PARABEL VAN HET LICHT

 

 

 

 

 

Uitgave van de Stichting Dubitatio Liberat

Gevestigd:

Vlasmarkt 23, 2000 Antwerpen, België

Correspondentie adres:

Oude Gracht 92a, 3511 AV Utrecht, Nederland

Informatie: ludov123@gmail.com

Website: www.dubitatioliberat.org

Verkoop en administratie: ORVA BV

Uitgave:

DL001, Antwerpen, 2015, ISBN 978-90-824645-04

digitale versie (ePub): 1.0, januari 2017 door Studea

© Stichting Dubitatio Liberat

Alle auteursrechten voorbehouden

Overnames dan wel weergaves van dit boek dan wel delen daaruit kunnen enkel plaatsvinden na instemming van de uitgever tevens copyrighthouder.

Alle uitgaven van de stichting Dubitatio Liberat zijn te lezen op de website www.dubitatioliberat.org. Papieren versies zijn op aanvraag leverbaar tegen kostprijs inclusief verzendingskosten.

EEN PASTORALE DIE ZIJN VERWERKELIJKING NIET MIS LIEP

 

Mijn boom is dood

De foto liegt niet. De boom staat in het midden, steekt in wanhoop zijn kale takken omhoog. Ik wed dat hij ook niet meer beweegt omdat er geen bladeren meer zijn die hem meevoeren, in machtige zwieren van links naar rechts, van voor naar achter.

Hij kreunde nooit. Hij fluisterde alleen maar.

En dat doet-ie nu ook vast niet meer.

 

Het is vijftien jaar geleden dat we voor het eerst zijn machtige aanzet zagen, tussen de kluwens wilde bramen waarin hij zich verstopt had. Twee potige, van schors tot stam verdikte, armen die uit de rots rezen rond een gapend gat tussen hen in; je kon in het gat zitten en omhoog kijken tot waar de armen zich sloten tot een stam en tot waar de boom langs de muur omhoog reikte tot voorbij de rand van het plateau, waar hij drie meter hoger fier bovenuit stak en met zijn eigenwijze grote takken alle kanten uit wees. De boom had gevochten met de rots, en ook al had het hem een gapende wond aan zijn voet bezorgd, toch had hij gewonnen.

 

Boven op het plateau stond een schuurtje tegen hem aan toen wij daar aankwamen. Toen we het schuurtje hadden weggebroken, keek-ie ons trots rechtop aan, maar het was een aanblik met een uitgestoken oog, want midden in zijn stam zat een enorme wond veroorzaakt door het schuren van de boom tegen het schuurtje. We hebben nog overlegd, zo van ‘hij gaat toch dood’ en ‘hij is ook schadelijk voor het huis’, maar hij was overduidelijk zo dapper geweest in zijn overlevingsstrijd, dat we hem gewoon niet konden omhalen.

Dus hebben we een pasta gehaald en op zijn wond gesmeerd en stil gehoopt en gewacht. Hij heeft er iets van begrepen. Jaar na jaar vormde hij lippen rond de wond en begon die langzaam in een vastberaden kramp dicht te knijpen. Het duurde tien jaar totdat hij eindelijk in een zelfvoldane laatste wringende beweging de lippen sloot tot een pruimenmondje, waarin geen gat meer te zien was.

 

Mijn boom was een dappere boom.

 

Gedurende de jaren van zijn herstel zaten we naast hem op het terrasje, eten, kletsen, uitkijken over de vallei naar de notenbomen en de kersenboom, waar de vogeltjes af en aan vlogen om ons voor te zijn in het kersen plukken. Dan keek hij goedkeurend op ons neer en fluisterde minzaam. En als ik dan eens bij wilde komen van mijn onrust ging ik op de balustrade zitten met mijn rug tegen hem aan. Dat was voor hem op tweederde hoogte van zijn stam, en daar bewoog hij veel, zodat ik in mijn rug zijn beweging voelde: al die krachten en krachtjes in hem die trokken en duwden en wervelden om de wind op te vangen, ermee aan de haal te gaan en vrolijk zijn takken rond te zwaaien. Ik voelde hem bezig en luisterde naar zijn gevoel. Dat was zo rustig, zo ontzettend kalm dat je het gevoel had te verzinken in een ondenkbaar bed van vrede, dat nooit meer weg zou kunnen gaan, dat mij altijd teder zou vasthouden en koesteren.

 

Maar nu is die vrede dood.

 

In de nacht van 14 op 15 januari 2015 brandde het huis, dat het middelpunt vormde van Les Lux, waar hij de vredige bewaker van was, af. Het verzonk in een wolk van as en puin. De brand was de bevestiging van een donker en angstaanjagend onderbuikgevoel dat ik al jaren op Les Lux had. Mijn boom was nu eenmaal niet alleen. Er was het huis, het bos en de mensen erom heen.

 

Bomen zijn nooit alleen.

 

Al de jaren dat ik op Les Lux was, had ik een geleidelijk heviger opkomend gevoel van onrust, een vage gewaarwording van ‘scheefheid’, een besef dat het leven er niet klopte. Ik kon niet precies de vinger leggen op de oorzaken van dat gevoel, maar ik twijfelde voortdurend aan de onvergankelijkheid van de droom die Les Lux was. Dat is niet zo eenvoudig essayistisch te verwoorden, er is geen rationele verklaring van toepassing. Ogenschijnlijk leefden we in vrede, maar toch...

