als ze met hun zatte kladden op de trap onderuit gingen. Maar Guy bleek gelijk te hebben gehad, want sinds dat we eigenaar zijn hebben we al verscheidene malen het ritueel voorgehad waarin een huurder zich bij de stad beklaagde over de kwaliteit van de trap – en waarbij wij dan dankbaar knikten dat dat terecht was omdat we de trap nu eenmaal graag zouden vervangen – waarna de bouwinspecteur kwam die de trap afkeurde, gevolgd enige tijd later door een brief van het stadbestuur waarin stond dat de bezwaren van de bouwinspecteur door het gemeentebestuur werden verworpen en de trap zo moest blijven staan als hij stond. De trap was en is onaantastbaar.

Officieel geldt dat overigens voor heel nr. 23, want sinds dat het in 1978 samen met nr. 21 onder supervisie van de rijksbouwmeester van België is gerestaureerd, mag er eigenlijk niks meer aan veranderd worden. Maar het blijft wel Vlaanderen, he, en dus moet je dat niet al te letterlijk nemen. Dat is al vanaf het begin zo. Toen de restauratie werd doorgevoerd moest Guy zich verplichten om voor- en achtergevel van dezelfde antieke steen her op te trekken, maar om de een of andere reden heeft hij er op kunnen rekenen dat daar bij de achtergevel, die toch niet veel mensen zagen, niet zo strikt genomen hoefde te worden. Die bevat dan ook een fikse partij stenen uit de zestiger jaren van bedenkelijke kwaliteit.

Huis De Haen is eigenlijk heel klassiek van structuur, en daarom moet ik daar toch wat meer van zeggen. Het huis is rechthoekig en langwerpig, zeg 4,5 meter bij 10 meter, en van oudsher zat op het gelijkvloers met magazijn in de kelder een café of een taverne, die eigenlijk niet meer besloeg dan de rompbouw van het gebouw. Voor sanitair e.d. moest je op de koer achter het gebouw zijn, (want daaronder zat de beerput) en dat gold voor alle bewoners en bezoekers. Elk verdiep was bewoond en bevatte wel een slaapkamer en een salon met een bescheiden kookgelegenheid.

Toen de stad Antwerpen zich bewust begon te worden van de onaangepastheid van haar huizen ten opzichte van de rest van Europa werden achter de huizen aanbouwen opgericht waarin voor elke woonlaag sanitaire voorzieningen werden ondergebracht. Bij sommige huizen in Antwerpen betekende dat niet meer dan dat tegen de achtergevel een houten hokje werd gehangen waarin dan een houten of metalen po werd geïnstalleerd, maar bij huis de Haen kwam dit zo laat in de tijd dat hier toch een stenen achterbouw werd geplaatst. Vaak werd dan – en dit was ook bij huis De Haen het geval - , van de gelegenheid gebruik gemaakt om de tot dan toe gebruikelijke ruimte vretende rechte steektrappen te vervangen door een draaiende trap die dan tussen de sanitaire ruimte en het woondeel kwam te staan, zodat je vanaf de trap zowel het woondeel als het sanitaire deel kon betreden. Veel huiseigenaren maakten dan weer van die situatie misbruik door de trap halverwege de verdiepen toegangen te laten geven tot tussen-niveaus voor het sanitair waardoor ze bijvoorbeeld per 5 lagen maar drie sanitaire ruimtes hoefden te bouwen. Dat was eigenlijk ook zo in Huis De Haen, maar dat hebben we toch maar niet zo gelaten en dus elk verdiep zijn eigen sanitair gegeven.

Huis De Haen is sinds mensenheugenis inclusief het geheugen van Marcel altijd een herberg of taverne geweest, zodat het inderdaad goed moge-lijk is dat Erasmus hier zijn Lof der Zotheid be-dacht heeft, want als je zoiets ergens kunt beden-ken moet het wel de Vlasmarkt zijn. Ik heb geen mensen gevonden die het cafeeke hebben gekend van voor de restauratie, maar ik mag aannemen dat het er echt niet proper zal hebben uitgezien. Toen wij het gebouw overnamen was de uitbating al sinds vele jaren in handen van Eddy de Smet en heette het cafeeke ’T Stamineeke. Als het over Eddy ging schudde Krisje altijd haar hoofd, alsof ze veel wijzer was dan Eddy, en verhaalde over zijn vele roemruchte stommiteiten terwijl ze hem vaak prees vanwege de uitbundigheid van zijn dronkenschappen, waarin de meest onverwachte acties de Vlasmarkters tot grote bewondering brachten. Hoe wij er ook tegen aan kijken, zelf vond hij zich niet heel gelukkig. Hij was opgewekt daar begonnen met zijn grote liefde, zo dacht hij zelf toch. Zij dacht er iets anders over en ging er al snel toe over met een huisgenoot die ze tijdelijk hadden opgevangen naast ’T Stamineeke een -overigens excellente – bistro te beginnen. Van dat moment had Eddy liefdesverdriet, en de 7 apostelen, zoals zijn trouwe barklanten werden genoemd, zijn er nooit in geslaagd dat helemaal uit zijn hoofd te praten. Een treurige cafébaas is geen goede cafébaas. En dus ging ’T Stamineeke geleidelijk aan bergafwaarts totdat Eddy besloot dat een leven in de drank niet echt gezond voor hem was, de huur keurig opzei en verdween.

Maar ja, Eddy ging en ene Giourgos kwam. Een Grieks cafeetje waarvan wij maar niet begrepen waarvan het eigenlijk bestond. Giourgos vertrok (naar wij later begrepen naar de bajes) en Jannie (Pagkos) kwam. Jannie vond zichzelf expert in marmer en tegels en bouwde in de kelder een steenoven om pizza’s te bakken. Een groot ding waarvan hij ons de werking demonstreerde zodat we bijna omkwamen in de rook omdat aan de afvoer nog niet gewerkt bleek te zijn. Jannie beklaagde zich regelmatig over de gebrekkige beschikbaarheid van geld maar hield het toch merkwaardig lang vol totdat we er lucht van kregen dat hij alle antieke tegels uit huis De Haen had verwijderd en voor een klein vermogen had verkocht. Toen hij vaststelde dat ons dat niet langer onbekend was is hij snel verdwenen en nooit meer waargenomen. Toen kregen we een Flamingant koppel in ’T Stamineeke, dat een stevige afkeer voor Hollanders koppelde aan een onverwachte bereidheid elke mogelijke afspraak aan hun laars te lappen. In het begin begrepen we daar niks van totdat bleek dat er veelvuldig bezoek van Vlaams-belangers in het cafeeke kwamen, waaronder ook veel politiemensen. Elke klacht van onze zijde bleek zinloos, en zelfs werd onze bedrijfsleider op het bureau geroepen om hem aan te manen de samenwerking met ‘dien Hollander’ onverwijld te staken, en ons verzet leidde alleen maar tot dreigementen, en inschakeling van de ombudsvrouw leidde na een gestuurde publicatie in de gazet van Antwerpen enkel tot haar bangelijke reactie dat de commissaris van politie zelf had verklaard dat er geen dossier bestond van de kwestie (hij bedoelde natuurlijk dat hij niet van plan was die te laten maken). Ze vertrokken gelukkig vrijwillig, en lieten ons met een vijandig geworden politiemacht achter.

Ook deden we een poging zelf het cafeeke te exploiteren met een bestemming als muziekcafé. Legendarische optredens werden afgewisseld met stille avonden, zodat een lonende exploitatie er nooit van kwam. Maar amusement was er wel. De Dump Brothers kregen het voor elkaar het cafeeke bijkans uit zijn voegen te laten ploffen en werden zelf ook zo wild, dat toen het drumstel van de drummer per ongeluk over de rand van het podium kieperde de drummer geruisloos over ging op het bespelen van de klankkast van de bas die pal voor hem bespeeld werd. Ik geloof niet dat iemand er wat van merkte.

Ook de vele jazzavonden waren memorabel en bepaald niet gewoontjes, zeker niet toen de band op een avond besloot met een groot papier-maché raket waarin twee bandleden hadden plaatsgenomen een wandeling door de wijk te maken, waarna er met verdubbeld plezier werd doorgespeeld.

Muziek was in de oude stad omstreden. De stad onder leiding van haar sociaal-democratische burgemeesters had het woonrecht, absolute voorrecht gegeven boven elk geluid dat uit een van de oude pandjes zou kunnen ontsnappen, en dat midden in de uitgaansbuurt van Vlaanderens grootste stad, en als je dus niet oppaste kon het gebeuren, zoals het bar Mondial op de Suikerrui overkwam, dat de zaak gesloten werd doordat er driehonderd meter verderop een mevrouw woonde die zelfs klaagde van het geluid niet te kunnen slapen op avonden dat er niet gespeeld werd. Met de juiste connecties kwam die mevrouw daarmee weg en werd de Mondial gesloten. Op de Vlasmarkt zijn vele pogingen gedaan het muziekleven te herstarten, maar pas na de sociaal-democratische periode lukte het om nu en dan hier en daar weer wat muziek te horen. Uiteindelijk bleef als regulier kunstcafé alleen de Hopsack in de Grote Pieter Potstraat, juist om de hoek, nog bestaan waar wel eens heel zachtjes en achterin de zaak zonder versterking op een muziekinstrument mocht worden gespeeld. In de Vlasmarkt hoor je de laatste twee jaar weer nu en dan muziek uit het voormalige Cuveeke en de voormalige Rooden Çoninck, plekken waar de sociaal-democratie het vroeger zeker zou hebben verboden.

’t Stamineeke heeft uiteindelijk als café niet overleefd. Het werd tijdelijk een Marokkaans eethuis, en een winkel van eetwaren, en is nu weer een tapas-huis.

Vlasmarkt 21 
Chez Raoul

Chez Raoul

De geschiedenis van nummer 21 zou voor een heel eind gelijk genomen kunnen worden met die van Huis de Haen, als Raoul er niet was geweest. Raoul is dat huis, hij is ermee vergroeid, als je ervoor staat en altijd die fraai geschreven bordjes ziet met de meest fantastisch in het Frans geformuleerde gerechten, waarvan je weet dat die met eindeloze zorg hier bereid worden, dan voel je tot in je tenen dat je bij Raoul moet zijn. Cuisiniers zoals Raoul bestaan eigenlijk niet meer. Het zijn culinaire mastodonten uit een oeroud verleden. Wie neemt er nog de moeite, wie getroost zich nog de inspanning, om voor een belachelijk kleine winst die paar tafeltjes te bedienen die in de bistro van Raoul passen. Hij is een levend monument van een manier van denken over eten en de waarde van eten die eigenlijk niet meer bestaat en je eigenlijk alleen nog denkt te kunnen vinden in kleine uithoeken van het Franse achterland waar culinaire waanzinnigen hun leven opofferen om als bezetenen de meest extreme exquise bouillon te peuren uit het meest exclusief gekweekte koeienvlees. Zijn vaste bezoekers weten dat ook wel, en zullen waarschijnlijk nooit begrijpen waarom hij niet en het Fornuis (verderop in de Reyndersstraat) en Yin En Lam (maar die heel terecht) ook verderop in de Reyndersstraat, wel altijd een ster krijgen. Ik denk dat Raoul hem helemaal niet wil hebben, en elk jaar schreiend en scheldend bij de Michelin-inspecteurs aan de telefoon hangt om ze te dwingen die ster zelf op te eten maar in elk geval niet aan hem te geven.

Zijn pandje is mooi, maar ik denk dat hij in driekwart daarvan nauwelijks komt, en dat het daardoor in de onberispelijke staat blijft waar de restaurateurs het in 1978 achterlieten.

Hij leeft voor zijn bistro en heeft geen al te intieme band met de rest van de straat.

Chez Raoul is bij zich, en op zichzelf.

Vlasmarkt 19 
De Ware Jacob

Nummer 19, de Ware Jacob

De Ware Jacob, een waanzinnig goede naam voor een café, en je moest wel een romantische poëet als van Uffelen zijn om zo een naam te bedenken. Als er iemand zowat verzoop in de romantiek van de zestiger jaren, dan was hij het wel. Gearriveerd als idealistische acteur in het kindertheater dat tegenover zijn huis in het (later Griekse genoemde ) huis functioneerde belichaamde hij samen met zijn jeugdliefde in deze hartgrondig Flamingante straat de hippiecultuur. Alles was leuk, of moest het dat minstens zijn en anders minstens gemaakt worden. Dat was zo met zijn mislukte theater, en dat was ook zo met het café dat hij bouwde in nr. 19, alleen was dat wel geslaagd, tenminste in de zin van een hartverwarmende bruine kroeg.

De Ware Jacob is een plaatje, met een balken plafond in niveaus, die potkachel waarvan de pijp geheel tegen alle bouwregels in de gehele gelagkamer oversteekt, die spiegels, de tap, die plee waar je werkelijk je billen bij elkaar moet persen omdat je er anders niet in past, met dat rottige opstapje waarvan je zeker weet dat je er bij iets teveel drank en vergeetachtigheid overheen zult struikelen om onzacht tegen het tegenover gelegen muurtje te kwakken en zo weer nuchter te worden. De Ware Jacob had vanaf de binnenkomst door het dubbele stel houten klapdeurtjes al dat verkeerde wat een bruin café zo legendarisch maakt. Kleine houten tafeltjes, houten lambriseringen tot 1.50 meter hoog, schemerverlichting met toch lichte vlekken, teveel rommel op de tap, maar in het midden een prachtig maar gebroken wit marmer blad, waarboven de tapkranen omfloerst glansden in de schemer. Het café, waar je van droomt als je na weer een beroerde werkdag eindelijk ook eens iets goeds wou zien. Amai, wat een kroeg!

Iedereen kende het en de halve straat hing er elke week wel aan de tap (in de goede tijden dan, er waren ook slechte). Het was de plaats om de echte nazi’s met Flaminganten te horen ruziën, de Grieken kwamen er om de zaakjes te regelen die zelfs in het Griekse huis niet konden, toeristen zaten daar verdwaasd tussen in de misvatting dat ze nu in zo een leuk antiek Vlaams cafeetje zaten, en een enkele verdwaasde progressieveling zat daar zijn verontwaardiging te buizen over alle Flaminganten, waarbij de andere aanwezigen dat gegeneerd tot zich moesten nemen. Maar het was altijd toch bijzonder, het was een café met een hart.

Voor ons was de Ware Jacob bij aankomst op de Vlasmarkt zoiets duisters, een geheimzinnige donkere grot, waarvoor je eerst wat moed bij elkaar moest rapen om er binnen te stappen. Ik deed dat dan ook pas na de nodige pinten op andere plaatsen, en kwam juist binnen toen Bart, de toenmalige cafébaas, samen met twee klanten bezig was een hert op de toog te ontvellen. Ik was daar wel even stil van, en besloot toen - stom Hollander-idee - om net te doen alsof dat gewoon was en een pintje te bestellen. Bart keek niet meer dan een fractie van een seconde van zijn hert op en zei: ‘Neeje’’ om mij verder geen blik waardig meer te keuren. Ach, aan Bart wende ik ook maar hij nooit aan de drank. Toen hij het café opgaf is hij bijkans kruipend van de misère naar elders afgedropen. ‘D’n Bart’, zei Krisje ’da kon nie goed gaon’.

Na Bart kwam Dries, die een voor mij onbegrijpelijke opvatting van cafébaas-zijn erop nahield, totdat ik erachter kwam dat er zo een heel aantal in Antwerpen bezig zijn, die daarvan hun levensonderhoud maken. Dat gaat zo: je zoekt een cafeeke dat helemaal aan het verlopen is, wacht tot het failliet gaat, neemt de boel met de hulp van de biersteker over, werkt er drie of vier maanden hard in tot het publiek weer komt, en verkoopt het dan fluks aan de een of andere onnoozelaar, die denkt dat het een allang goed lopende zaak is, waarna die nieuwkomer dan ineens ontdekt dat veel van de klandizie window-dressing was, en hij opnieuw mag beginnen. Je moet het maar willen doen, maar zoals gezegd, zo zijn er nogal wat.