 

Het was niet wat het was.

Wat het licht liet zien, was niet wat het duister verborg.

 

Het was me niet duidelijk wat ik met mijn onderbuikgevoelens aan moest. Eerst had ik geprobeerd intensief te participeren in de biotoop van Les Lux maar veel effect had dat niet. En de dreiging, die ik voortdurend onder de oppervlakte voelde, bleef ontastbaar aanwezig. Wat de mensen zeiden, dat zeiden ze niet. Wat ze deden, dat deden ze niet. De glimlach was een grijns, het antwoord een vraag. Wat moest ik, publieksschuw als ik ben en beroerd communicator, doen om mijn gevoel te vertalen? In wanhoop wendde ik me tot de stijlvorm die ik het minst kende: het verhaal. Niet een waar gebeurd verhaal, maar een verhaal als expressievorm, als verwoording van dat wat ik juist niet verwoord kreeg in rationeel onderbouwde discussies en betogen. In 2003 ben ik begonnen dat verhaal op te schrijven, met een ondertoon van ironie en cynisme, die er terloops in sloop. Het was naar mijn gevoel een parodie op de werkelijkheid – zo bedoeld dan toch - maar gaandeweg werd de parodie een parabel, de opgelegde naïviteit tot ervaren onmacht. Uiteindelijk werd het hele verhaal een mengsel van dit alles. Het raakte af en ik was niet tevreden en niet ontevreden. Ik wist niet wat ik ervan vond. Het was nooit voor publicatie bedoeld geweest, al was ik wel nieuwsgierig wat anderen ervan vonden en of ze het gevoel van onvrede herkenden. Het verhaal verdween naar de achtergrond en ik keek er niet meer naar om.

 

Maar toen verbrandde Les Lux. Het licht werd zwart.

Dat was een ongehoord onrecht, een vloek tegen de schoonheid, een schending van de vrede, een schande over ons mensen.

 

Daarom publiceer ik het nu wel. Uit protest over de dood van mijn boom, die nu, met zijn dode stijve en kale takken een stille oproep doet aan jullie om het paradijs en alle paradijzen van deze aarde te redden.

 

Maarten van den Oever

 

P.S. 1 De brief die afgedrukt is achter het verhaal is gestuurd aan Le Monde en kreeg nooit enige respons.

 

P.S. 2 De foto’s aan het begin en einde van deze uitgave tonen Les Lux in 2010 en Les Lux in 2015. De foto na deze inleiding toont mijn boom, op zijn plaatsje tegen de muur.

HET GEGEVEN

Plaats van deze historie:

het dal van Het Licht

De lotgenoten:

Boel
kleine voortvarende viervoeter met veel gebreken maar een onstuitbaar goed humeur.

Eileen
een tweevoeter, die veel geluk heeft in het leven behalve het geluk om ervan te genieten.

De Graaf
die dat niet is maar zich wel graag zo ziet, overigens ook als mens te beschouwen.

Garcia
waard en ecobouwer, groot van hart, maag en lever.

Mijnheer en mevrouw Roos
die zijn zoals ze klinken.

Joëlla
rond van buiten en hoekig van binnen.

Arend-Jan
het gezag (dat in de eerste plaats) en DE democraat (want dat is modern).

Bobo
een ondernemer in alles maar ‘contre Cœur’, en overigens op zoek naar de graal der integriteit.

De brigadier
het gezag zonder bijgedachten.

VOLGORDE

EPIPROLOOG

ETAPPE 1

Waarin Bobo Boel vindt

ETAPPE 2

Waarin Boel op Het Licht komt

ETAPPE 3

Het lot en wat daaraan te doen

ETAPPE 4

Verpozing

ETAPPE 5

Dierenliefde

ETAPPE 6

Monster

ETAPPE 7

Bobo valt

ETAPPE 8

Eileen

ETAPPE 9

De brand

ETAPPE 10

Finale

EPILOOG

Brief aan Le Monde

Verantwoording

EPIPROLOOG

Je kon het horen. Het knisperen van de takken en de bladeren, het zachte geruis. Die zucht bijna van een God die zich heel voorzichtig uitstrekte in de dalen, die het dal van Het Licht omringden: er kwam wind. Het gras boog zijn toppen, bloemen zwaaiden met hun koppen en op Boel’s kop bewogen de haren aan weerszijden van haar kuif zodat ze voor haar ogen kwamen.

Maar zij bewoog niet, scheen het niet eens op te merken.

Haar kleine gestalte tekende zich scherp af tegen het late zonnelicht, zoals ze daar zat op de top van de heuvel aan de rand van de vallei. Ze zat weliswaar rechtop, maar haar kop was wat scheef voorovergebogen met haar oren zo hoog mogelijk opgetrokken alsof ze iets zag bewegen voor zich in het gras, iets dat bewoog en haar intrigeerde, zodat ze ernaar wilde kijken en blijven kijken totdat het op zou houden met bewegen en ze er met haar poot aan moest komen om het weer te doen bewegen.

Ze zat al lang zo. Al uren. Haar staart lag stil achter haar.