Maar in het geval van Dries waren de opvolgers niet onnozel, gelukkig voor ons Vlasmarkters, helemaal niet. Jean en Patrick waren een gelukkig stel met een enorme hoeveelheid horecaervaring, en die wisten wat ze begonnen. De Ware Jacob werd een eettent annex café (dat mocht toen nog, in het pre-gezondheidsfobietijdperk) met een heuse keuken die weliswaar niet aan de horecaeisen voldeed maar wel proper was en goede waren leverde. De deur werd platgelopen door alle Vlasmarkters, zelfs toen bleek dat het dringen werd om naast het overvloedig aanwezige homopubliek nog binnen te komen.

Want de Jean en de Patrick waren heel enthousiast homo, niet van de opdringerige soort, maar wel met een heel grote vriendenkring en een heel flinke portie tolerantie voor andersgezinden. We hadden het daar wel eens over met de Jean en die zei dan dat zij bewust heel tolerant met alle hetero’s om gingen ter onderscheiding van de Jeanetten. Die term, ‘Jeannetten’, is een heel oud typisch Antwerps begrip, dat al sinds de zeventiende eeuw bekend is. Het staat voor een soort homo-dom dat eerder een heimwee naar het vrouw zijn is dan een vieren van het man zijn. Toen wij pas in Antwerpen waren bestond daar nog het laatste travestieten cabaret in de Veemarkt buurt, zij het dat het nooddruftig was en niet lang meer mee kon in de vaart der volkeren. Het publiek en de bespelers van dat cabaret deden aan een soort constante homodemonstratie, of eigenlijk eerder would-be supervrouwendom. Toen het teloor ging verdwenen die typische types die daarbij hoorden. Ze verborgen zich in de krochten van de stad zonder eigenlijk te begrijpen waarom hun wijze van zijn niet meer verdragen werd zoals dat in de eeuwen daarvoor wel had gekund. Wij hadden in een van onze studio’s een van de laatste nazaten van die mensensoort die voortdurend op pijnlijke wijze in botsing kwam met de samenleving. Was hij weer eens met een vrouwenpruik op in slaap gevallen op een bankje op linkeroever en werd hij dan uiteraard weer eens in elkaar geramd, dan hing hij huilend aan de telefoon om bij ons zijn beklag te doen over de mens als individu en als soort, en ongelijk had hij dan wel niet, maar aanvaarden dat hij misschien toch beter zich iets minder ostentatief moest voordoen ging er niet in. Natuurlijk was het zijn schuld niet, maar hij bleef zo pijnlijk veel klappen krijgen!!

Iedereen kon in de Ware Jacob nu zijn zegje doen, al moest je dan het Flamingantisme wel erkennen als enige mogelijke denkrichting, en het was regelmatig groot feest. De twee jongens waren goede gastheren, met verschillende opvattingen (de Jean was flamingant en de Patrick mondialist) die graag politiecommissarissen en notoire gangsters naast elkaar ontvingen. Ik heb nooit meegemaakt dat ze toelieten dat er een discussie op echte strijd uitliep, het bleef altijd gezellig. Ze beschermden hun café als een warm vogelnestje. Toen ze een aantal keren de politie op bezoek hadden gehad wegens geluidsoverlast (die veroorzaakte je altijd, ook al stond de radio uit) ging de Jean op zoek naar de klager. Dat was volgens hem, buurman Raoul. Hij liet een geluidsbegrenzer op de installatie zetten, zodat die technisch gezien helemaal niet te hard kon, maar mensen die praten - en die waren er nu eenmaal altijd veel - maken ook lawaai, zodat het geaccumuleerde volume kennelijk toch aanleiding was voor een nieuwe melding bij de politie. Toen die weg was, is de Jean van ziedende nijd tegen de inkomdeur van buurman Raoul gaan schoppen, wat tot niets behalve blauwe tenen en een nieuw politiebezoek leidde, gevolgd door een kostbare boete. Nee, aan hun cafeeke moest ge niet komen.

Dat werd daarna anders. Toen de jongens het café van de hand wilden doen kozen ze de verkeerde. Jannie Agapios was de broer van Lieve Agapios, die voorheen het Griekse huis runde. Hij betaalde een godsvermogen voor de overname, maar dacht dan ook met zijn gat in de boter te landen. Je zag het café heel langzaam tot stilstand komen en na een half jaar begon het ook echt achteruit te gaan. Wij, die niet tot de ‘inner circle’ van de uitbater behoorden, begrepen eerst niet goed wat er aan de hand was, maar op een gegeven moment kwam Jannie een vat lenen, dat we nooit helemaal terugbetaald kregen, en dan werd mijn auto leeggeplunderd terwijl die voor zijn terras stond, en daarna bereikten ons berichten dat er ’s nachts zo heftig werd gedobbeld en gegokt dat verschillende Grieken daarbij geruïneerd waren geraakt. Jannie besloot tot de vlucht vooruit en opende tegenover zijn café een eethuis, waarvan hij, naar later bleek, niet de huur betaalde, en toen dat dicht ging, ging ook De Ware Jacob snel dicht. Een roemrucht onklopbaar café was toch verpest, ongelofelijk maar waar.

Dat dreunde nogal een tijdje na, we waren er op de Vlasmarkt wat stil van, ook al gingen de meesten de laatste maanden voor de sluiting er toch al niet meer heen. De Ware Jacob was het hart van de straat, dat kon je toch niet zomaar wegdoen. De meeste oud-stamgasten zochten hun toevlucht bij Robbie naast ons, maar toch is de heimwee naar de Ware Jacob gebleven. En gelukkig, op een goede dag verscheen daar Guy, zoon van een oude caféhoudersfamilie uit Mortsel, en die begon het noeste werk van de herbouw van een reputatie. Maanden zat hij daar eerst, alleen achter zijn tap, staren naar de deur. Ik ben hem moed gaan inspreken, heb hem gesmeekt vol te houden, gezegd dat de Ware Jacob meer dan een monument was. ‘Ja, ja’ zei Guy dan, en dan was ik bang dat hij op een dag toch weg zou zijn.

Guy bemint bier. Niet om te drinken maar om het te koesteren, de zachte smaken tegen elkaar af te zetten, dat delicate proeven. Hij leerde mij verschillende bieren kennen, waarvan ik nooit gehoord had, ging op jacht langs allerlei kloosters en brouwerijen voor een paar kratjes van de meest speciale bieren. Guy bracht de liefde voor het bier terug in de Ware Jacob, en langzaam ging het beter en beter.

Vandaag is hij er nog, De Ware Jacob is een café voor liefhebbers geworden, geen Flaminganten meer maar iedereen die er wil zijn zonder dat een mening wordt voorgeschreven.

Een goede kroeg, mijn kroeg.

Vlasmarkt 17 
De Blauwe Gans

De Blauwe Gans

Hoe de Blauwe Gans ontstaan is weet ik niet. Het had ongetwijfeld de laagste gelagkamer van de straat, en de op een na smerigste keuken ook. In de rage van de zestiger jaren had ook de Blauwe Gans een flinke zwaai neo-middeleeuwse vernieuwing meegekregen, zodat er aan de voorkant zowaar een trapgevel verschenen was, maar aan de achterkant was de aspiratie op en vielen de stenen bijkans spontaan uit hun voegen. De Blauwe Gans was eigendom van Sjef Willems, een zogezegd niet erkende nazi. Sjef had een wat roerig verleden. Hij had in Zuid -Afrika gewoond waar natuurlijk op zich niks mis mee is, maar in tegenstelling tot vrijwel alle andere Europese emigré’s uit Zuid-Afrika van na de opstanding van Mandela, die liefst geheel en al vergeten waren dat ze daar op het verkeerde moment geweest waren en al helemaal wat ze toen vonden toen ze daar nog waren, vond Sjef gewoon in de Vlasmarkt nog altijd wat hij toen ook al vond, en dat was dat nikkers ten onrechte gelijkberechtigde apen waren met een verstand van het jaar nul, en dat verkondigde hij het liefst luidkeels, en nog meer luid naarmate het bloedpercentage in zijn alcohol daalde. Sjef was technieker, zoals hij het zelf aanduidde, en bouwde in Zuid-Afrika in de apartheidstijd legerauto’s voor het Zuid-Afrikaanse leger, omdat dat leger die auto’s wegens de boycot niet meer in het buitenland kon kopen. Hij had dat met veel plezier gedaan en er, volgens hemzelf, veel geld mee verdiend. Eenmaal uit Zuid-Afrika verdreven was hij een timmermanswerkplaats begonnen en was hij ook begonnen pandjes op te knappen. De Blauwe Gans was zo een pandje.

Toen wij op de Vlasmarkt arriveerden zetelde Sven in de Blauwe Gans. Krisje hield wel van Sven. Sven vond bier leuk en werken niet zo, zodat de Blauwe Gans nogal eens gesloten was. Na de nodige ontsporingen besloot hij dat het voor zijn toekomstige carrière wellicht wijzer was toch iets meer meters tussen hemzelf en de tapkraan te plaatsen en zo verliet hij de Blauwe Gans (die trouwens, ik vergat het nog, een prachtige ganzenkop bovenop zijn tap had staan).

Na Sven probeerde Vivian de Blauwe gans te huren, maar na het in ontvangst nemen van de waarborgsom liet Sjef haar gewoon stikken zo dat ze haar geld onnozel kwijt was. Vlasmarktgewoontes !!!

Vivian is reuze aardig en honkvast want ze woont nog altijd op de Vlasmarkt.

Na Vivian verhuurde Sjef het café aan een modellen-echtpaar, Kurt en zijn vriendin, waarvan de mannelijke helft ook nog havenarbeider was. Ze deden hard hun best, maar de tijd zat niet mee.

Ooit was Antwerpen de stad van de cafeekes. Als je ergens de weg vroeg naar een plek zeiden de Antwerpenaars niet welke straten ge moest nemen, of hoeveel keer links of rechts, maar ze zeiden van welke cafeeke ge naar welk ander cafeeke moest gaan en zo naar het volgende cafeeke. Cafeekes waren de merkpunten van een buurt, het hart ervan. Op de Vlasmarkt, uiteindelijk een straatje van misschien 200 meter lang, waren, toen wij er kwamen 14 horecabedrijfjes. Het gonsde er. En er was onderscheid, d.w.z. tussen de dag- en de nachtbedrijfjes. Marcel’s Rooden Coninck was een dag-bedrijf, De Ware Jacob en de Blauwen gans waren nachtbedrijven, ‘t Cuveeke en het Griekse Huis hingen daar zo een beetje tussenin. Dat lijkt vaag, maar was het toentertijd eigenlijk niet. In een dag-bedrijf was het leuk tot een uur of tien in de avond en dan ging iedereen, afgezien van een paar zatladders naar huis. In een nachtcafé kwamen de eersten pas om 22 uur in de avond en die gingen dan om 8 uur in de ochtend naar huis (zowat enige nog bestaande nachtcafé in de buurt: de Mercator op de Suikerrui).

De nacht was heel iets anders. Dan golden er geen normen en waarden, laat staan wetten. In de nacht werd er geroepen en getierd, er werden verhalen verteld die ge beter niet aan een ander kunt vertellen, woedende echtgenotes kwamen er hun man van de tap af sleuren, politieke opponenten sloegen er elkaar om de oren en ruiten sneuvelden dat het een lieve lust was. De nacht was een zeker risico dat iedereen die dacht in Antwerpen het avontuur te zoeken met plezier opzocht. De Blauwe Gans was absoluut de nacht. Menigmaal werden avonden met grof geweld afgesloten, en als dan de kas had gerinkeld was dat allemaal nog niet zo erg, maar in werkelijkheid was Antwerpen aan het verpreutsen. Weg waren de tijden dat een Antwerpenaar trots thuis kwam met de mededeling dat hij ‘er ene goe op zijn bakkes had geslagen’, of dat hij grof had gewonnen of verloren bij het gokken, of dat hij ontegenzeggelijk uiteraard onvrijwillig in het verkeerde bed was geëindigd. Het nachtleven kreeg een slecht imago, wie daarbij hoorde kon haast niet meer respectabel zijn. Verhalen als van die havenbaas die zozeer geamuseerd was door twee dames van plezier, dat hij in de collectieve coïtus was gebleven, deden de reputatie van het nachtleven geen goed. Nee, het nachtleven groef zijn eigen graf, en rap ook.

Sjef Willems, met zijn subtiele wijze van oordelen, had daar natuurlijk geen overschot van begrip voor. Hij joeg het modellenpaar de stuipen op het lijf door tijdens openingsuren de Blauwe Gans binnen te stappen en bij de gasten op tafel te slaan onder het roepen van: ’gaode gij mij nou betalen nou die van hier dat niet doen’, wat vermoedelijk sloeg op het betaalgedrag van de uitbaters, die overigens dergelijke interventies niet bijzonder op prijs stelden. Nou, het modellenpaar werd met harde hand verdreven. En Sjef had genoeg van zijn uitbaters.

Hij begon zowaar zijn pand af te bouwen, aanvankelijk zelfs samen met zijn zoon. Op ons kwam dat wel bevreemdend over, maar toen we naar de redenen voor deze plotse bouwijver vroegen bleken familiale problemen weer eens de boosdoener. Sjef had besloten zijn eega in te ruilen voor een Poolse schone, en omdat zijn ex- eega ergens gestald moest worden en zich niet helemaal liet doen had hij besloten de Blauwe Gans voor haar bewoning in gereedheid te brengen. Na een half jaar was de verbouwing klaar en verliet Sjef de Vlasmarkt om er nooit meer terug te komen. De eega woont er nog steeds.

Vlasmarkt 15

Nummer 15

Hier op nr. 15 woonde, toen wij er aankwamen, een gezellige dikke man. Immer stralend begroette hij ons elke dag als we hem zagen, een smile van oor tot oor, en als het kon nog verder door.

Hij zette altijd elke dag een paar potten en bakken buiten voor zijn huis waar de meest vrolijke bomen en planten in stonden, gewoonlijk opgefleurd met wat bloemen. Mijn eega hield van die man, om zijn smile en zijn bloemen.

Maar na een tijdje zagen we dat er wat potten gebroken waren en de planten dood lagen neergevleid op het weerbarstige plaveisel, alsof iemand ze als een premature ISIS-aanhanger de kop had afgehakt en demonstratief voor de vredelievenden onder de buurtbewoners had uitgespreid als toonbeeld van de wreedheid van het leven.

De dikke man keek daar kortstondig treurig naar en begon dan ze op te rapen en een paar dagen later stonden er nieuwe potten met nieuwe struikjes en bloemen.

Nog weer een paar weken later lagen zijn potten weer aan scherven. Zijn uitdrukking bevatte nu een nieuw element. Hij keek niet alleen maar meer treurig, zijn gezicht had onmiskenbaar een element van verbetenheid opgenomen: hij was kennelijk vastbesloten de vredelievendheid voor eeuwig gastvrijheid te bezorgen. Hij raapte met rukkerige bewegingen de scherven van de vloer, en ja, na enkele dagen stonden er nieuwe potten.

We hebben de tel niet bijgehouden, hebben talloze terracottapotten, en daarna betonnen bakken, en daarna rieten manden zien passeren, en steeds maar weer de struiken en bloemen zien herrijzen. We durfden hem bijna niet meer aan te kijken, gewoon gêne voor de mensheid.

En toen op een dag kwam hij de scherven niet meer oprapen. Ze bleven eenzaam voor zijn deur liggen, en we begrepen dat het lot de dikke man moest hebben gekeeld. Pas later begrepen we dat hij van beroep bloemist was geweest, en dat zijn noeste en onwankelbaar geloof in plant en bloem geknakt was door de man met de economische zeis die faling heet. De vrede op de Vlasmarkt stierf met hem weer een beetje, maar och, dat was een zoveelste stap in een proces van jaren.

Drie lagen boven hem woonde Vivian, het eerder genoemde slachtoffer van Sjef. Vivian had een witte poes, wat niet bijzonder is, maar wat wel bijzonder was, was dat Vivian als haar poes weer eens verloren was, het nodig vond het waarschijnlijke spoor van haar verloren poes te volgen, als ze na een avond flink hijsen thuis kwam, over het smalle muurtje waarover haar poes volgens haar haar ontvloden was. Dat muurtje was circa 10 meter boven de begane grond, en wij volgden haar vertwijfeld met onze ogen, als wij haar zigzaggend voor zover dat mogelijk was, over het muurtje zagen schuiven ondertussen met onvaste stem haar poes aanroepend. Ze is er nooit vanaf gelazerd, wat toch bewijst dat God nog ergens op de Vlasmarkt aanwezig moet zijn geweest.