Aan haar grote bruine ogen met de wijd opengesperde pupillen was de inspanning af te lezen waarmee ze in de diepte van de vallei onder haar keek, naar de kleine figuren die daar krioelden en de metalen dozen op wielen die daar stonden. Ze staarde alsof ze in die dozen door wilde dringen, in die figuren binnen wilde kijken. Alsof ze met haar ogen het blik wilde openpeuteren waarin het geheim van de ware toedracht verborgen moest zijn. Aan haar ogen viel af te lezen dat ze iets zocht, iets waar ze hartstochtelijk naar verlangde.

Maar ze had al lang zo gezeten, al sinds de middag, toen het gebeurd was. En nu begon zich in haar ogen een glimp van teleurstelling te vemengen met verbazing. Boel voelde een kilte opstijgen uit de wirwar daar beneden, een beklemming die haar terug wilde doen wijken van de rand van de heuveltop. Een onderdrukt gepiep ontsnapte haar terwijl ze plat ging liggen en zich in onbegrip vastklampte aan de rand van de klif, haar kop op haar voorpoten.

Een alles overheersende twijfel lichtte in haar ogen.

ETAPPE 1

Spinnen zijn natuurlijk maar spinnen maar voor een zo kleine hond als Boel met zijn drie maanden waren ook kleine spinnen groot. De spin die Boel voor zich zag, boven op de boomwortel waar ze zich achter verstopte, was zonder meer niet klein. De spin was juist te voorschijn gekomen. Niet gehaast maar rustig alsof ze een wandeling maakte en ze stond nu stil, een paar centimeter boven Boel’s angstige bruine ogen. Die ogen volgden haar gebiologeerd bij elke stap van haar lange poten. De spin bewoog alsof ze aanstalten wilde maken in de richting van Boel’s ogen te lopen. Boel schrok met een ruk terug tot de schok aan haar nek haar eraan herinnerde dat ze aan een kort touw zat.

Een touw dat het haar niet toeliet verder terug te gaan.

Het gevoel van paniek, dat haar beheerst had vanaf het moment dat de dikke man haar gisterenavond had opgepakt uit het nest, kwam direct terug. Ze slingerde haar kleine korte lijf heen en weer aan het touw om los te komen, totdat ze buiten adem raakte en ging zitten. Ze verlangde heftig terug naar het nest. Toch voelde ze zich ook daarin onzeker. Er was dreiging bij het nest. Ze herinnerde zich de pijn toen de dikke aan haar scheve tanden had getrokken met een tang en haar in haar staart had geknipt met een schaar en haar had geslagen op het moment dat ze terug in het nest wilde stappen. Ze rilde bij de gedachte aan die momenten en ging plat op de grond liggen, om zich te verstoppen voor de herinnering.

 

Nu, bij het daglicht, kon Boel zien hoe het er hier uitzag. De dikke had niet de moeite genomen om ver te lopen, want recht voor zich zag ze het talud waar de weg op moest liggen. Het kon geen belangrijke weg zijn want sinds gisteravond, toen de dikke haar hier vastgebonden, had ze bijna geen auto gehoord.

Naast Boel, tegen de helling van het talud, stond de boom bovenaan het talud, voor Boel’s gevoel enorm zoals ze er tegenop moest kijken om de bladeren te zien. Die bladeren leken eindeloos ver weg en schitterden in haar ogen door het zonlicht dat er door heen prikte.

 

Onderaan de boom was het kaal, maar de boomwortels staken krom boven de grond uit alsof de boom aanstalten had willen maken om weg te lopen en in die vorm was versteend. Rondom waren er takken van struiken met kleine lichtgroene blaadjes die wiegden op de wind en Boel verborgen hielden voor alle levende wezens waar ze zo bang voor was.

 

Ze ging rechtop zitten en stak haar snuit omhoog om de geuren op te snuiven.

Er was geen geur van herkenning, niets van het huis, niets van de andere honden en haar moeder, niets ook van de urinegeur die de dikke altijd om zich heen had hangen. Ze kon niets ontwaren wat haar bekend voorkwam. Ze was alleen en dat was een gevoel dat nieuw was voor Boel en haar een enorme angst aanjoeg.

Ze wilde het op een lopen zetten maar opnieuw sloeg het touw haar direct tegen de grond. Ze jankte nu voluit en stopte vervolgens haar snuit onder de wortel van de boom voor haar omdat ze wist dat ze niet mocht janken.

Zo ineengedoken, met haar kop onder de wortel, dommelde ze weg.

Het gebrom van de motor hoorde ze aanvankelijk niet maar het gepiep van de remmen drong wel tot haar door. Eerst dacht ze dat de dikke terug was gekomen maar ze hoorde dat het geluid anders was, zoals van de andere motoren die ze bij het huis wel eens gehoord had. Er ging een deur open en er was het geluid van voetstappen, die in Boel’s richting kwamen. Boel kromp verder ineen en probeerde helemaal onder de boomwortel te verdwijnen.

Ze wist zeker dat als die stappen in haar richting kwamen, er klappen en pijn zouden volgen en ze voelde opnieuw panisch de angst. De voetstappen kwamen dichterbij en stopten pal aan de andere kant van Boel’s wortel. Boel ontwaarde twee benen die recht voor haar ogen stonden en deed haar ogen dicht voor wat komen ging en boorde haar snuit zo diep mogelijk onder de wortel.