Vlasmarkt 13

Nummer 13

Toen wij aankwamen hing aan de gevel van nummer 13 het uithangbord van café ‘De Paraplu’ dat, naar men ons zei, juist voor onze komst de geest had gegeven. Nu, die geest is er nooit meer in teruggekeerd, want een café is het nooit meer geworden. Lange tijd was het huis een van die bekende Antwerpse huizen, waar je nooit enig teken van leven achter de ramen zag, totdat de eigenaar kennelijk besloot dat de onverhuurbaarheid van het gelijkvloers hem teveel werd en hij het huisje (wel voor veel te veel geld natuurlijk) verkocht aan Koen. Koen kocht het huisje om in te wonen en en passant nog iets over te houden aan de verhuur van de overblijvende delen. Hij ging zelf met zijn ega deels boven wonen en deels in de Ware Jacob, waar ze het allebei kennelijk knap gezellig vonden. Als ze thuis waren hing er regelmatig een bloot damesbeen boven over de balustrade van hun balkon ten teken van ostentatieve aanwezigheid, en dan wuifden we over en weer en riepen onzin naar elkaar. Koen was op de Vlasmarkt uitsluitend voor zijn plezier, want beroepshalve verkocht hij gps-apparatuur en had hij de Vlasmarkt verder niet nodig. De begane grond verhuurde hij aan Janine en Mark, rockgitarist van beroep, die in het schooltje naast hen woonden. Janine begon er een door ons als kansloos beoordeelde British shop, die het uitstekend bleek te doen, waardoor we voor aap stonden. Het piepkleine winkeltje dat in het begin ook niet altijd regelmatig open was bleek toch een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit te oefenen op Britten die zich blijkbaar al aan het prepareren waren op een ‘stubborn resistance’ tegen alles wat als ‘mainland’ Europe moest worden gezien, ‘brexit avant la lettre’ zal ik maar zeggen.

Marc reisde heel Europa af voor het verkondigen van het musisch heil, maar toen dat allengs minder werd nam de activiteit in het winkeltje toe totdat het zo goed begon te lopen dat ze besloten naar het verderop gelegen grotere pandje Vlasmarkt nr.7a te verhuizen waar ze nu nog zitten en een grote reputatie hebben opgebouwd. Ze zijn een van de weinige permanente successen op de Vlasmarkt.

Vlasmarkt 11 
Het Schooltje

Het Schooltje

Wat moet Pieter Pot gedacht hebben toen hij in de twaalfde eeuw zijn geldelijke middelen stortte in een fonds voor de oprichting van een klooster? Hij was een Nederlandse (in die jaren een rekbaar begrip) koopman die naar men zegt vele landen bereisd had en in de ruige havenstad tot rust meende te kunnen komen. Mogelijk werd hij echt door godsvrucht gedreven en meende hij zo zich van een plaatsje in de hemel te verzekeren, want het inkopen van het heil was in de katholieke kerk van die tijd bepaald geen absurde gedachte. Maar misschien was het ook wel platvloerser en had hij een meer wereldlijk heil in gedachte door middels het klooster een marktplaats voor zijn handel te scheppen.

Een klooster was in die jaren niet zoals wij nu denken een afgesloten oord waar enkel gebeden werd, maar integendeel eerder een soort openbaar zorgcentrum, waar allerlei activiteiten uit de buurt samen kwamen, waar de zieken verzorgd werden en op de binnenplaats handel gedreven werd (ook al werden daaronder in cisternen ook de overleden monniken begraven), en in het klooster zelf van alles geproduceerd werd. De aanwezigheid pal naast de kloostermuren van handelshuizen voor grote lakenhandelaren en diverse tavernes en herbergen, waar de handel ook plaatsvond, wijzen wel op die laatste doelstelling.

Het Pieter Pot klooster, zoals het in de volksmond is gaan heten had ingangen voor de aan- en afvoer aan een wat terug gelegen poort aan de Hoogstraat, maar de publieksingang voor het bijwonen van missen e.d. was aan de Grote Pieter Potstraat in de kloosterkapel die er nu nog staat, waar op oude afbeeldingen ook nog een andere poort te zien is. Het lag in een carré, gaande van Grote Pieter Potstraat, naar de Hoogstraat via Kleine Pieter Potstraat, dan langs de Hoogstraat en dan terug naar de Grote Pieter Potstraat langs een steegje dat achter de huizen van de huizen aan de noordkant van de Vlasmarkt lag, met rondom de binnenplaats een gaanderij, zoals het model voor de meeste middeleeuwse kloosters is. De binnenplaats was tuin, markt en begraafplaats, alles ineen. Wij vonden onder het gebouw van de eerste stoom-aangedreven meubelmakerij op ongeveer 60 cm diepte nog restanten van een weggetje van blauwe kasseien waarlangs het mogelijk moet zijn geweest goederen naar de oude binnenplaats en magazijnen van het klooster aan te voeren, en waarvan de oorsprong waarschijnlijk bij de poort aan de Hoogstraat lag.

Het klooster heeft lang gefloreerd, maar werd een eerste keer in de bloei geknakt door de opkomst van de protestatie in Antwerpen, waaraan naar verluidt verschillende monniken onder invloed van de Augustijnen van St Andries, de parochie van miserie, hadden deelgenomen. Onder de contra-reformatie zorgden de jezuïeten ervoor dat het klooster weer in gebruik werd genomen, maar toen Napoleon er bij zijn intocht naar goede Franse gewoonte een paardenstal van maakte (wat die Fransen altijd met ‘merde’ te maken hebben, is me een raadsel, maar ze moeten er blijkbaar wel van houden) was de ontheiliging van de plaats kennelijk toch teveel geworden en kreeg het klooster nooit meer haar bewoners terug. De gebouwen raakten geleidelijk aan in verval en diverse omwonende bewoners zagen natuurlijk hun kans schoon en pikten de gronden en gebouwen in, zoals die weduwe de Beuckelaere die er haar eerste stoom-aangedreven meubelmakerij bouwde in 1849.

Bij zoveel onbehoorlijk gedrag kon de stad natuurlijk niet achterblijven bij haar burgers en dus steunde zij de kerk bij het vestigen van een opleidingsinstituut voor lagere beroepen op het terrein van het voormalige klooster, dat een geheel ging vormen met de nog overgebleven kloosterkapel. Hoe lang het schooltje daadwerkelijk in gebruik is gebleven kan ik feitelijk niet achterhalen, maar het verhaal van Guy van den Broek was dat hij het nog in gebruik had gezien in zijn jonge jaren.

Toen wij begonnen onze weg te zoeken in het Antwerpse, kwamen we op een dag langs de openstaande poort van nr. 11, de toegang naar de binnenplaats, waar het schooltje en de kapel aan liggen, en zagen daarbinnen een ontzaglijke ravage aan bouwmaterialen en rommel, waartussen een keurige man in een groene jagersjas en een strikje, zijn grijze haren in een glanzend naar achteren gekamde pommade, met opgetrokken wenkbrauwen de zo te zien twijfelachtige werkzaamheden van zijn personeel stond te aanschouwen. Leemans sr was, zoals hij zelf zei, architect-aannemer van professie. Wij vroegen wat hij aan het doen was, waarop hij zei dat we het voor 32 miljoen frank van hem konden overnemen. Daar waren we even stil van, want voor zover ons begrip reikte hadden we dat niet gevraagd, maar dat hij niet blij was met zijn project, dat was zeker. Hij was dus bezig het schoolgebouw om te vormen naar een aantal appartementen, en zijn onvrede betrof de kwaliteit van de bouw waar hij, zoals hij ruiterlijk toegaf, grote twijfels had.

Dat hebben latere bewoners ook wel geweten, want het regende permanent klachten, over ketels en lekkages en wat dies meer zij, en regelmatig liepen boze bewoners, zoals Janine en Mark, er boos weg. Leemans sr zag dat, zoals hij ons vaak vertelde, met lede ogen aan, maar kon weinig doen omdat hij de regie had overgedragen aan zijn zoon, die er om puur fiscale redenen een adres in hield, maar zich in levende lijve liever niet vertoonde, al waren er bewoners die meenden zijn dure Engelse auto wel eens gezien te hebben, wat andere bewoners weer als zinsbegoocheling naar het rijk der fabelen verwezen. Van Leemans sr vernamen we ook dat in de kelders onder het schoolgebouw nog veel te vinden zou zijn, maar hij had de kelderingangen van de kelders die tot ver onder onze binnenplaats door moesten lopen, dicht laten maken om problemen met de oudheidkundige dienst van de stad te vermijden.

De kapel was de familie Leemans een blok aan het been. Ze bleek niet duurzaam verhuurbaar, en het onderhoud, waartoe ze vanwege de monumentstatus verplicht waren, viel ze duidelijk zwaar, want we moesten met lede ogen aanzien hoe het dak maanden lang kapot lag en de daklijsten zowat van rottigheid naar beneden kwamen, terwijl binnen het plafond in brokken op de vloer belandde.

Toch hadden de Leemansen wel lange tijd goede hoop dat het project nog eens ten goede zou keren, maar de investeringsdrift van Junior bleek niet heel gericht toen hij eerst een buurpand aan de Grote Pieter Potstraat veel te duur kocht zonder te weten wat ermee te doen en daarna aan een volledig onvergund project begon aan de ruïne van het Paulusklooster die hij van de kerkfabriek van de Pauluskerk gekocht had, waarna de stad hem stillegde en daarna onverwacht niet meer omkoopbaar bleek. Nee, het zat hem niet mee, en London vindt hij dus nu veel leuker dan de Vlasmarkt en het Paulusklooster. Leemans sr is er niet meer om zich erover op te winden, met zijn altijd ingehouden beschaafde stem en bijna ingehouden adem als hij weer over zijn ongelukken moest berichten. Gelukkig maar.

Het huisje boven de poort is wel deels gerenoveerd geworden, maar ik heb het in mijn leven op de Vlasmarkt nooit bewoond gezien.

Vlasmarkt 9 
Huize Wallendaal

Huize Wallendaal

Dit huis is werkelijk prachtig gerestaureerd, echt niets op af te dingen, met mee van de mooiste herbouwde schouwen van Antwerpen die ik ken. Het is het huis van de Wallendaal familie, waarvan tenminste de broers Jan en Tuur Wallendaal tot de eigenaars behoorden. Toen wij aankwamen op de Vlasmarkt dachten we dat ze bijna klaar waren met de restauratie, maar het bleek dat wij nog helemaal niets hadden begrepen van de denkwijze van Vlaamse en Antwerpse aannemers.

Probeer nooit een Antwerpse aannemer uit te leggen wat de markt is (met de markt bedoel ik dus wat andere landen zien als het spel van vraag en aanbod). Dat vinden ze in Antwerpen onnozel. Je gaat nu eenmaal niet in Antwerpen zitten wachten of er een klant wil langskomen en je eigen moe maken door ergens een offerte uit te brengen als je weet dat iemand anders al de nodige contacten heeft. Een autochtone Antwerpse aannemer gaat naar het voetballen, naar het café, naar de avond van zijn politieke partij, naar de betreffende vereniging van ondernemers, enfin, doet alles wat ze tegenwoordig deftig ‘netwerken’ noemen maar niet met het doel om contacten te leggen (want die zijn er meestal al) maar met het doel de contacten duidelijk te maken dat ze wel hun projecten naar jou moeten sluizen, willen ze tenminste dat jij wel voor hun blijft pleiten; en zo nodig kan een en ander ook nog eens extra gesmeerd worden natuurlijk. In ruil daarvoor verkrijgen aannemers dan projecten waarbij zacht gezegd het tempo niet hoog hoeft te liggen. Kijk bijvoorbeeld niet raar op als je op een dag in Antwerpen een paar werklui wat borden ziet aanslepen voor straatwerken en afzettingen, die je vervolgens drie maanden niet terugziet waarna ze hetzij enkele dagen komen werken hetzij enkel de borden weer weghalen. Of - andere variant - als ze tot grote schrik van de omwonenden op komen dagen voor echte straatwerken zoals het opnieuw leggen van de kasseien; want niet alleen ben je dan als kleine handelsondernemer maanden afgesloten van je klandizie, maar ook kun je er dan zeker van zijn dat, wegens het gebruik van inferieure goedkope krachten, de straat er na de werken slechter bij ligt dan daarvoor. Nee, Antwerpse aannemers hoeven echt niet te zwoegen als ze eenmaal in het circuitje van de erkende projecten van overheden e.d. zitten.

Dat ontgaat natuurlijk echt integere bestuurders – en die bestaan echt ook in Vlaanderen al moet je ze soms met een lampje zoeken - niet helemaal, en veel kiezers zitten natuurlijk ook verbeten achter bestuurders aan om ze integer te maken en integer te houden. Zo was er een bekend geval in de Kleine Pieter Potstraat waar de buurt met hand en tand probeerde te voorkomen dat onder nr. 8-10 daar een SM kroeg zou worden geopend; plots en onaangekondigd greep Antwerpse sociaal-democratische burgemeester Leona Detiège daar ongemotiveerd persoonlijk in en kreeg de club in kwestie zomaar een vergunning tot verbijstering van alle omwonenden. Een verklaring daarvoor kwam er nooit. Een soortgelijk affaire met dezelfde burgemeester ontstond rondom de disco de Zillion die in handen was van een later veroordeelde maffioos, die zijn vriendinnetje had laten ombrengen, waarbij de vergunningverlening in complete raadselen was gehuld en er verwijten m.b.t. omkoping werden geuit die overigens nooit bewezen werden.

Maar Tuur Wallendaal, schepen in het stadbestuur, gold in Antwerpen nu juist zeker als het icoon van de integriteit binnen de sociaal democratische stroming. Het feit alleen al dat hij een dikke vriend van Charles van de apotheek was bevestigde dat aan de integriteit van Tuur niet te twijfelen viel, want Charles was ongenadig hard in zijn oordelen, en als je daarbij niet door de mand viel zat het wel goed.

Maar integer zijn in zo een wespennest als de wereld van de Antwerpse aannemers is natuurlijk wel bijna godsonmogelijk. Dus werd elke activiteit in dat pand met een goudschepje gewogen en pas na veel, heel veel rijp beraad ondernomen, om maar niet de minste schijn van schuinsmarcheerderij op te roepen. We verdachten de Wallendaals zelfs ervan het pand na voltooiing zo lang mogelijk leeg te laten staan, zo bang als ze waren om te worden aangezien voor besmet zijn met corruptie als ze wie dan ook in het pand hadden gelaten. Pas toen Tuur ongeneeslijk ziek werd en later overleed kon het pand kennelijk voluit verhuurd worden.

We hebben nog eens ooit een poging ondernomen om het huis te kopen en ons daarbij voor de eeuwigheid geafficheerd als hopeloze Hollanders omdat we Jan Wallendaal een prijs van 8 miljoen franken suggereerden, die daarop brullend van het lachen ons huis uitvluchtte. Iets of wat te laag kennelijk??

Hoek Grote Pieter Postraat en Vlasmarkt

Hoek Grote Pieter Postraat en Vlasmarkt

Dit pandje is een ongelukspandje. Ik vind het mooi maar lelijk verbouwd, maar los daarvan lijkt het wel alsof er een vloek op rust. Nooit zag ik er iemand welvarend in worden, nooit vertrok er iemand in een gelukzalige stemming, en altijd ging er alles mis.

Waarom? Geen idee. De ligging is niet verkeerd, er is de mooiste terrasruimte van de straat, het is in vergelijking met andere panden in de straat niet te klein (vergeleken met ‘t Cuveeke een reus), maar toch!! Alles gaat er mis.

Toen wij begonnen op de Vlasmarkt was het een Thais restaurant, wat bijna onmiddellijk na onze aankomst sloot wegens faillissement.

Lang stond het leeg.

Toen kwam er een Indonesisch eethuis. Dat was erg vaak dicht en de kaart, die er na maanden ge-opend zijn uiteindelijk kwam, bevatte volgens mij zoiets als 10 items. De ambitie spatte er niet af.