“Eindelijk,” zei een stem boven hem, “de eerste fatsoenlijke boom sinds mijlen” en direct daarop trof een warme vloeistof Boel recht op haar kop. Boel gaf een snerpende gil en schoot achteruit. Bobo, aan wie de stem en de urine toebehoorde en die in alle vrede naar zijn piemels’ productie had staan kijken, maakte een luchtsprong die voor het steile talud niet de meest geschikte beweging was. Hij kwam neer op de natte wortel, gleed direct onderuit, draaide om zijn as en landde onderaan het talud met zijn gezicht op de grond.

 

Het bleef enkele seconden stil na deze plotse eruptie van activiteiten op de voorheen zo vredige plek waarvan Boel gebruik maakte. Ze sprong naar de andere kant van de wortel omdat het haar daar nu veiliger leek.

“Godsammelazerus,” bracht Bobo uit. “Godsammelazerus,” zei hij nog eens, ”wat is dat nou?”

Hij hief zijn bemodderde gezicht op en keek omhoog naar de plek waar hij gestaan had. Voor zich zag hij een kromme over de grond gebogen wortel en daarachter een bos roodbruin haar waaronder nog juist de twee grootste bruine ogen te zien waren die Bobo ooit gezien had.

Boel bekeek de figuur die onder haar lag met afgrijzen. Een voor haar gevoel enorme man. Een lang zwart gezicht onder een bos zwarte krullen waarin nog juist een grote steile neus en twee ronde brilleglazen te zien waren.

Een lang mager lijf in een spijkerpak waaruit zijn geslacht bungelde, met daaronder twee oude leren laarzen.

Het bleef even stil tussen de twee totdat Bobo een hartgrondig gegrom uitstootte en overeind krabbelde. Hij borg zijn piemel op waarna hij twee stappen omhoog deed om te zien waar dat haar met die ogen bij hoorden. Boel, die haar snuit tussen haar poten verstopte, maakte geen grootse indruk zoals ze daar als een grote bol roodbruin haar op de grond lag. Bobo lachte en begon aan haar achterste te trekken: “Laat je nou eens zien jong, wat is dat nou?” Wat hij piepend tevoorschijn trok was een circa dertig centimeter hoge hond, behoorlijk langharig en roodbruin met flaporen die zo lang waren als de snuit. Midden in die snuit prijkte een roze neus onder de twee grote bruine ogen die hij al eerder gezien had. Het haar krulde wild alle kanten uit, behalve op de kop, waar het als door een keurige scheiding naar twee kanten naar beneden viel. Onder de nogal forse poten prijkten vier witbehaarde voeten, dezelfde kleur wit als het haar op haar borst.

 

Bobo was tevreden over wat hij zag, duwde Boel terug op haar achterste en probeerde haar recht van voren te bekijken. Boel keek angstig opzij en liet haar oren hangen totdat geschater van Bobo haar opschrikte: “Wauw, wat een fantastisch gebit heb jij!!” Nu keek Boel hem recht aan want het was duidelijk dat ze werd aangesproken en dat was ze niet gewend. Bobo bekeek bewonderend naar Boel’s snuit: uit het roodbruine haar van de grote snor met daarin de roze neus stak links voor een grote tand omhoog die over haar bovenlip heen trots in de lucht prikte en Boel het uiterlijk gaf van een vreemde menging van een bulldog met een cocker spaniel. Tegelijkertijd keek ze daarbij zo angstig onzeker dat het leek alsof ze bij voorbaat haar excuses maakte voor dit vreemde ivoren uitsteeksel opzij van haar neus.

“Dat is het echt,” zei Bobo. “Met zo’n tand kun je alleen maar míjn hond zijn; van mij zeggen ze ook altijd dat er wat scheef zit, je hoort gewoon bij me.” Hij pakte haar op om toen pas te ontdekken dat ze aan een rood plastic touw van ongeveer een meter vastzat. Eerst was Bobo verrast en toen bekroop hem woede. “Wat een hufters,” mompelde hij in zichzelf terwijl hij naar zijn zakmes grabbelde om het touw door te snijden.

In het vehikel met de ronde motorkap waarlangs twee ronde koplampen je aanstaarden dat Bobo als auto beschouwde maar wegens verregaande slijtage al lang die naam niet precies waardig was zette Bobo Boel op de voorbank. Ze kroop onmiddellijk onder een stoel om daar niet meer onderuit te komen.

Zo reed Bobo het laatste eind naar zijn huis.

ETAPPE 2

Het huis van Bobo was het middelpunt van een kleine vallei die de vorm had van een winkelhaak. Het lag precies op de hoek van die winkelhaak.

De lange poot van de winkelhaak lag ten zuiden van het huis, de korte poot lag er ten oosten van.

 

De vallei was een klein wonder van de moderne maatschappij in die zin dat deze haar helemaal vergeten had waardoor ze grotendeels nog zo was als in oeroude tijden. Wanneer je de vallei binnenreed via de kleine weg die zijdelings , zich slingerend langs de bergwand, in het dal passeerde was het alsof je een reusachtige groene zaal binnentrad waar enorme tapijten quasi slordig tegen de wanden gedrapeerd lagen in alle schakeringen van geel tot donkergroen die je je maar denken kon. Het zilvergroen van de groene eiken, het zachtgroen van de beuken, het diepgroen van taxus en de vele, vele buxusstruiken, afgewisseld door jenerverbessen en douglassparren. Laag in het dal langs de rivier stonden de wilgen en populieren, door elkaar gekronkeld en gebogen over het water. Het kwam alles als een opdringerige schoonheid op je af als je het dal binnenreed met onder je het kabbelende riviertje, een schoonheid waar Bobo onmiddellijk voor was gevallen, meteen al, bij de eerste aanblik.

 

Zijn kleine autootje kwam over de weg aan bij de ingang van zijn domein, een nauwelijks zichtbare passage tussen twee struiken. Daar begon een nauwelijk bereidbaar keienpad dat direct diep het dal indook om te eindigen bij de rivier. De brug erover bestond uit een tweetal betonnen klompen dat een bundeling houten balken droeg waarover het autootje een aanloop nam om aan de andere kant de helling te kunnen bestijgen die naar het huis leidde. Het huis stond op een kleine witte klif in het midden van het dal en keek minzaam neer op het riviertje in het dal, als de steen in het midden van een sieraad.

 

Bobo had het huis na lang speuren naar een plek die echte de ‘zijne’ zou kunnen zijn gekocht vanwege de paradijselijkheid van de vallei en niet andersom. Toen hij de eerste keer in de vallei kwam, kon hij het huis niet vinden. Het was verdwenen onder de lianen, klimop en struiken die zelfs tot boven op haar 80 cm dikke muren muren groeiden waar het dak had behoren te zitten. De rijen keien, die de ruine markeerden, die hij aantrof waren genoeg om hem ervan te overtuigen dat dit hier zijn stek zou worden.

Hij was direct na aankomst, enkele maanden geleden, begonnen met een verwoede aanval op de stenen hopen, verdeeld in drie rechthoeken, die zijn huis moesten worden, niet gehinderd door enig vakmanschap of een bouwplan van welke aard dan ook. Wat erger was, zijn voornemen tot systematiek in het werk was ernstig ontregeld geraakt doordat bij de opruimings- en bouwwerkzaamheden steeds details en voorwerpen boven kwamen die hem op nieuwe invallen en ideeën brachten, waarbij oude werden verlaten die nochthans al halverwege verwerkelijkt waren. Het resultaat van zijn nijvere activiteiten bracht hem door de inbreng van al deze inspiraties afwisselend tot euforie en wanhoop, dit in ongeveer gelijke mate.

Hij was begonnen met het dak, maar om een heel dak te maken moest hij de muren erg hoog op trekken. Dat vond hij althans na een drietal dagen keien voor de muren omhooggesjouwd te hebben. Hij besloot dus maar twee daken te maken, een voor het hoge en een voor het lage deel. Maar halverwege de bouw van het eerste dak, dat veiligheidshalve ver over de muur moest heensteken, vond hij het erg donker worden binnen. Hij besloot dus de tweede helft van het dak van richting te veranderen zodat dat dak nu aan één zijde omlaag neigde en aan de andere zijde daarentegen omhoog, waardoor van symmetrie geen sprake meer was en het leek alsof het huis knipoogde naar het dal. Bobo had dat onderkend en besloot van de nood een deugd te maken door onder het omhooggaande dakdeel een rond raam te plaatsen. “Dan heb je tenminste een open oog voor de dingen, huis.”

“Huis” was achteraf toch een naam die hem te prozaïsch had geleken voor zijn prachtige stekje. Het klonk niet, het deed geen recht aan de schoonheid hier en aan de prachtige lichtinval die het door zijn ligging in het dal had.

Hij woonde hier niet voor het platvloerse duister van de alledaagsheid, hij woonde hier voor het geluk, voor de schoonheid, voor het licht in de duisternis. Voor de eenvoudige klaarheid tegenover de troebele verwardheid van het leven waar hij vandaan kwam. Dit hier, dit was het licht en zo zou hij het noemen ook: “Het Licht”.

Zo heette Bobo’s vallei met het knipogende huis daar midden in sindsdien en iedereen in de buurt accepteerde dat, al was het vaak schouderophalend.

 

Bobo’s autootje bereikte de top van de klif, waar zijn poging tot remmen alleen tot effect had dat de remmen blokkeerden en hij doorschoof tot een meter van de deur daarbij een bloempot rakend die wegrolde en krakend tegen de gevel tot stilstand kwam. Hij zwaaide de deur open en trok aan de roodbruine bol met het halve staartje dat onder zijn stoel uitstak.

“Boel,” zei hij, “kom d’r uit.”

“Nee hé,” klonk het vanuit de deur, “niet weer een bloempot kapot; kun je nou nooit eens normaal aan komen rijden? Echt alles gaat hier kapot.” Bobo had Eileens reactie woordelijk kunnen voorspellen, maar hij wist dat hij ditmaal een middel bij de hand had dat haar uitval zou dempen. Hij had Boel nu onder de stoel uit gehaald, vatte haar stevig onder haar buik en stak haar zo boven het autodak uit.

“Wat heb je nou? Nee, hè, een hond? Wat moeten we daar nou mee? Wat een schatje! Wat een snoes! Ooooohhhh!” En Eileen verdween met de uit de handen van Bobo gegraaide Boel in het huis, Bobo, met een voldane grijns op zijn gezicht, achterlatend bij de auto.