Daarna was het weer dicht.

Jannie (Agapios) begon er een café uit te baten, dat volgens mij goed leek te lopen, maar kennelijk was zijn personeel te duur, want ook in dit geval nam het aantal sluitingsdagen hand over hand toe en uit eindelijk sloot het helemaal, waarschijnlijk meegesleept in de financieel bodemloze put die hij geschapen had.

En zo zaten er nog een paar uitbaters tussendoor.

Waarom gaat er daar niks? In de kleine detailhandel bestaan er twee groepen winkelzwervers, zoals ik ze maar hier zal noemen. De eerste groep (die we overigens op de Vlasmarkt nauwelijks zagen) bestaat uit mannen die hun vrouw willen parkeren door ze in een winkel te zetten waar ze bezig gehouden wordt. Dat gebeurde vroeger heel veel en de laatste tijd naar mijn indruk wat minder. De tweede groep bestaat uit de oprechte sappelaars. Mensen die coûte que coûte voor zichzelf iets op willen bouwen, de zelfstandigen van nature zal ik maar zeggen. Die willen zich desnoods tot hun laatste sokken in de schulden steken, maar steken aanzienlijk minder energie in een marktverkenning of een doortimmerd bedrijfsplan. Daardoor krijgen ze uiteraard ook meestal geen krediet bij de bank, waardoor ze dan gewoonlijk ook geen reserve hebben en het dan ook nooit erg lang uithouden. Organisaties van het kleinbedrijf zoals de UNIZO slagen er meestal niet in deze mensen te bereiken, wat natuurlijk verergerd wordt door de notoire NVA-gezindheid van UNIZO-medewerkers, waardoor de meestal allochtoon gekleurde ondernemers in spe niet bepaald aangetrokken worden.

Zelf kwam ik deze mensen vaak tegen, doordat wij in Antwerpen 7 handelsruimtes verhuren. Dan zag je dat de echte economische dynamiek wel uit Borgerhout kwam. Jonge opgewekte en energieke mensen die onbekommerd aan de slag wilden en geen idee hadden waar ze aan begonnen. Soms probeerde ik dan iets te helpen, zoals in het geval van een leuk koppel die een kinderopvang wilde beginnen. Twee avonden samen zitten rekenen en toen bleek dat dat niet kon wegens te weinig groepen die ze konden plaatsen.

Meestal is het eigenlijk al te laat voor ze beginnen en kan het met de beschikbare middelen helemaal niet. Maar in het geval van de grote families ligt dat anders. Die hebben dan wel geen plan en geen krediet en geen middelen, maar ze hebben familie wat veel belangrijker is. Dan zie je zo een kleine taaie man een armoewinkeltje open en denk je bij je eigen dat je het zo liever niet aan hem verhuurt omdat je het hart in hebt van alle miserie die je denkt te gaan meemaken. Dan zit die kleine man daar dag na dag, week na week, maand na maand, stilletjes alleen in zijn kleine winkel, en dan ga je eens vragen hoe het gaat. En dan zegt hij naar waarheid ‘niet goed’ en dan vraag ik waarom hij dan doorgaat, en dan zegt die dat de zaak van zijn familie is en hij alleen de uitvoerder is en dat de familie wil dat hij doorgaat.

En dat is dan dat. Heeft met bedrijfslogica niets te maken, het gaat alleen maar over solidariteit, familiale solidariteit wel te verstaan.

Er zijn zo hele grote clans in Antwerpen die tientallen winkels beheren en tegen de tijd van de verkiezingen de politieke partijen op bezoek krijgen die om hun steun komen vragen, want het gaat vaak wel over enkele honderden mensen per familie. Die clans zijn overlevers. Dat de overheid ze niet mag, ach, ze weten niet beter, dat is in alle landen zo waar ze opereren. Dat hun goederen soms een zweem van illegaliteit met zich mee dragen, tja, dat is de natuur van het leven in de echte wereld, dat hun kinderen nauwelijks kansen krijgen, dat hadden ze niet anders verwacht, etc., etc.

De kleine zelfstandige met roots in een andere wereld is per definitie aangeschoten wild en wacht kalmpjes op elke volgende klap. Als je hem aanspreekt lacht hij verlegen, want je hoort niet met hem te praten alsof hij een mens is, en meestal weet hij ook niet meer dan de cijfers voor alle getallen , en ‘goedendag’ of ‘hallo’ en ‘dank je wel’. Ik lees en las vaak dan die fraaie artikelen van verlicht journaille in De Gazet, Het Nieuwsblad, De Morgen en De Standaard, die dan altijd erin slagen ook verlichte en geëmancipeerde allochtonen (die trouwens niet meer zo genoemd mogen worden om wat voor hypocriete reden ook) ten tonele te voeren, die meestal gestudeerd hebben, allen voorzien zijn van een prachtige baan en in een hypermodern Ikea-huis wonen waar ze zielsgelukkig zijn en oprecht beloven niet te veel kindertjes te krijgen om Vlaanderen niet via eugenetica te veroveren. Geen idee waar het journaille die lui opduikelt maar in de Vlasmarkt zie je die niet hoor.

Ik houd wel van mijn kleine donkere mensjes uit Borgerhout en Merksem, gewoon vanwege hun vredelievende vechtlust. Van mij hoeven ze niet te studeren, geen Ikea-huis te kopen en mogen ze in hun bed thuis doen wat ze willen.

Als ze nou maar eens wat minder bang werden!!

Vlasmarkt 7a 
Vlasmarkt 7a

Mooi he, dit pandje! Ik heb me laten vertellen dat het eigenlijk niet is wat het is, d.w.z. niet een echt authentiek antiek pandje is, maar het slaagt er wel heel goed in daarop te lijken, toch? Die blauwstenen raamkaders, die Doornse spekstenen zo hier en daar tussen de kleine baksteentjes, schattig.

En van binnen is dat ook zo. Het heeft een leuke kleine kelder, zo groot als het gebouw zelf, en een mooie opkamer, waar je langs een fragiele balustrade naar beneden in de handelsruimte kunt kijken. En op een gegeven moment kan het me dan eigenlijk echt niet schelen of er dat zo in de zestiende eeuw ook al bijstond, want het is gewoon te schattig om ook maar ergens over te zeuren. Ons is verteld dat het door de eigenaar van de kleine winkelketen Bitte Kai Rand was herbouwd naar de huidige staat. De volslanke dame die in de winkel stond gaf al snel na onze aankomst met veel zuchten aan dat het niet florissant ging, maar wij hadden niet de indruk dat zij daar heel zwaar om treurde want elk mogelijk verdriet verdronk zij dagelijks na en soms voor sluitingstijd bij Krisje. Ze heeft het nog een jaar of zo uitgehouden en toen ging de mooie winkel dicht.

Dan volgde er een periode van verkoop- en verhuurpogingen, waarna er in de handelsruimte een sigarenverkoper ging zetelen, de overbekende grootvader van het kinderslachtoffer van Hans van Themse, die na een fikse aanvaring met zijn werkgever-sigarenhandelaar diens winkel op de kaai had verlaten, en nu in deze ruimte zijn eigen sigarenhandel begon. Je zou denken dat zo iemand toch door de Vlaamse wol geverfd zou moeten zijn, maar verder dan het immer pittoresque plaatje van twee heren die op sjieke Franse stoeltjes aan een sjiek wit Frans tafeltje zeer grote sigaren zaten te verbranden kwam het eigenlijk niet. Klanten heb ik er niet binnen gezien, en dus hoopte ik maar voor hem dat hij een goede webshop of postorderportefeuille had.

Quod non.

Hij was plots weg, en heeft zich bij mijn weten ook nooit meer op de Vlasmarkt vertoond wat in de meeste gevallen betekent dat de vertrokkene achter elke deur daar een schuldeiser vermoedt.

Na een nieuwe stilte verscheen er plots een koffieshop, d.w.z. een die koffie verkocht wat wij Hollanders vanuit onze landsaard uiteraard heel potsierlijk vonden. Wat nog vreemder was, was dat de coffeeshop daadwerkelijk ging floreren van de verkoop van koffie. Op een gegeven moment betrapte ik mezelf erop dat ik er toch minstens driemaal per week koffie dronk. Een nieuw handelsfenomeen had zijn intrede gedaan op de Vlasmarkt.

Nu denk ik wel dat de zeer innemende vriendelijkheid van de uitbaters er ook wel wat toe zal hebben gedaan, maar onmiskenbaar sloeg de nieuwe neringsoort aan in de Vlasmarkt.

Maar de Vlasmarkt sloeg niet aan bij de uitbaters. Hier had je nu eens een stel die het goed kon, goed deed, een uitgekiend bedrijfsplan en reserves had, maar de locatie niet mocht. Ze hebben het mij niet verteld voordat ze wegtrokken, maar ik weet wel haast zeker dat de aard van de Vlasmarkters en het Vlasmarktse publiek hen niet beviel. Ze hadden een duidelijke voorkeur voor jonge en vrolijke bezoekers van universiteiten en hogere opleidingen, en dat was en is precies het publiek dat de Vlasmarkt mijdt als de pest. En de bewoners van de Vlasmarkt zijn, ook al zijn ze niet meer zo bruin en zwart gezind als een tiental jaren geleden, toch ook zeker niet de meest optimistische en participerende leden van de samenleving. Wie die binnen kreeg, moest goed tegen veel chagrijnig gemopper kunnen.

Nee, geen wonder dat ze wegtrokken naar een mooie locatie bij de Montignystraat naar ik meen, waarheen ze ons uitnodigden en waarvan de adreswijziging aan het pandje werd geplakt, iets wat ik nooit eerder en ook nooit meer daarna op de Vlasmarkt zag gebeuren. Mensen die niet stiekem met de staart tussen de benen afdropen waren ons daar een onbekende mensensoort.

Het pandje werd daarna overgenomen door Janine en Mark die er hun leuke British shop vestigden. Goed gezien, want dit pandje ligt zo priemend naar voren gestoken in de straat dat je als je aan komt lopen vanaf de Groenplaats bijna de hele looptijd in je vizier hebt. De ligging maakt er een cult- en reclame-object van waar de Vlasmarkt trots op is.

Vlasmarkt 7 
Mai Thai

Vlasmarkt 7

Nummer 5 en 7 behoren niet bij elkaar. Nummer 5 behoort bij nummer 3.

Beide pandjes horen bij het slechtste dat de Vlasmarkt te bieden heeft. Ze ogen niet, zijn niet gerestaureerd en werden zeer beroerd onderhouden. Ooit heb ik een poging gedaan om ze te kopen om ze te renoveren. De eigenaar (dacht ik ) sprak ik over de telefoon. Hij wou het wel voor 6 miljoen franken van de hand doen. We spraken af in het huisje en bekeken het van onderen tot boven. Hij was een, wat ze in Nederland een sjappie noemen. Te glimmend pak, te opzichtige dasspeld, teveel goud om zijn pols, pochetje in het colbert van het pak, glanzende lakschoenen met te lange punten, waarop nog net geen gouden hoekstukje zat, en zoveel pommade in zijn haar, dat het als een kwak zwarte boter op zijn hoofd leek te plakken. Zijn metgezel droeg een halflange jas met een dikke bontkraag van het type dat vrouwen dragen als ze bang zijn dat ze in de winter niet worden waargenomen.

Na de rondleiding gingen we in het gelijkvloers zitten aan een wrakkige tafel met drie wrakkige stoelen, in een ruimte waar de vellen behang spontaan van de muur vielen. Sjappie leunde achterover en begon uitvoerig uit te leggen hoe groot hun bezit en hun geldkracht wel niet was. Ik was wat hanengedrag wel gewend, maar in de regel gaat dat toch niet via het uitleggen van het eigen vermogen. Maar hier blies de ijdelheid kennelijk elke prudentie het raam uit.

Het is, zegt vriend Kris mij, mijn Hollandse aard die me te bot maakt voor dit soort situaties. Ik onderbrak hem en vroeg of we de zaak nu dan rond hadden. Hij keek me eens aan en vroeg zijn maat: ‘We vinde ge, zijn wij akkoord dan?’ ‘Jawel’ zei die. Ik voelde aan mijn theewater dat hier een niet onbelangrijk stuk uit de onderhandeling weg viel en dat dat niet per ongeluk was. ‘Dus voor 6 miljoen neem ik het over!.’ ‘We zeide gij?’ Sjappie schoot voorover. ‘Neje, da doen wij niet, voor 8 miljoen meude et hebben’. Ik keek opzij naar bontkraag die me voldaan bekeek. ‘Gullie Hollanders wilt altijd voor een dubbeltje op de eerste rij zitten’. Heel even dacht ik erop in te gaan, en toen schoot het door me heen dat ze dat alleen maar deden, pardon, konden doen, omdat ze zo bevooroordeeld naar Nederlanders waren dat ze ervan overtuigd waren dat in elke Nederlander teveel hebzucht school om zo een deal te laten afketsen. Ik blies even van opluchting toen ik dat besefte en zei tegen sjappie: ’Okay, dan zijn we klaar en gaat het niet door’. Zijn verbaasde toet is me nog jaren in het geheugen blijven hangen.

Pas na lange tijd werd er voor nr. 5 een huurder gevonden, een zoals iedereen dacht zoveelste ondoordachte niet-Vlaming. De vergissing van de eeuw.

Mai en Joe zijn super-ondernemers. Mai begon met het pandje met grote precisie op te knappen en in te richten. Het pandje was misschien te klein maar ze wilde heel berekenend het aanvangsrisico niet te groot maken. En dan begon ze de regie te ontwikkelen, van alles. Ze is het type vrouw (ook al lijkt ze er uiterlijk helemaal niet op) van de vroegere bazin van de Maritiem, het befaamde mosselrestaurant aan de Suikerrui. Wij gingen daar vroeger, toen we nog niet in Antwerpen woonden vaak eten als we langs Antwerpen kwamen, deels van wege de mosselen, en deels vanwege de superact van de bazin. Als je daar binnen kwam zag je twee rijen tafeltjes van voor in de zaak tot achter bij het buffet. Madame stond achterin op het gangpad tussen de twee rijen, pal voor het buffet. Ze stond daar en bleef daar staan, met priemende ogen elke beweging najagend die haar obers onbezonnen dachten te maken. Met een hoofdknik maakte ze de obers duidelijk waar wij mochten zitten, met een piepklein gebaar, een niet heel uitgebreide zin van maximaal een of twee woorden, werden op zachte toon instructies gegeven, en alles, werkelijk alles, volgend met die priemende ogen. De Maritiem stond niet op de Suikerrui, die zat in haar hoofd.

Dat was wat Mai ook deed: de Mai Thai zat in haar hoofd. Ze had geen zware professionele kok nodig. Alle gerechten waren al uitgedacht en voorbereid, ze had alleen een paar wandelende armen nodig als verlengstuk van haar eigen denkwerk. Van vroeg tot laat, van inkopen tot opdienen, alles hield ze in eigen hand, ook al liepen er wel wat wandelende armen om te garanderen dat iedereen aan de 10 tafeltjes bediend kon worden. En het liep storm. Bij Mai Thai hingen ze met de benen buiten. Mai bleef onverstoorbaar glimlachen en ondertussen keihard haar tent runnen.

Niet alleen, dat niet. Haar Joe, een rasechte Vlaming, werkte eerst als franchise houder van een Aziatische parfumerieketen, waarvan hij de winkels in de gaten hield door vanaf een computer bediende in de diverse winkels geplaatste camera’s. Ook geen stiel die je moet doen als je nog in je broek plast.

Joe is een goede allerhartelijkste maar zakelijk stalen man. Hij wijt dat zelf aan het repressieverleden in zijn familie. Hij zal de Vlaamse overheid nooit vergeven wat hen is aangedaan. Dat heeft niets met rechtse opvattingen of zo te maken; Joe is feitelijk eerder progressief. Het heeft met historisch onrecht te maken, zoiets als dat een moord een moord blijft wie hem ook begaat en wanneer en waar hij ook begaan wordt. Joe had niks met politiek, hij had iets met onzuiverheid, met onrecht ‘an sich’. En hij was behalve de partner van Mai natuurlijk een gouden steun voor haar, die alle in’s en out’s van het Vlaamse kleine zakenleven tot en met kende.

Toen de Mai Thai zo een succes werd dat ie eigenlijk om uitbreiding schreeuwde openden ze samen voor de dochter van Mai een tweede zaak op de Oude Koornmarkt. En toen die ook een succes werd, werd het tijd te erkennen dat het kleine zaakje op Vlasmarkt nr. 5 te klein geschoeid was: er werd verhuisd naar de Suikerrui, en ook dat werd een doorslaand succes. Denk maar niet dat Mai zal tolereren dat een van haar zaken faalt.

Het pandje op nummer 5 bleef een beetje verweesd achter, dat kun je op de foto wel zien. Het is een beetje geschokt door het stormachtige succes dat zo een armzalig scharminkel als dit gebouwtje, zo wankel geplakt tussen twee dreigende zijmuren, toch eigenlijk echt niet paste. Het kan beter nog maar even bijkomen, denk ik.

Vlasmarkt 3-5 
Vlasmarkt 3-5

Dit gaat eigenlijk over het rechtse pandje van de twee die je op de foto ziet, dat nog hoort bij nummer 3. Het is zo een pandje dat alleen nog overeind staat omdat het niet weet naar welke kant het het eerst moet omvallen. Dergelijke pandjes moeten niet mogen.

Jaren geleden is de stad begonnen met een inventarisatie van de leegstand. En, opvallend genoeg, in het eerste jaarverslag van de leegstandinventarisatie hadden ze over alle delen van de stad cijfers behalve over de binnenstad. Curieus!

Maar niet als je kijkt wie die omissie eigenlijk betrof. Want beleggen in de binnenstad is een bezigheid van de elite en die vindt het echt niet leuk om door de overheid publiekelijk aan de schandpaal genageld te worden. En daarbij kwam dat veel grote heren, die zelf voor de stad werkten zoals architecten en aannemers, het knap vervelend vonden om via een plaats op de inventarisatielijst gedwongen te worden hun bouwbeloften na te komen. De architect die eigenaar was van de Hofstraathoek zou dan zomaar ineens zijn pand moeten afbouwen. Mijnheer Devos zou dan plots zijn pand moeten herstellen aan de Groenwinkelstraat, dat gelukkig al heel snel en uiteraard geheel toevallig (al vond zijn verzekeraar dat niet) letterlijk in rook en as verging.

En dus verscheen om geheel ondoorgrondelijke gronden geen inventarisatie van de binnen-stads leegstand.

Maar die binnenstad is wel nog steeds vergeven van absoluut onbewoonbare en bouwvallig pandjes, ook al zijn die vaak achter keurige geveltjes verstopt. Nr. 3 is er zo een.

Het is bouwvallig, en de structuur is bouwkundig ongeoorloofd, zodat bijvoorbeeld de trap zo gevaarlijk en nauw en verkeerd geplaatst is dat zieken van het bovenste verdiep er met een brandweerauto uit moeten worden gehaald. Voor Vlaamse begrippen: een kniesoor die erom maalt.

Op het gelijkvloers heeft er van alles gezeten.

Meest gedenkwaardig was een fenomeen dat ik nog niet kende: rechts-extreme hippies. Er kwam op een gegeven moment een muziekcollectief in het pandje. Geld voor de renovatie was er blijkbaar niet, werd er tenminste toch niet aan uitgegeven, maar dat was volgens mij ook helemaal niet de bedoeling. Ik leverde ze een oude piano, de keuken (weids begrip hier hoor) werd uitgerust met volgens mij van de stort geraapt keukengerei, en oude vriend Dirk Devriend stelde zich strategisch op in de keuken met het klaarblijkelijk oogmerk te doen alsof hij kon koken, weshalve ik er veiligheidshalve maar nooit ben gaan eten.

Er zou muziek zijn, zoveel was zeker, en de idee was dan dat daar mensen op zouden afkomen die muziek mooi vonden. En je weet dan hoe dat gaat. In de kleine heel lage ruimte ging dan de installatie zo hard dat je als je elkaar aankeek duidelijk de oogballen van je partner in hun kassen kon zien trillen, en je schoenpunten als vanzelf op de vloer begonnen te trommelen, terwijl het licht dan zover uitging dat de toilet volstrekt onvindbaar werd.

Enfin, er kwam dus geen hond.

Het succes was, voor zover voorstelbaar, bijzonder kort. De leden van het collectief deden collectief iets wat ze zich niet van het collectief hadden voorgesteld, en dat was veel geld verliezen.

Maar ze gaven niet op. Enkele maanden later herstartten ze in de Pelgrimstraat en nu met een cabaret-collectief, mogelijk omdat het betreffende pandje, waar Jean Badz, de stichter van kelderrestaurant de Pelgrom, boven woonde, een podium had.

Het was een geweldige tent, Dirk Devriend maakte opnieuw de keuken onveilig, maar het zinderde en was er afgeladen vol. Dat kwam door de vele leuke groepjes die het podium kwamen bevolken, maar eigenlijk het toch niet heel erg vonden af en toe betaald te krijgen. Dat was er helaas niet bij (collectief en idealisme en zo, weet je wel) en dus ging het ook hier snel bergafwaarts. Het collectief, of wat ervan over was, zag de bui dit keer hangen en décollectiveerde in razend tempo. Het koppel bleef met de brokken achter, en hield zich daarna jaren bezig met het terugverdienen van de schulden door in een vrachtwagen te gaan rijden.

Bij deze lui zag ik iets merkwaardigs. Ze hadden niets van de oude rechtse boosheid over de repressie en zo. Ik denk dat ze nauwelijks zouden weten wat de repressie was. Ze hadden daarentegen een volkomen botte onberedeneerde en stompzinnige afkeer van alles wat niet hun huidskleur, hun voeten, of hun haren, of hun ballen had. Het sloeg echt nergens op en ze wilden ook echt niet uitleggen waarom, maar als het publiek weg was, was hun grootste genoegen in de lege zaak vele malen keihard uit volle borst ‘Makaaken’te schreeuwen en daarna vergenoegd te lachen. ‘Trumpisme avant la lettre’.

Het was raar. Rechtsracisten zoals Vlaams blokkers e.d. droegen altijd leren jasjes of maatpakken zoals Filip de Winter, maar geen lange haren en bloemetjesjurken zoals dit koppel, maar hier kwam een vorm van xenofobie en racisme naar voren waarvan ik daarvoor had gedacht dat die niet kon bestaan. Bot, ondoordacht, instinctief en gemakkelijk racisme. Inmiddels is duidelijk dat dit op Vlaamse scholen wel degelijk leeft en ook aangemoedigd wordt, maar toen leek me dat ondenkbaar.

Maar zo werd ik dus wat treuriger en wijzer.

Ernst van Dijckkaai 26-27 
No Problem

No Problem, Ernst van Dijckkaai 26-27

Aan dit hoekpand is wel zes of zeven jaar verbouwd, met grote zorg en inzet.

Het leek mij eeuwig te duren. Het is een mooi gebouw, van binnen niet zo groot als het lijkt, maar erg praktisch en licht, en toch een plaatje als hoekversiering van de inkom van de Vlasmarkt.

Iedereen in de straat vroeg zich met bezorgdheid af wat daar nu weer in ging komen, en de verrassing, nee verbijstering, was groot toen we begrepen wie daar ging zitten. Ulli (zo noem ik hem nu maar) was een bekende juwelenhandelaar uit de Hoogstraat. Hij dreef daar op heel stille en bescheiden wijze een kleine winkel achter twee glazen vitrines, en bleek bij binnenkomst altijd een heel groot assortiment fraaie sieraden te hebben, zonder dat hij daar veel promotie voor maakte. Ullie hield van leven, al zeurde hij ook altijd graag over al het feilen van de Antwerpse gemeente en de Vlaamse overheid, maar , allee, wie deed dat niet graag. Dat zeuren deed hij dan ook bij voorkeur aan de diverse taps van de straat en bij voorkeur tot in de zeer late, wat heet, behoorlijk vroege uurtjes.

Maar een vrolijkerd was hij toen niet.

En nu bleek hij plots de geheimzinnige komende uitbater van dit pand. Wat was hier voorgevallen? Ullie was op vakantie geweest. Tja! Een vrijgezellen juwelier op vakantie in een Caribisch land. Dat kon niet goed gaan (of wel natuurlijk, hangt ervan af hoe je het bekijkt), en Ullie kwam dus niet alleen terug. Als je Joy zag die hij meebracht begreep je meteen dat die niet in zijn winkeltje paste, er als het ware iets te groot voor was. Joy was de vleselijke realisatie van het begrip ‘voluptueus’. Ullie paste er twee keer in, als ik die hier onparlementaire uitdrukking toch even mag gebruiken. En voor Joy moest iets gevonden worden wat meer bij haar uitstraling paste. Dat zou dus een restaurant worden, waarvoor Ullie de opbrengsten van de verkoop van zijn winkelvoorraad moest gebruiken, wat nog niet eenvoudig was omdat veel van die spullen via smokkel het land waren binnengekomen. Zuchtend en kreunend werd het benodigde budget opgebracht en Joy doopte het restaurant geheel in haar stijl, die diametraal tegenovergesteld aan die van Ullie is, de ‘No Problem’.

Het restaurant kende twee soorten gerechten. Het eerste was een reeks Jamaicaanse gerechten die door de broer van Joy in de kelder werden bereid. Het tweede was Joy zelf. Bezoekers kwamen volgens mij in gelijke mate voor elk van beide soorten.

Als je binnenkwam stormde Joy op je af, riep ‘Hi Sweetie’ of iets van die aard en probeerde vervolgens met kracht je tussen haar omvangrijke prangende borsten te wringen onderwijl smachtende zoenen plaatsend op alle plekken van je hoofd waar ze bij kon. Zeg dan nog maar eens na het eten dat het niet lekker was!!

Ze waren een fenomeen, Ullie en Joy. Hij kon zich regelmatig zowat in snikken beklagen over wat ze allemaal deed, zij zette dan haar meest onweerstaanbare glimlach op en bedreigde je met een nieuwe knuffel mocht je haar versie van alles in twijfel trekken. Enige malen dreigden de perikelen van Joy’s familie de ‘No Problem’ tot een echt probleem te maken, maar uiteindelijk doorstonden ze de moeilijke eerste tijd en werd de ‘No Problem’ een succes.

Ze hebben op een gegeven moment de boel verkocht en rentenieren nu op een Caribisch eiland waar ze Amerikanen voor woekerprijzen in hun tegen hongerlonen gebouwde kustvilla laten wonen, zodat ze zelf gratis leven. Het is ze gegund als je een probleem als de ‘No Problem ‘ hebt overleefd.

Na hun is er nooit meer iets echt van de grond gekomen in dit pand, terwijl de ligging ervan echt subliem is. Geen idee waar het aan ligt.

Vlasmarkt 2 
Café Beveren

Café Beveren Vlasmarkt 2

Café Beveren heet een begrip te zijn, voor de toeristen dan. Voor de autochtonen, voor zover die nog leven en nog in deze buurt durven te komen, is het allang begrip af. Ik herinner me nog goed die weekenden van het begin van ons verblijf op de vlasmarkt, waarop gezette grijzende heren met niet geheel aan anorexia lijdende dames rondzwierden door de bescheiden ruimte tussen CAP- orgel en bar, een verzaligde blik op het gezicht, dromen naar de vergetelheid. Even de druk wegzetten, even dat paradijs dat maar niet wilde komen beleven. Je zag voor je hoe het Antwerpse proletariaat in vroeger dagen wist door te slikken wat ze te verwerken kregen, je kon je even voorstellen hoe de socialisten die steun konden vinden die wij nu niet meer begrijpen. Er moest toch beter mogelijk zijn bij gebrek aan de belofte van een hemel in het hiernamaals.

(Het is het enige CAP-orgel dat ik nog ken. Zelfs in het Utrechtse museum Van speelklok tot pierement, waar zoveel orgels staan, staat geen CAP-orgel. Het lijkt alsof de cultuur van de gewone man nog altijd geen erkenning mag vinden.)

Café Beveren was de fysieke erkenning dat er ook voor de gewone man iets moois kon zijn. Maar wat wij zagen liep op zijn eind. De koppen werden grijzer, de dames wilden niet meer zo graag van hun stoel komen, het werd allengs stiller. En de zeden, die verdomde zeden. Zelf heb ik in Domburg, waar in de jaren zestig een café nog een echt dansorgel had, vaak genoeg gedanst (of iets gedaan waarvan ik vond dat het enige verwantschap met dansen zou moeten hebben, of althans als zodanig toch erkenning zou moeten krijgen) om dan als ik in volle staat van euforie verkeerde op de schouders te worden getikt door de dansvloermeester met de vermaning dat het niet de bedoeling was op de dansvloer te paren. Allee toch!! Maar het dansen in café Beveren, werd, net zoals dat op de Vogeltjesmarkt gebeurde, meewarig weggekeken, en ook in Domburg verdween eerst de dansmeester en toen het orgel. Dat deed je niet, voor het oog van de goegemeente een beetje verzaligd lopen doen. Gevoelens slikte je in, daar liep je niet mee te koop, je zou voor een hippie kunnen worden aangezien. De dans was van stijl en belevingsvorm emo-talk geworden, en wie niet wild met zijn kont wenste te schudden in het schemerlicht van de spaarse discolampjes werd voor rariteit aangezien als hij toch iets deed wat met muzikaliteit geassocieerd zou kunnen worden. Nee, het volk moest niet meer dansen, het moest elk gevoel opzichtig eruit shaken en daar moest je je maar thuis bij voelen.

Café Beveren en zijn CAP-orgel werden gered door de toeristen. Weliswaar hoefden ze door de week geen uitzuipers meer te onderhouden maar de toeristen kwamen en masse, om te bezien wat voor rare apen die twintigste eeuwse Antwerpse arbeiders, die er dus overigens al lang niet meer kwamen, wel waren. Wel zo makkelijk, lange tijd rust en dan zo een groep van dertig man binnen die allemaal een of twee drankjes namen, flink opgepookt werden met het Cap-orgel, om nog wat bij te pakken, en dan was de rust weer hersteld en de kost weer verdiend. Dat ging lang goed totdat het huisje, waarin café Beveren huisde, welhaast van ellende omviel en er grootscheepse verbouwingen door de eigenaar, toen de familie Van Hool, uitgevoerd moesten worden.

Sindsdien is er ook een nieuwe uitbater en is het café een erkende bezienswaardigheid geworden, zoiets als een museum met cafetaria. Ik geloof niet dat er nog mensen van de Vlasmarkt komen, het is een buitenlandse vestiging geworden.

Maar nu betrap ik mijzelf op een van de kwalijkste onrechtvaardigheden die een mens kan bedrijven als hij de Vlasmarkt en Antwerpen beschrijft: ik zwijg de uitzuiper dood, zoals heel de stad dat doet. De uitzuiper bestaat niet, dat wil zeggen hij bestaat wel, maar we verbannen hem uit het openbare discours, hij mag er niet zijn, hij is onze schandvlek, hij is een blamage voor de samenleving, een smerige spet aan de onderkant van onze schoenenzool, een geurtje waar we onze neus voor ophalen als we het toilet betreden.

Maar hij bestaat dus wel in het echt. En veel ook in Antwerpen. Hij bestaat in café Beveren, in café Het Chauffeureke op het Jansvliet, In het Half Souke op de Hoogstraat, en in de Billenkletser op de Hoogstraat, en dan heb ik het alleen nog maar over mijn kleine oude geliefde wijk rechts van het stadhuis. Er zijn veel uitzuipers en ze houden veel cafés mee in leven.

En wat is een uitzuiper eigenlijk. De eerste keer dat ik me van hun bestaan bewust werd was toen wij bezig waren in Aalmoezenierstraat 4, begin van de 21e eeuw, schuin tegenover café het Aalmoezenierke (tegenwoordig café Boeksteeg geheten). Tot onze niet geringe verbazing begon het cafébezoek daar niet om acht uur in de avond maar om acht uur in de ochtend. Geïntrigeerd zagen we allerlei grijzend en kalend opgewekt volk, al dan niet met behulp van wandelstokken en rollators, zich begeven naar het café, om daar dan een uur of 4 à 5 later weer uit te komen rollen en nu zich met aanzienlijk meer moeite en minder feestvreugde weer richting huis te begeven. Om 4 uur des middags sloot het café, het cliëntele was volgegoten en er viel dan toch niets meer te verdienen.