 

Eileen was Bobo’s wederhelft, dan wel tegenpool, waarbij de keuze tussen deze twee opties nog nimmer definitief beslist was en – naar het zich liet aanzien – ook wel nooit beslist zou worden. Zij was al zo lang Bobo’s vriendin dat Bobo zich herhaaldelijk voorhield dat hij zich niet eens meer kon herinneren hoe lang dat wel niet was, wat Eileen hem altijd pijnlijk hard inwreef op momenten dat hij weer eens een relationeel jubileum vergat. Hoewel Bobo zeer op Eileen gesteld was, had hij zich nooit echt af durven vragen of hij verliefd op haar was, eenvoudig omdat hij vreesde dat als hij verliefd bleek te zijn op haar, het heel goed zou kunnen zijn dat zij niet echt verliefd was op hem. En een eenzijdige liefde leek Bobo – in abstracto dan – toch wel het meest barre gevoelsleven, dat hij zich voor kon stellen.

Bobo liet Eileen dus zijn wie ze was en droomde wel eens hoe erg het zou zijn als ze er niet was geweest. Maar ondertussen was ze daar. Niet dat Eileen voldeed aan Bobo’s verwachtingen – dat had ze nooit gedaan – maar de normaal nogal veeleisende en normatief gedreven Bobo schroefde zijn tolerantiedrempel vervaarlijk naar beneden als het Eileen betrof. Ze was de achilleshiel in Bobo’s afweer tegen verplichtingen die hij vervelend vond en tegen feiten die hij wilde negeren.

 

Hij volgde haar zwaaiende paardestaart naar binnen. Althans dat poogde hij, want bij het naar binnen stappen vergat hij – misschien voor de vijfhonderste maal – dat de drempel enerzijds te hoog was en de deuropening anderzijds te laag was, dit als gevolg van een fatale misrekening die hij bij het opmeten van de deuropening indertijd gemaakt had. De balk boven de deur trof hem juist boven zijn ogen. Hij sloeg achteruit en belandde op de drempel waar hij happend naar lucht op bleef zitten.

“Ja verdorie, Bobo, dat weet je toch, kun je nu nooit eens uit je doppen kijken.” Het verwijt bleef in de lucht steken want Bobo’s gedachten waren bij Boel en hij zei: “Heb je die fantastische tand van haar gezien?”

“Haar, is het een ‘haar’, een vrouwtje? Bobo, je weet dat ik geen troep honden hier wil. Ik heb aan jou mijn handen vol.”

Bobo voelde onweerstaanbaar dat schuldgevoel bij hem opkomen dat Eileen feilloos wist op te roepen terwijl hij er eigenlijk nooit een goede reden voor kon vinden.

“Je denkt nooit aan mij. Je denkt altijd alleen maar aan wat jij wil en leuk vindt. Hier in huis moet ik alles doen en jij komt doodleuk met nog een extra last aanzetten en je doet dan alsof ik dat schattig moet vinden.”

Haar toonzetting begon snauwerig te worden en Bobo voelde de drift in zijn nek omhoogkruipen.

De telefoon van binnen redde hem.

“Ja tante Cyntia.” Eileen’s plots verheugde toon verried niets van het venijn van enige seconden daarvoor. “Nee, het gaat hier hardstikke goed hoor; Bobo heeft net zo’n snoezig hondje meegebracht, een schatje, werkelijk waar, poezelige pootjes, prachtig roodbruin haar, flaporen, echt alles wat ik altijd gewild heb. Ik wist wat voor hondje we moesten hebben en nou is het er.” Ze weidde nog verder uit over Boel’s schoonheden, over het nest dat ze voor haar zou gaan maken en over dat Bobo ermee naar de dokter moest en dat ze het zo verschrikkelijk druk had en dat Bobo weer een enorm scheef raam in het hoge deel van het huis geplaatst had dat met geen mogelijkheid open of dicht kon en dat ze zo hard moest werken, en… en…” Bobo liet de monoloog, tegen tante Cyntia, gelaten over zich heen komen, nu hij wist dat Boel goedgekeurd was en niet meer weg zou hoeven.

 

Zo kwam Boel op Het Licht.

 

De eerste dagen sloop Boel bijna. Ze kroop voorzichtig van beschermd plekje naar beschermd plekje, bij het eerste onraad onmiddellijk haar kop onder iets stekend, in de illusie dat ze dan niet meer was waar ze feitelijk wel was. Het was duidelijk dat ze meer angst had ondergaan in haar leven dan goed voor haar was. Bobo had de eerste dag uit schrik dat ze weg zou lopen – alsof ze daar ook maar de moed voor had gehad!!!! – haar een soort halsband in de vorm van een lang koord om willen doen, maar toen ze daarop jankend onder het bed verdween en daar niet meer onder uit wilde komen was het toch tot hem doorgedrongen dat de herinnering aan een touw niet de leukste was van Boel’s herinneringen.