Voor ons gevoel een volkomen idioot tafereel. Maar dat is het niet. De uitzuiper, wil zich niet voor niets zo snel mogelijk vol laten lopen, hij is de professionele opgever. Hij is vastbesloten niets meer van het leven te maken, volkomen zeker ervan dat hij niets anders dan onzin meer wil horen, dat hij geen enkele harde zekerheid meer wil verdragen en alleen nog boterzachte kletskoek kan en wil aanhoren. De uitzuiper is gewoon klaar met dit leven, hij maakt geen afspraak meer en zal die ook zeker niet nakomen, hij berust in de zekerheid dat wat hij hoort toch niet waar is, en hij wil ook helemaal niet weten wie er nu weer definitief is omgevallen. Uitzuipers zijn op, ze hebben genoeg van die rommel die wij samenleving noemen.

En ja, die kwamen en komen ook in café Beveren. Brave nette burgers, die het nodig vinden het onderscheid van hun standing en dat van de uitzuiper te benadrukken, gaan niet naast de uitzuiper zitten, laat staan zijn gezwets aanhoren. Ze laten hem meewarig lallen, en zijn blij hun ostentatieve superioriteit bevestigd te zien. Zij kunnen zich niet voorstellen dat het precies hun manier van zijn is die de uitzuiper gelijk geeft: als je godver toch zo moet worden, denkt de uitzuiper, dan kun je er beter nog maar een op nemen. Daarom gaan uitzuipers en nette mensen ook niet goed samen. De uitzuipers begrijpen wel wat nette mensen zijn, maar die nette mensen begrijpen niet wat uitzuipers zijn, en wel dat ze de spiegels van hun eigen bestaan zijn, de weergave van de rotzooi die ze van de samenleving maken. Ach zalige onwetendheid, poets het stofje van uw jas, de spuug van uw schoenen, en ge bent weer om te zoenen.

Vlasmarkt 4-6 
Vlasmarkt 4-6

Onschuldig huisje niet??

Het is het meest muisstille huis van de Vlasmarkt, volgens mij ook altijd geweest. De bewoners kwamen en gingen er in stilte, achter de gordijntjes nooit geen beweging te zien. Een eenzaam stil gezinshuis, zoals er verder geen op de Vlasmarkt staan, maar die wel een soort vertegenwoordigt waarmee alle buitenwijken van Antwerpen zijn volgeplempt en die vast 80 % van het totale woningbestand van de stad uitmaken. Op de Vlasmarkt passen geen gezinnen. Het meeste gebeurt daar op straat, niet achter de gordijnen. Elke burenruzie wordt daar honderdvoudig doorgeklept zodat alle Vlasmarkters er plezier van hebben en iedereen volledig onredelijk partij kan kiezen voor de ene dan wel de andere zijde. Maar in al die eengezinshuizen van de stad houden al die brave gezinnen alles binnen. De buren moesten eens weten. Iedereen let er goed op of de buren niet de verkeerde kleur gordijnen hangen, of de stoep wel geveegd wordt en de heg geknipt is zoals het hoort. Bewaakt wordt ook wie er op bezoek komt, en vooral hoe laat, en zeker ook wat voor schandalige kleren die aan hadden. Van groot belang is het zeker om te weten wat voor baan het gezinshoofd heeft, en of, bij gebrek aan een baan, wanneer die eindelijk besluit om weg te gaan om de buurt van de schande te verlossen.

Iedereen weet er ook altijd perfect naar welke dokter ge moet gaan, en naar welke school je kinderen moeten gaan om niet besmet te raken met de neerwaartse druk die donkere kindertjes nu eenmaal schijnen uit te oefenen.

Nee, voor bewoners van eengezinshuizen is de wereld gewoonlijk hartstikke duidelijk geregeld. Dat is op de Vlasmarkt niet zo, nooit zo. Niks is hier duidelijk geregeld, au contraire, het enige wat duidelijk is, is dat alles volstrekt onduidelijk is. Het enige wat er aan regel vast staat is dat er geen regels zijn. De Vlasmarkt is eeuwig bevangen van onrust, van bloedkloppende prikkels in de aderen, van een elektrische lading in de haren waar ze stijf van rechtop zouden gaan staan mocht je ze nog hebben, van een onophoudelijke gruwelijke onrust in de hormoontjes, van een onbedwingbare hoeveelheid agressie waar slechts nog een doelwit bij gezocht moest worden, van een soort permanente slapeloosheid, een insomnia die aangeboren moest zijn vanaf het moment dat je de Vlasmarkt betrad.

Nee, daar passen geen eengezinshuizen bij.

Vlasmarkt 8-10 
Restaurant

Vlasmarkt 8-10

Nee, dan zijn deze twee zo onschuldig ogende huizen toch heel wat anders. Die zijn echt wel des Vlasmarkts.

Het betreft hier het laatste bordeel van de straat. Vroeger in de naoorlogse vijftiger en zestiger jaren, schijnt de Vlasmarkt helemaal vol te hebben gestaan met bordelen maar zoals dat gaat in deze tijden van puritanisme praten oudgedienden daar niet graag over omdat ze dan de verdenking wekken daar zelf graag en veel te hebben verbleven.

Van dat probleem had de basketbalcoach geen last, zoals die trouwens zich sowieso niet veel kon voorstellen bij het woord ‘problemen’. Hij was in zijn jonge jaren betaalmeester geweest in het leger en daar bij pensionering niet bepaald onbemiddeld uitgekomen (het leger betaalde kennelijk toen kleine fortuinen uit). Met zijn franken moest hij wat doen, en zo kocht hij eerst die verdomde molen in Brecht en daarna op de Vlasmarkt nummer 23, huis De Haen. Maar ook al vond hij het leuk om op het Jansvlietje naar het basketballen te gaan kijken, toch was dat niet genoeg voor zijn energie en in 1977 richtte hij samen met een bevriende tandarts een wijn- en drankenhandel op, De Grote Gust geheten. En met dit instrument gewapend stortte hij zich niet alleen in de wijn en bieren (ook al deed hij dat ook overvloedig) maar vooral in de branche van het vastgoed, waarvan hij, zoals later bleek, echt geen verstand en nog minder aanleg voor had.

Guy sloeg als een zakelijke amokmaker om zich heen. Tal van panden en pandjes passeerden half of helemaal zijn handen en aan sommige, zoals wat hij het kleinste pandje van Antwerpen noemde – anderhalve meter gevelbreedte - , bleef hij ongelukkig plakken. Maar wat hij zakelijk wanpresteerde haalde hij met zijn charme wel weer in. Hij deed een vriendin op die weduwe was van een grote aannemer die flats had gebouwd naast de ring, en zij had de franken die hij zelf verzuimde te verdienen, en als gevolg van dit succes was het wekelijks groot feest.

Zijn meest roemruchte feest, waar hij zeer prat op ging, was het slotfeest van het bordeel in dit huis. Volgens hem was hij gedurende het verloop van die feestdag gedwongen geweest de tap over te nemen, wegens kennelijk onvermogen van de ingehuurde barkeeper, en was het feest uitgemond in een bad van alcohol, kant en veel vlees, waarvan het enige concrete detail dat hem nog bijbleef het gegeven was dat werkelijk niemand van de aanwezigen de volgende dag nog had kunnen uitleggen wat er nu eigenlijk precies gebeurd was. De weduwe, zei hij, had alles betaald.

Na dat festijn braken er ongelukkige tijden aan voor het gebouw. Het werd bovengronds gruwelijk uitgewoond, zo erg dat het in 1996 al lang niet meer mogelijk was in het rechterdeel te wonen wegens het gevaar dat je door de vloer zakkend in een bord soep van het ondergelegen restaurant zou belanden.

Dat restaurant behoorde toe aan een uitbater die bekend stond als nonkel Guy, een notoire nazi. Hij kon zich geen groter genoegen bedenken dan de kranten uitpluizen om die diersoorten te vinden die als bedreigd werden bestempeld en waarvan de vangst strikt verboden was, om die dan uitgebreid op zijn menubord en menukaart te zetten, waarna hij het menubord op de stoep aan de straat zette. Nou lijkt dat een ramp voor die arme dieren, maar dat viel eigenlijk wel mee, want klanten kwamen er nauwelijks en die hadden gelijk ook. Guy kookte namelijk achter die twee witte deurtjes die je daar rechts op de foto ziet, en daar lag toen nog geen vloer in en kon je enkel zand vinden, waarin hij een tafeltje had gepoot waarop een driepits gaskomfoor stond. Was wel makkelijk, want als er eens iets uit een pan viel in het zand hoefde je alleen met je schoenpunt wat grond om te woelen en het was weg. Maar met hygiëne had het niet veel te maken, en ik denk dat veel Vlasmarkters nonkel Guy ervan verdachten ook wel eens gevangen ratten als zeldzame Saharakonijnen te verkopen. Alla, die ging natuurlijk in faling.

Maar faling is in België niet wat het is. Normaal betekent een faling dat ge uw schuldeisers niet kunt betalen, zodat er een curator komt die alles gaat uitverkopen wat het gefaalde bedrijf bezit, waarna ge de rest van uw leven moogt sappelen om de resterende schulden terug te betalen. Maar dat geldt enkel voor fatsoenlijke mensen, en nonkel Guy pretendeerde absoluut niet bij de fatsoenlijke mensen te behoren. Dus was alles allang weg voordat er überhaupt een curator was gearriveerd, waardoor die natuurlijk bij gebrek aan baten erg snel met de afwikkeling rond was, waarna nonkel Guy het pand weer terug huurde en vrolijk zijn oude nering verder zette. Ik denk dat er in landen als Frankrijk en Duitsland dan toch snel allerlei morele mechanismen in werking zouden zijn getreden, maar dit is Vlaanderen en daar kennen ze zoiets niet. Nonkel Guy werd bijkans met gejuich terugontvangen.

Zijn leveranciers dachten daar alleen toch iets anders over. Niet dat ze last hadden van moreel besef, maar wel van financieel besef, en deze figuur was toch wel iemand die je met recht een dubieuze debiteur zou kunnen noemen. Nonkel Guy kreeg gewoon niet meer geleverd. Zo duurde zijn tweede poging tot ondernemen niet meer dan enkele maanden, en daarna was het definitief gedaan.

Na nonkel Guy heerste er geruime tijd een oorverdovende stilte rond het pand waarvan de rechterhelft nu bijna op instorten stond. In het linkse stuk woonde op de bovenste twee verdiepen Roxanne, al dan niet in gezelschap. Haar broer, die aannemer van beroep was, had voor haar de boel ingericht en verbouwd, inclusief een terras op het dak, waarvoor hij vreemd genoeg vergeten was een vergunning aan te vragen (de restanten ervan steken er nu nog armetierig in de lucht). Roxanne hield wel niet van alle mannen (alhoewel wel van vele) maar wel van haar huis en haalde haar broer over het voor haar te kopen op de openbare veiling, die gehouden zou worden in het notarishuis, omdat de eigenaar de problemen zat was geworden.

De dag van de veiling was daar en alle gegadigden, waaronder wij, zaten in een te klein zaaltje bijeen om hun geluk te beproeven. Het bieden begon en ging van links naar rechts in het zaaltje, maar naar onze smaak al snel veel te hoog zodat wij er verder het zwijgen toe deden. Dat had de broer van Roxanne tot dan toe ook gedaan, maar nu begon hij plots mee te bieden. Enkele keren kwam het tot een eerste maal, tweede maal, maar elke keer overbood hij. En toen kwam er het beslissende onvermijdelijke moment aan waarop de tegenstribbelende bieder nog een keer overbood, en Roxanne’s broer daar nog eens overheen ging. ‘ Nu is het gedaan, dachten wij. ’Roxanne en haar broer keken al zegevierend rond, terwijl plots de deur openzwaaide. Een Chinees stormde binnen en ging zitten op de eerste stoel die hij vanaf de ingang vond, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Éerste maal’ zei de notaris en keek vragend rond. Volgens mij dacht de Chinees eigenlijk alleen dat hem gevraagd werd, wat hij kwam, doen want hij stak onmiddellijk zijn hand op om zich te melden. Maar 20 seconden later bleek wel dat hij het huis gekocht had voor de ongelofelijke prijs van 8,5 miljoen franken. Roxanne woedend, broer hevig geschokt, maar ja, hij was gewoon niet de sterkste of, liever, de minst domme gebleken.

De Chinees bleek het hele huis nog nooit gezien te hebben, en toen hij in zijn Mercedes aan was komen rijden, was hij duidelijk niet bijzonder onder de indruk, om maar een extreem eufemisme te gebruiken. De verbouwing duurde zowat een jaar, en toen was hij er ook in geslaagd Roxanne uit te drijven.

Maar het was wel de redding van het gebouw, want de Chinees had wel de financiële kracht om het gebouw weer op de been te helpen. Daarna was het weer goed bruikbaar, met een 8 appartementjes en een mooie restaurantruimte kon er weer wat gebeuren.

Allereerst begonnen een drietal Grieken, twee ex-werknemers van de Twee Atheners, en een prima kok, hier hun restaurant en dat liep bijzonder goed. Maar het was hard sappelen, dat was wel duidelijk.

Wat er precies gebeurd was tussen de drie is nooit uitgelekt, maar op een gegeven moment na een jaar of drie kondigden ze aan te stoppen en daarna verdween de kok van de Vlasmarkt, zoals zovelen zonder reden of bestemming. Het einde van het zoveelste Griekse etablissement.

Na een korte periode van stilte verschenen dan Jasmina en Carolina, Poolse dames die van wanten weten. Naar men zegt kochten ze het gebouw, en de combinatie van verhuur en restaurant betekende voor hen de mogelijkheid voor een rendabele exploitatie. Ze zitten er nu al jaren, serveren professioneel (diploma’s koksschool aanwezig hoor) allerlei gerechten van goede kwaliteit, en zijn er zo te zien redelijk tevreden.

Zo is het gebouw net en respectabel geworden en is het zijn roerig verleden vergeten. De rauwe randjes van de oude Vlasmarkt passen hier niet meer.

Vlasmarkt 12 
De Stoempot

De Stoempot Vlasmarkt 12

De Stoemppot. Dat is niet de naam van het huis, zoals wij eerst dachten, maar een gerecht dat wij, die Xenos oftewel ‘vreemd’ in onze soortnaam hebben, natuurlijk niet kenden terwijl alle normalen, d.w.z. Vlamingen, dat direct begrepen. Stoemp staat in dit geval voor de xenotische uitdrukking ‘stamp’, waarmee in de ruwe uitdrukkingsvormen van vreemdelingen wordt bedoeld dat op het gerecht uitvoerig gestampt is, terwijl normale mensen weten dat erop gestoempt is. Hoe dan ook, wat men daarmee wil zeggen is dat de bereider van dit gerecht alle ingrediënten bij elkaar in een pot doet en dan daarop net zolang beukt totdat de ingrediënten volledig vernietigd zijn en er werkelijk niets herkenbaars meer over is, en alles een onherkenbare brij is geworden, wat in elk land van de wereld verder als voedselmishandeling of ‘waste’ zou worden aangemerkt maar in dit land wordt geconsumeerd (dus echt met volle scheppen naar binnen wordt gelepeld), en door sommige volstrekte dwazen zelfs als lekker wordt aangeduid.

Het lijkt eigenlijk in zich het meest op een poging om diversiteit te vernietigen en alles tot een homogene massa terug te brengen, en dat paste eigenlijk wonderwel bij de maatschappelijke opvattingen van de uitbater, die een zichzelf tot het Vlaams Blok (later Vlaams Belang) bekennende aarts-normale of aarts-Vlaming was, van nature wel te verstaan, als lid van het ras dus. Hij was in de Stoemppot beland omdat, naar men zei, zijn schoonvader hem een dermate sukkel van een echtgenoot voor zijn dochter vond dat hij het veiliger had geacht hem in een onschuldig middenstandszaakje weg te zetten waar hij zo weinig mogelijk kwaad kon en zijn dochter goed op hem kon passen.