Nadat het dan maar aan Boel was overgelaten om zichzelf uit te laten, ondernam ze, na twee dagen vasten en na alles aan poep en pis binnen te proberen houden, eindelijk een noodgedwongen uitstap naar de wereld buiten het huis. Met haar neus over de grond scherend en haar oren over haar ogen begon zij de verkenning van het terrein, eerst voor het huis. Links van de toegangsweg vond ze tegen de helling een grote weide met bomen. Onderaan de helling liep een riviertje met een rotsige bodem. Rechts van de weg liep de helling omhoog tegen de heuvels op die het dal van Het Licht omringden. Daar snoof ze een sterke geur en ze zag sporen van poten van dieren die veel groter moesten zijn dan zij.

Boel zag in haar benarde geest grote monsters voor zich en besloot die helling maar te mijden. Aan de andere kant van het huis was een groene vlakte die afliep naar de rivier die daar vanuit de lange poot van de winkelhaak aan kwam glijden als een glinsterend lint in het groene tapijt. Het terrein rond het huis was open en Boel verloor er wat van haar angst omdat ze alles kon overzien en er geen gevaren zichtbaar waren. Aan de overkant van de rivier begon het dichte bos. De donkerte daar en de herinnering aan de boom waar ze aan vast gezeten had, maakten dat Boel geen aanstalten maakte om haar verkenning daarheen voort te zetten.

Ze maakte in het begin steeds korte uitstapjes, een honderd tot honderdvijftig meter het terrein op en kwam dan hollend terug, blij dat ze de bescherming van haar nieuw verworven mand, naast de hoge witte stenen schouw in de hoek van de vierkante hoge woonkamer , weer op kon zoeken.

 

De eerste dagen hingen haar oren, maar nadat ze begreep dat er bij bepaalde geluiden uit de kleine keuken eten kwam, zag Bobo haar op een zeker moment bij het hoekje van de keuken staan, haar oren opgetrokken en haar kop scheef in een kennelijke poging om te ontwaren wat de bron van al dat lekkers was. Ging ze eerst naar buiten met doorgezakte poten, schielijk om zich heen spiedend of het wel veilig was en steeds beschutting zoekend, dan veranderde dat al na enkele dagen in een meer onbekommerd naar buiten stappen, waarbij ze haar poten strekte, een verende pas begon te krijgen en direct op haar doel afliep zonder de aarzelende omwegen van de eerste dagen. De hangende halve kwast van haar staart van het begin werd beetje bij beetje opgevolgd door een zwierig heen en weer zwaaien. Eerst alleen van haar staart maar langzaamaan van haar hele lijf totdat ze van plezier leek te swingen. Maar het ging haar niet gemakkelijk af en ze was snel van haar stuk te brengen. Ze verloor bij het minste of geringste haar net opgebouwde zelfvertrouwen. Ze kon uren op de rand van het plateau zitten met haar kop naar de weg gericht alsof ze daar iets verwachtte in stilte starend naar de ingang. Toen ze na een week of anderhalf een binnensmondse blaf uitstiet, schrok ze daar bijvoorbeeld zelf zo van dat ze naar binnen schoot en meer dan een half uur niet onder het bed uit te krijgen was.

Bobo had moeite met dat gedrag. Hij had zich een voorstelling gemaakt van een bruisende hond-kameraad die ravottend en jagend in het rondte sprong maar ook trouw en gehoorzaam met hem zou optrekken. En nu had hij een huismus bij uitstek opgepikt die bovendien nog slecht, of helemaal niet, luisterde omdat ze bij het eerste teken van ongeduld in Bobo’s stem onmiddellijk onder het bed verdween. Eileen zei dat Bobo een sukkel was als hij Boel niks kon leren en dat hij geen hond moest nemen als hij er niet meer geduld voor had. Dat maakte Bobo nog geirriteerder, wat Boel weer feilloos aanvoelde waardoor ze nog banger werd.

 

Enkele weken na Boel’s aankomst haalde Eileen Bobo over om bloemen te plukken op de heuvel tegenover het huis. Bobo besloot Boel mee te nemen, omdat ze toch moest leren wandelen. Omdat hij haar sporenkennis niet hoog inschatte, deed hij haar toch maar een lijn om en zo staken ze gedrieën het riviertje over om het paadje door het bos de heuvel op te nemen. Boel hing als een dolle aan het touw in een voortdurende poging om te ontsnappen aan de knellende druk om haar nek, terwijl Eileen steeds inhield om planten te bekijken en bloemen te plukken. Bobo hield ondertussen vermanende toespraken tot Boel. Zo kwamen ze na een uur bovenop de heuvel, waar Eileen oh’s en ah’s uitstotend Bobo naar elke nieuw bloem commandeerde die ze wilde plukken. Zwetend en Boel meesleurend aan het koord, strompelde Bobo van bloem naar bloem totdat hij er genoeg van kreeg en zich liet vallen op een plek die hem aantrekkelijk leek. Het was geen gelukkige keuze. Hij schoot met een gil overeind wat Boel schier een hartaanval bezorgde en bekeek zijn zitvlak, waar centimeters lange naalden van een plant uit staken. “Wat een klotezooi,” foeterde hij en hij graaide met zijn ene hand naar de naalden terwijl hij met de andere Boel ervan probeerde te weerhouden hem tegen de grond te trekken.

“Bobo,” riep Eileen vanachter de struiken waar ze een bloem van het leven probeerde te beroven, “wat doe je in godsnaam?”