Dat is het recept bij uitstek om zo iemand het café in te drijven waar hij tenminste aan de huiselijke dwangarbeid kon ontkomen, en dat deed deze raszuivere Vlaming dus ook. Hij was vrijwel dagelijks in de Ware Jacob te vinden en putte zich dan uit in woordenwisselingen met de abnormalen over de verfoeilijke wijze waarop heel de wereld zijn ras behandelde. Wij wezen hem dan wel eens op wat tegenstrijdigheden, zoals het feit dat het bestaan van zijn ras als culturele minderheid voor hem een reden was alle culturele minderheden in Vlaanderen te willen bestrijden, omdat ze leden waren van culturele minderheden. Dan wond hij zich hevig op en verliet soms schuimbekkend het etablissement, maar van opvatting veranderen deed hij niet.

Er is iets raars met dit soort racisme dat zich vermomt als nationalisme. De formele doelstellingen van deze mensen wijzigen nogal eens. Dan weer zijn ze voor aansluiting bij Nederland, dan weer gaat het over immigratiewetten, en een volgende keer voeren ze plots campagne tegen Europa, en daarna zal het weer over iets anders gaan. Het lijkt alsof het officiële politieke doel de aanhang eigenlijk niet interesseert. Als je in Antwerpen de vergissing beging als niet-normale De Leeuw van Vlaanderen binnen te gaan, was de enige zekerheid niet waar de discussie over zou gaan, maar wel dat je er met een bloedneus weer uit kwam. Aanhangers van het blok hebben geen politieke doelen, ze hebben enkel vijanden. Er is een absolute obsessie onder hen om mensen voor zich te hebben die ze mogen attaqueren, die ze iets aan mogen doen, die ze mogen haten en verketteren. Wat daar voor redenen voor opgegeven kunnen worden is hen om het even, als de haat maar mag. En dan zeggen ze natuurlijk geen nazi te zijn, wat een verplichting is sinds de repressie. Ze dragen ook geen ss-uniformen en ze hebben nergens verborgen gaskamers staan en zo, maar het nazi-racisme is onder de aanhangers wijdverbreid. Haat is blijkbaar een prettig gevoel, geeft voldoening op een of andere manier. Het is haat om de haat, om de voldoening die het geeft mensen te haten. Wij ervoeren dat als we weer zo een malloot tegen het lijf liepen die je uitgebreid begon uit te schelden omdat je Hollander was en dan voldaan weer vertrok; het is een soort verbale zelfbevrediging, een onanie literaire.

De Stoemppot heeft het bestaan toch lang volgehouden, want stoemp eten is best populair bij de Vlamingen. Toen onze Blokker het had opgegeven deed hij de zaak voor - uiteraard veel te veel - geld over aan een arme jongen, die er daarna jaren over deed om de veel te hoge overnameprijs terug te verdienen, maar daarna toch roemloos failliet ging.

Daarna was het fut uit het pandje. Broodjeszaak na broodjeszaak passeerde, maar het kwam allemaal tot niks. Zoals je kunt zien staat het ook op deze foto weer te huur. De handelsruimte is eigenlijk te klein, en de locatie is ook niet erg winststimulerend gebleken en dan gaat dat zo.

Vlasmarkt 14 
Het Spaans Restaurant

Vlasmarkt 14

Dit is nog steeds een Spaans restaurantje zoals je kunt zien. Ooit begon daar een charmeur en volbloed fanaat daar plots keihard werkend een Spaans eethuisje. Het liep in no time als een trein en iedereen op de Vlasmarkt zag dat zich hier een goudmijn begon te openen. Dit kon niet meer stuk.

In het leven kan alles stuk!

Onze charmeur hield van motoren. Vrouwenliefhebbers kunnen op een of andere manier maar moeilijk de charme van een fraai vormgegeven benzinetank onderscheiden van die van ronde vrouwelijke vormen. Hij adoreerde een felrode Ducati en die nam gruwelijk wraak voor deze vergissing. Hij raakte betrokken bij een ongeval, dat hem voorgoed zijn gezondheid kostte. Tragisch, we hebben nog weken lang geprobeerd zijn broer, die de zaak probeerde te redden, iets of wat moreel te steunen, maar het mocht allemaal niet baten. Er verscheen geen herstel aan de einder en onze charmeur was gedoemd voor eeuwig hopeloos onmachtig te blijven. Zijn broer gaf het na verloop van tijd op en sloot de zaak. Zowaar een einde waar niemand op de Vlasmarkt aan had bijgedragen.

Daarna verscheen ook hier Jannie Agapios met een goed geplaatste hopeloze onderneming. Hij had zijn keukenpersoneel dat door het rook- en eetverbod in cafés werkeloos dreigde te worden aangeboden op zijn kosten in dit huisje een eetgelegenheid te beginnen. Alleen moest je bij Jannie nu eenmaal niet geloven dat zijn kosten werkelijk zijn kosten waren. Hij betaalde gewoon de huur niet en na verloop van tijd had de huurbaas er genoeg van en ging de stekker eruit. De zo geloosde werknemers namen hem dat uiteraard fors kwalijk, maar dat hielp natuurlijk allemaal niks. Het was simpel einde verhaal.

En dan nu weer terug een Spaans restaurant. Ik vind het eigenlijk wel een mooi eerbetoon aan die eerste man, die charmeur, die zo’n brisant begin had gegeven aan dit Spaanse eethuisje.

Vlasmarkt 16 
Huize Benabid

Vlasmarkt 16

Huize Benabid, dat niet zo heet, maar de familie die er woont, woont er al zo lang dat het volkomen terecht is om het huis naar hen te noemen. Het is een overbekend pand in de wijk, omdat dit de grote brocanteur bij uitstek van de wijk is en altijd was. Brocanterie is ooit big business geweest in Antwerpen. Heel de Vrijdagmarkt en heel de Kloosterstraat zat in de zeventiger en tachtiger jaren vol met brocanteurs en kopers kwamen uit de US, uit Japan en het Verenigd Koninkrijk en natuurlijk ook uit Nederland. Iedereen kwam hier zijn spulletjes zoeken, soms met idee iets van waarde te kopen en vaak ook met idee om te snuffelen in de rommel en te kijken of daar voor heel weinig geld toch een antiek gadget in te vinden was. Dat gegraai en gesnuffel maakte eigenlijk de charme van de brocanterie: met je handen door dozen vol stripboeken en huisraad gaan, met verbazing de idiote blauwe en roze namaakporseleinen spullen langs zien gaan, stoelen waar je doorheen kon zakken en kasten die maar niet enig evenwicht konden vinden.

Op de Vrijdagmarkt, waarnaast ook de deurwaarders in beslag genomen boedels verkochten, en waar ook Ambères een tweede verkoopzaal had gevestigd voor ‘minderwaardige’ spullen (Ambères is verder een heel sjieke en dure veiling) was in het midden een pleintje waarop twee veilingmeesters alles te koop aanboden wat maar denkbaar was, en waar het voor de minder gegoeden onder ons mogelijk was een paar stoelen, een fiets, een bed of een kast te bemachtigen. Voor een paar euro kon je daar heel de uitrusting kopen die nodig was om je vorige relatie te ontlopen of om een razende huurbaas weer met de rotzooi achter te laten. Wat minder zichtbaar was, was dat ook huize Benabid en de brocanteurs van de Kloosterstraat veel spullen herbergden die hier hun oorsprong vonden. Er ging gewoon erg veel om rondom de vrijdagsmarkt.

Veel spullen, vooral de duurdere, werden vaak vrijwillig ingebracht door particulieren, vooral erfgenamen die snel van de boedels van de overledenen af wilden. Maar er kwamen ook veel spullen doordat de veilingmeester als nevenberoep het ambt van verhuizer en sjouwer hadden, die door deurwaarders werden ingehuurd om in beslag genomen inboedels proper te doen verdwijnen. Die boedels kwamen langs allerlei wegen dan op deze markt en op de veilingen.

Als ergens het serieuze bieden begon, vooral bij de deurwaarders en Ambères, dan stonden de handelaren en winkeliers vooraan en wisten precies waarop te bieden (wat vooral kwam omdat ze stiekeme voorrechten hadden om spullen vooraf te keuren en soms zelfs voor de veiling al weg te slepen). De goede spullen gingen zo naar de handel, de rommel voor een klein prijsje naar particulieren.

Op het plein ging het er anders aan toe. Het publiek, waaronder ook altijd veel mensen van niet-Europese herkomst waarvoor dit een uitgelezen gelegenheid was zo goedkoop mogelijk huisraad te verzamelen, verdrongen zich om de uitgestalde waren en werden dan formeel tegengehouden door een gespannen touw, dat ze regelmatig slinks probeerden los te maken. De bedoeling was het dat steeds naar een artikel werd verwezen en dat je daar dan een getal over kon roepen, en dat als jouw getal het hoogste was, de veilingmeester naar jou wees en ‘geluk’ riep en dan was het artikel van jou als je de 20% opslag ook maar betaalde. De veilingmeester stond in het midden te brullen en als de belangstellenden teveel opdrongen begonnen de hulpjes van de veilingmeester die fervent weer terug van het midden af te kloppen. Uiteraard was daar wel politie bij aanwezig maar die vervulden enkel hun taak, d.w.z. aanwezig te zijn. Iets anders stond er kennelijk niet in hun functieomschrijving.

Rondom het pleintje waren en zijn talloze cafeekes die een goed deel van hun bestaan danken aan deze markt en waar de meer serieuze zaken worden gedaan, waaronder het van tevoren regelen van het biedproces zodat niemand echt teveel zou moeten betalen, en waar je dan als particulier niet doorheen moest fietsen, want dat kon pijnlijke gevolgen hebben.

Het was een fraai gebeuren, een mechanisme waarmee de samenleving als het ware waste voorkwam: alles wat financieel verloren ging kreeg zo als het ware weer waarde terug en kwam opnieuw in de economische circulatie terug. Het is als het ware de achterkant van de geldeconomie: dingen verliezen in het economisch verkeer door het maleur van hun eigenaren financieel hun waarde en dan wordt er op deze manier gewoon weer een waarde opgeplakt.

Nu, toen wij aankwamen op de Vlasmarkt wisten we daar natuurlijk niets van. Het enige wat we zagen was dat er twee dagen in de week een breedgeschouderd groot meisje met golvend zwart haar door de straat een brede stalen handkar voortduwde en dan verdween in de Hoogstraat, om daar vervolgens na enkele uren uit terug te keren, maar nu met haar handkar hoog opgestapeld met alle mogelijke spullen. Dat was Lila, de dochter van de familie die bezig was haar voornemen uit te voeren dat inhield om de zaak en de familie die haar vader had achtergelaten eigenhandig te redden en weer op te bouwen. En dat is ook precies wat ze met ijzeren volhardendheid gedaan heeft. Sporadisch geholpen door broers en zussen maar altijd bijgestaan door haar moeder sjouwde Lila alles af en aan. Met de handkar, toen met een kleine oude bus, toen met een nieuwere kleine bus, toen met een grotere bus, en toen met een nog grotere bus. En eerst kwamen er allerlei passanten binnen, en toen de collega-handelaren , en toen de buitenlandse handelaren, en tegenwoordig gaat het met hele vrachtwagens.

Vroeger besloeg de handel een stuk van de voorruimte en was daarachter een dreigende ruïne waar op de bovenste verdiepen de plafonds naar beneden hingen. Het was de achtergelaten misère van een vroegere scheepsverlader uit de tijd dat de havenactiviteiten nog voor de Waterpoort voor de vlasmarkt plaats vonden. Dat was allemaal allang weg en het pand was zo in verval achtergebleven, totdat de Benabid-familie het kocht. Het voorhuis was weliswaar bewoonbaar (daar woonden moeder en Lila zelf) maar het enorme achterhuis was feitelijk onbruikbaar .

Dat is alles veranderd Alles is gerenoveerd en nu in gebruik, deels voor bewoning.

De Benabid -familie is een voorbeeld van een geslaagde familie-onderneming, maar wel een die helemaal door een familielid werd opgebouwd.

Vlasmarkt 18-20 
Het Zwanenpand

Vlasmarkt 18-20

Het Zwanenpand wordt het genoemd, naar de gouden zwaantjes die trots boven de ingang prijken. Het was het bezit van de een voorheen Franstalige familie.

Het is het gebouw bij uitstek in de straat waarvan je werkelijk met de tranen in de ogen moest aanzien hoe werkelijk weergaloze schoonheid gewoon door verval kon vergaan.

Het gebouw bestaat aan de straatzijde uit een grote en circa 16 meter diepe voorbouw in drie lagen. Op het eerste verdiep woonden vroeger de eigenaars in een werkelijk schitterende woonruimte waarvan de salon langs heel de voorgevel liep in de vorm van een driedelige kamer-en-suite met zijkamers, waarin waarschijnlijk bij bezoek de vrouwen afgezonderd verbleven, zoals toen de cultuur voorschreef. Aan de achterzijde een reeks van kamers. Op het tweede verdiep verbleef het huispersoneel, dat daar kon komen doordat dit huis een unieke diensttrap heeft die leidt van gelijkvloers naar tweede verdiep zonder uitgang op het eerste zodat ze niet onverhoopt de privacy van de huisheren konden verstoren.

Op het gelijkvloers links van de straat af gezien zat vroeger (toen wij arriveerden) een Italiaans restaurant dat een zeer ongebruikelijke extreem hoge huurprijs betaalde, waarvan wij al snel begrepen dat ze zelfs onder tafel nog moesten bijbetalen om zoveel te mogen betalen. Voor onze toen nog brave Hollandse ogen was dat onbegrijpelijk. Uiteraard waren de zeer sjiek ogende Italiaanse gerant, met grote snor en geplakt haar en een soort jacquet, en zijn extreem serviele personeel indrukwekkend en zouden zij ongetwijfeld goede revenuen incasseren voor de geserveerde gerechten, maar de huur was dermate extreem dat het toch als een soort broodroof uit eigen portemonnee of als zeer extreme naïviteit, dan wel potverteren overkwam. Het raadsel werd minder groot toen na een jaar van onze aanwezig-heid ineens op een zaterdag een vrachtwagen verscheen, waarin de hele inventaris verdween waarna nooit meer iets van de gerant en zijn staf werd vernomen. Het bleek alras dat de totale bezetting zo hals over de kop de benen had genomen nadat kennelijk ergens een slaapdronken politieambtenaar een fax uit het voor hem staande apparaat had zien rollen waarin om aanhouding van de voltallige equipe wegens lidmaatschap van de Italiaanse maffia werd gevraagd. Dat maakte direct duidelijk dat de hoge huur niet voor niks was, want iedere illegaal moet nu eenmaal nu en dan witwassen. De groep werd duidelijk bijtijds getipt en verdween schielijk, naar later bleek trouwens naar niet erg ver.

Op het eerste verdiep verkeerde een horeca-echtpaar dat gek was op uitbundige feesten en iets minder op het noeste werk van goed koken. Die eerste verdiep verkeerde toentertijd in zo een staat van aangenaam verval: het behang vertoonde weliswaar aandrang zich op uw hoofd om te krullen maar iets onduidelijks weerhield het nog juist daarvan, mogelijk de imposante dreiging van het donkerbruin berookte plafond. De kok in spe (verder bracht ie het naar mijn idee nooit) verkeerde in een zijkamer waar hij met hoorbaar gevloek poogde iets wat tussen het stadium van pakje en gerecht bereid had moeten worden in een zwiep op een bordje te laten landen, wat herhaaldelijk hopeloos mislukte. Het was een volstrekt hopeloos geheel en zou ook nooit iets hebben opgebracht, ware het niet dat elk soort feestje door de uitbaters werd toegejuicht. Het kon dan ook gebeuren dat, als het feestje weer eens abordeerde, dat wil zeggen gruwelijk uit de hand liep, er benen en armen uit de ramen kwamen bungelen en frisse wijn over de hoofden van argeloze voorbijgangers werd gesprenkeld onder het uiten van luid en onverstaanbaar gebral. Zulke feestjes mogen leuk zijn, maar goedkoop zijn ze niet, zeker als het aan het brave echtpaar lag. En voor zulke dure feestjes zijn er niet al te veel gegadigden zodat deze uitspanning al snel het leven liet en de uitbaters zoals te doen gebruikelijk met de staart tussen de benen zijn verdwenen en nooit zijn weergezien.

Achter het voorgebouw stond een voormalig magazijn in twee vleugels van drie lagen hoog, van een bescheiden soort baksteen, waarin de eigenaar gedacht had zijn culturele pretenties hoog te vieren. Er werden kaderkes vertoond en allerlei soorten pottekes en dat alles toonde vooral dat de eigenaar het bestaan vermoedde van een mensensoort met een extreem laag IQ en een bijzonder dikke porte-monnaie, waarvan hij helaas moest ondervinden dat dat vermoeden geheel en al ongerechtvaardigd was. Er werd zelden iets verkocht. Na al deze avonturen had de uitbater er genoeg van. Hij deed een nauwelijks serieuze poging het pand met wat verf weer op te kalefateren en zette het toen te koop.

Ik behoorde tot de geïnteresseerden. Zijn uitleg van de verkoop was dat hij de successie voor zijn kinderen moest zien te regelen voordat de fiscus zich zou vertonen en het daarom van de hand moest doen, wat een impliciete uitnodiging inhield het nodige in het zwart te regelen. Ik ben een slechte mens en daarom liet ik hem rustig wat doorvertellen. Hij was duidelijk erg trots op zijn werken gedurende zijn leven. Hij had, zo zei hij, vooral kapitaal vergaard door reinigingswerken in kostbare gebouwen als de Pauluskerk, door daar met goedkope maar ongeoorloofde middelen reinigingen uit te voeren tegen vergoedingsprijzen die op duurdere middelen waren afgestemd. In het toezichtsloze Antwerpen kon je daar veel geld mee verdienen en dat had hij dan ook gedaan. Het Zwanenpand was nu zogezegd het zakcentje voor zijn kinderen. Zelf wilde hij van zijn opbrengsten eindeloos met vakantie vertrekken.

Het werd geen deal maar later is het verkocht aan de huidige bewoners, die de etalages aan de straat door verhuren, deels aan Little Buddha, een commerce in oosterse brocanterie die daarvoor aan de overkant in het pand van de Wallendaals had gezeten, deels aan een juwelenetalage waar je nooit iemand ziet.

Vlasmarkt 22

Vlasmarkt 22

Dit pandje is de speelbal van de straat. Er gebeurt alles mee wat god zich niet heeft kunnen voorstellen bij de aanvang van de schepping.

Toen wij begonnen op de Vlasmarkt was de zijgevel (van de straat af gezien rechts) onmiskenbaar niet meer aanwezig waardoor die ruimte een geheel was gaan vormen met de linkerzijde van het zwanenpand, waar toen de Italiaanse maffia zetelde. Uiteraard mochten wij er gerust van uit gaan dat daar keurig een vergunning voor was aangevraagd op al dan niet legale wijze. In elk geval durfde na het vertrek van la familia hier niemand meer zijn intrek te nemen, en dus besloot de eigenaar dat het dan toch maar beter was de muur er weer terug in te zetten. Toen dat gebeurd was en er niets gebeurde zijn we zelf op zoek gegaan naar de eigenaar in het voorzichtige vermoeden dat die misschien wilde verkopen. Nu, dat bleek verre van eenvoudig. Kadastrale opzoekingen leidde tot niets dan allerlei schimmige bedrijfsnamen waar op de betreffende adressen niemand enig idee had waar wij het over hadden als het betreffende pand genoemd werd. Uiteindelijk werden wij getipt over de juiste adressering van een steeds terugkerende naam en zijn we daarheen gereden, een gehucht pal naast Charleroi. Een bescheiden onopvallende villa naast een drukke doorgangsweg.

Ik ben gewoon uit mijn auto gestapt, ben naar de voordeur gelopen en heb aangebeld. Een jongeman met golvend zwart haar en een keurige kalfsleren holster met pistool deed open. Duidelijk, ik had het kunnen weten, de maffia was zelf eigenaar. Maar dan kun je nog wel kopen, en dus vroeg ik voorzichtig naar de interesse voor verkoop. De jongeman was uiterst aimabel en legde mij in onberispelijk frans uit dat zij graag wilden verkopen maar niet konden omdat de Belgische overheid daarop een of andere wijze, die wel indringend moest zijn, bezwaren tegen maakte. Geen verkoop dus, en ik was daar, eenmaal veilig buiten, bepaald niet rouwig om.

De bezwaren van de Belgische overheid raakten later blijkbaar gematerialiseerd, want op een gegeven moment waren er de bekende gele aanplakbiljetten waarmee de Vlaamse overheid duidelijk maakt dat een pand openbaar geveild gaat worden. Op de zittingsdag was het druk, want panden op de vlasmarkt zijn om mij onduidelijke redenen als belegging gewild. Er werd redelijk wild over elkaar heen geboden, maar op een gegeven moment ontstond er klaarheid toen duidelijk werd dat een blonde Vlaamse dame die pontificaal vooraan was gaan zitten, het pandje absoluut wilde hebben. Het ging daar dan ook heen voor , zoals meestal op veilingen, veel te veel geld. De dame in kwestie, die in de wijk de bijnaam ‘linke Lisa’ heeft, had kapitaal vergaard met de handel in pralinen, een van de neringen waar je toen in de Antwerpse binnenstad nog echt geld mee kon verdienen. Ze was alleenstaand, nou ja, wat heet, ze was niet met haar vriend getrouwd, en ze had wel een dochter die ze verzorgd wilde achterlaten, en voor haar kocht ze het huis.

Haar vriend deed er na de aankoop langdurige en grootschalige verbouwingen in, waarbij de scheidingsvloer tussen gelijkvloers en eerste verdieping sneuvelde waardoor er een vide met grandeur ontstond. Leuk idee, maar niet goed voor de verhuurbaarheid waar Lisa tot haar schade en schande al snel achter moest komen. Jaren hebben ze er voortgeploeterd, de ene huurder kwam, de andere verdween maar niks was bestendig. Uiteindelijk gaf Lisa het op en werd het opnieuw verkocht.

Tegenwoordig staat het leeg, zuchtend te wachten op de volgende argeloze die geheel zonder reden denkt er rijk te worden.

Vlasmarkt 24

Vlasmarkt 24

Dit onopvallende pandje vormde ons inwijdingsritueel bij de aankomst op de Vlasmarkt. Het was onze eerste nacht dat wij daar sliepen. Het zal midden in de nacht zijn geweest, een uur of drie of zo. Een daverende bons en enkele knallen maakten ons klaar wakker. Er volgde geschreeuw en het geluid van forse klappen met een eind hout of zo. Daarna een knal van rinkelend glas. Toen weer geschreeuw van allerlei mannen en weer duidelijke kletsen en klappen. Het leek ons niet heel verschrikkelijk wijs ons hierin te mengen, en bij het naar buiten kijken zagen wij niks zodat onze conclusie was dat dit duidelijk binnenshuis aan het gebeuren was. Het tumult zwol aan tot grote proporties en het leek alsof ze zo dadelijk door de muur bij ons naar binnen zouden komen vallen en toen klonken er sirenes en nam het geluid snel in volume af. Gewaarschuwd voor het minder serene karakter van Antwerpse politieoptredens waagden wij ons niet buiten om ons in het gewoel te mengen. Pas de volgende morgen zagen wij de sporen van wat zich had voorgedaan. Die bestonden uit twee houten platen waar de pui mee was dichtgetimmerd en vooral een hooggehakt damescowboylaarsje dat rechtop op het dak van een BMW voor de deur van het pandje stond. Het leek daar stil te staan mijmeren over de smarten die een leven toch kan bieden.

Na deze episode (we hebben die uitbater nooit leren kennen) werd het pandje opgevuld door een barretje van een dame met de welluidende naam Fatoki, die haar bar duidelijk enkel voorbestemde voor het bezoek van Afrikaanse mannen, waartoe ze de schamele toog omkleedde met een bamboemat. Ze beoogde ook wel eten te verkopen, maar gezien de ons bekende niet overvloedig aanwezige horecavoorzieningen hebben we daar ons leven niet aan gewaagd. Ook bij Fatoki kon het er ’s nachts heftig aan toe gaan, maar de ruit is er toen wel in blijven zitten. Het was haar blijkbaar niet opgevallen dat het op de Vlasmarkt geen Brussel was en dat het in Antwerpen echt niet wemelt van de Afrikaanse mannen, waardoor niet onlogisch ook haar etablissement het niet lang volhield. Ze heeft hetzelfde daarna nog een keer geprobeerd op Aalmoezenierstraat 4 en is daarna bij een vriend op de Vrijdagsmarkt gaan wonen, waarna ze uiteindelijk definitief verdween.

Vlasmarkt 32 
At last, Ons Huis

Zie ook pand naast Vlasmarkt 34 – ’t Cuveeke

De eerlijkheid gebiedt natuurlijk zelf niet buiten schot te willen blijven. Ons pandje nummer 32 hebben we bewoond van 1996 tot 2004, afgewisseld met verblijven in Frankrijk. Het was er leuk, we hebben veel gezien, veel mensen ontmoet en veel verhalen gehoord. Maar als je er woont onderga je meer dan je begrijpt. Het kwam allemaal over ons heen zonder dat we goed konden beoordelen wat er gebeurde.

Zo was er voor ons raam een grote parkeerplaats waar steeds bestelwagens kwamen staan, waardoor onze woonkeuken verduisterd werd en wij niks meer te zien hadden. Lila die verderop juist gebrek aan plaats voor bestelwagens voor haar pand had wilde graag dat de gemeente die plaats voor bestelwagens naar haar pand zouden verhuizen, dan hadden wij en zij tegelijkertijd een probleem minder. Iedereen blij gewoon. Ze organiseerde er zelfs een handtekeningenactie voor. Achteraf moet ik daar nog om lachen: een half-Marokkaanse die op de Vlasmarkt een verbetering voor haarzelf en voor een Hollander wil. Hoe naïef kon je zijn. Ze zullen op het schoon verdiep wel in een deuk hebben gelegen.

Maar toen wij wegtrokken en het gelijkvloers aan Erwin en Luc verhuurden (met de hulp van Charley Vallet), allen echte Vlamingen, en die een degustatielokaal genaamd de Copa Cava startten, toen bleek ineens dat ras toch heel belangrijk is. Erwin had wel de nodige connecties op het schoon verdiep, en - oh wonder - plotseling bleek het zelfs mogelijk een groots horecaterras te vestigen op de parkeerplaats voor ons huis. Erwin blij, wij blij (want het deed uiteraard de waarde van ons huis ook goed, al was dat zeker niet de bedoeling van het schoon verdiep), en de straat was weer meer opgefleurd. Erwin ging het daarna goed, iets te goed. Hij amuseerde zich kostelijk in de straat en zijn Copa Cava bloeide onverwacht goed, ook al was die eigenlijk alleen als degustatielokaal voor hun groothandel bedoeld geweest. Teveel welvaart is alleen ook niet alles en steeg Erwin naar het hoofd en naar wat andere organen, weshalve hij het niet zo geweldig meer begon te vinden, en toen zijn tentje wegens zijn gebrek aan enthousiasme wat begon af te zakken, deed hij het over aan Paul die het nu nog met groot succes exploiteert.

Paul is in de straat de verbeelding van wat NVA-mensen zijn. Hij is aardig en gematigd, houdt niet van groot kabaal en zeker niet van agressie en zou dus nooit aan een Vlaams nationale kant zijn gaan staan als die door het Vlaams Blok werd vertegenwoordigd. Maar het NVA is geen rabiaat-Vlaamse politieke groep, ook al spreekt de politieke en persoonlijke opstelling van De Wever wel vaak in de kaart van nationalistische agressievelingen, die zich dan ook vaak op hem beriepen als ze aankondigden dat ‘ze me wel zouden krijgen’. De hoofdvertegenwoordiger van het NVA in de wijk, Walter van het voormalige café De Faam in de Grote Pieter Potstraat was ook altijd de eerste om iedereen in redelijk overleg te brengen tot acties ten bate van de wijk, ook al mocht dat vaak niet baten. Het NVA is eigenlijk de beweging van de gewone gematigde man die zich niet kan vinden in de ophitserij waar de eigen burgemeester zich nu en dan aan bezondigt. Het is juist dat afzien van extremen dat de nieuwe lichting nationalisten verenigt, en de laatste tijd lijkt het alsof zelfs de burgemeester dat begint te begrijpen.

Maar wat je in het NVA en die nieuwe brave burgers mist is die hevige drang om rechtvaardig te zijn en mensen kansen te geven. Die drang bestond wel in Antwerpen. Er waren ooit (in 1867) burgers, weliswaar van een nu verdreven en onderdrukte minderheid die nu hun eigen taal niet meer in Antwerpen mogen spreken, de Franstalige en liberale Antwerpenaars van weleer, die het als hun taak zagen om iedereen kansen te geven, om op te komen voor de rechten van arbeiders, voor de emancipatie van Vlaamstaligen, voor de gelijkberechtiging van iedereen en die ook door hun streven het mogelijk maakten dat al die groepen aan de bak kwamen, dat Antwerpen een Vlaamse stad werd en arbeiders hun achterstelling kwijt konden raken . Zij zijn nu op hun beurt hun plek kwijt geraakt maar hun opstelling verdient waardering, nu nog, ook al rest er alleen maar dat kleine smalle poortje van op de Lange Koepoortstraat en die fraaie hoofdeditoriale column uit het eerste nummer van hun blad l Ópinion, bewaard in het Hendrik Conscience Erfgoedcentrum, die ik hier als eerbetoon aan het engagement voor de oprechte rechtvaardigheid afdruk.

EPILOOG

Wat je ook zegt van de Vlasmarkt en haar bewoners, het zal altijd tekort doen aan sommige van haar bewoners en sommige van haar gebouwen. Het is een allegaartje, waarin op het einde van de jaren negentig een donkerbruin gedachtengoed overheerste maar nu een vriendelijker en verdraagzamer geluid overheerst. De sfeer van illegaliteit die er altijd al was is er nog, maar daar zijn wel de scherpe randjes af. Mensen met pistolen zie ik er niet meer, en er is ook geen sprake meer van moorden en grote oplichtingen. De laatste daarvan werd op de vlasmarkt enkele jaren geleden gedaan door een Griek die zich ‘the captain’ liet noemen en een gepensioneerde patholoog-anathoom 58000 euro lichter maakte door hem een verhaal van een fictieve investering in een Griekse passagiersboot op te dissen, maar daarna is het met de grote truuks wel gedaan, en gaat het alleen over de gebruikelijke kleine zaken. De Vlasmarkt heeft tegenwoordig zelfs een straatvereniging van kleine handelaren, iets wat in de vroegere tijden van algemene oorlog van iedereen met iedereen ondenkbaar was. En vooral zijn er een aantal stabielere bedrijven zodat het niet meer een continu komen en gaan is van allerlei figuren.

Nee, de episode die in deze kroniek met wat personen, gebouwen en gebeurtenissen werd uitgelicht, is voorbij en zal zich zo niet meer herhalen. Mensen kwamen als vlokjes voortgeblazen door een onbestemde wind. Ze daalden eenvoudig bij toeval hier neer, konden er smelten of weer vastvriezen, of ook weer redeloos doorvliegen en door de wind gedragen in het donker verdwijnen om ergens anders, god weet waar, weer aan te plakken en mogelijk opnieuw te beginnen. Ze waren eigenlijk als een verhaal dat vervluchtigt in de tijd. Wat ze vertelden en deden moet allemaal niet te serieus worden genomen; hier werd geen geschiedenis gemaakt, hooguit geschiedenis beleefd. Mensen vertelden hun verhalen, soms waar, soms onwaar, en zoals ze verteld werden zijn ze hier in mijn kroniek beland. De vertelling wordt gevormd door de verhalen van hen samen, door wat zij hier beleefden. En daar hoeft niet over geoordeeld te worden, want een kroniek is geen plaats voor een oordeel en laat juist het oordeel over aan de lezer.

Dus, beste lezer, bekijk die vlokjes, bewonder hun kristallen en voel de koelte en de warmte die een sneeuwvlokje nu eenmaal tegelijkertijd kan hebben en treur niet als het in uw handen smelt: de tijd passeert nu eenmaal, en het is precies dat wat nieuwe avonturen mogelijk maakt. Dat is nu aan u.