Bobo wist niet wat God hier mee te maken had, maar wel dat hij haar niet wilde uitleggen wat er gebeurd was en hij worstelde dus verbeten verder. Het werd hem duidelijk dat hij de naalden er niet met een hand uitkreeg en hij besloot dat hij er beter aan deed om Boel even los te laten zodat hij zich met beide handen zou kunnen wijden aan de verwijdering van de naalden.

Boel schoot er onmiddellijk als een pijl vandoor. Haar staart in de lucht, haar rug krommend en strekkend in reusachtige sprongen die ze met haar kleine lijf maakte. Ze liet er geen misverstand over bestaan dat snelheid niet haar zwakke kant was. Bobo zag haar verbijsterd over de heuvelkam verdwijnen voordat hij ook maar een naald meer uit zijn broek had.

“Boel!” riep hij. “Boel, kom terug!” De toon inspireerde Boel niet echt om aan dat verzoek gevolg te geven. Bobo herhaalde zijn oproep nog eens en probeerde de toon van verbaasd om te vormen tot gebiedend maar het resultaat bleef hetzelfde.

“Wat heb je nou gedaan Bobo?” riep Eileen vanachter de struiken. “Heb je haar losgelaten? Het zal niet waar zijn. Dan zijn we haar nu echt kwijt.”

Bobo ontkende het niet. Integendeel. Hij kreeg het gelijk warm en koud bij het idee dat Eileen gelijk had. “Boel!” riep hij weer, maar nu met een toon van opkomende woede die hem altijd beving als hij zich onmachtig voelde “Boel, hierrrr! Hierrr!”

Geen spoor van Boel. Bobo begon te beseffen dat hij, zonder het zichzelf toe te geven, was gaan geven om het mormel dat zojuist de benen had genomen. Dat maakte haar verdwijning voor hem nog onacceptabeler, zo van ‘ik geef om jou, en wat doe jij, jij loopt weg’. Hij begon te lopen en te zoeken onder struiken en bleef roepen totdat zijn keel er pijn van deed. Eileen zweeg veelbetekend en plukte grimmig verder aan haar bloemen.

Plotseling, toen hij alle moed had opgegeven dat hij haar ooit nog terug zou zien, zag Bobo haar liggen tussen twee struiken, languit met haar kop plat tussen haar poten, haar tong uit haar bek, haar ogen waakzaam omhoog. Zijn gevoel van bedrogen te zijn, het verwijt in zijn hoofd over haar onbetrouwbaarheid , overspoelde hem en steeg hem naar het hoofd en hij sprong op Boel af. Woedend greep hij naar haar maar zij draaide zich op haar rug met haar poten in de lucht ten teken van overgave. Het was te laat, Bobo kon zijn woede niet beheersen en sloeg haar. En Boel? Boel begreep het niet, krijste van angst en beet vervolgens in de hand die haar raakte. Bobo werd nog woester en sloeg haar weer, en… en toen keek hij door zijn bezwete ogen in die radeloze, angstige ogen van Boel en vatte hij de intense ontzetting die hem aanstaarde. Oh nee, ben ik dat, dacht hij, alsof Boel’s ogen hem een spiegel voorhielden en hij zichzelf had zien doen wat hij deed. Hij liet haar direct los. Ze spoot weg en was in een mum van tijd uit het zicht verdwenen.

 

“Wat was dat nou allemaal?” vroeg Eileen, die als een duveltje uit een doos uit de struiken geschoten was. “Wat doe je toch?”

“Ze beet me,” bracht Bobo uit en keek naar zijn hand, alsof hij daar het bewijs van zijn uitspraak wilde zien. Eileen keek naar zijn hand en zei beslist: “Dan is het afgelopen met haar, bijtende honden wil ik al helemaal niet.” Het drong tot Bobo’s verwarde geest door dat Eileen een verkeerde voorstelling van de zaken had gekregen doordat hij dat zo pontificaal had gezegd.. “Nee,” bracht hij met moeite uit, “we moeten haar vinden.”

Zo zochten Bobo en Eileen uren op de heuvels naar een spoor van Boel en riepen haar zo overtuigend als ze maar konden maar… geen Boel.

Uiteindelijk gaven ze het op.

“We zijn haar kwijt,” zei Bobo en Eileen knikte mismoedig. Ze stapten het pad op dat hen terug naar het huis zou leiden. Al afdalend hamerde het in Bobo’s hoofd wat er fout was gegaan. Boel had hem vertrouwd, was zich komen overgeven en hij had haar vertrouwen beschaamd. Híj was de onbetrouwbare gebleken.

Beneden gekomen gingen ze op de bank voor het huis zitten.

“Tja, Bobo, dan maar geen hond, het is ook niks voor jou,” probeerde Eileen in een poging hem zijn zelfverwijt uit het hoofd te praten.

 

Bobo was voorlopig voor geen troost vatbaar en Eileen verdween berustend in het huis. Hij begreep nu wat hij had gezien in Boel’s ogen toen hij haar sloeg, die horror van herinnering, van het zien van de kwade kant, dat geweld, die pijn die van hem kwam en die zij niet begreep en niet had verwacht.

Misschien was dat het wel wat het meest afschuwwekkende was, dat ze vertrouwen in hem had en dat hij dat zo gauw ondermijnd had. Hij zag haar weer voor zich met dat touw om haar nek zoals hij haar gevonden had.

Bobo stopte in afkeer van zichzelf zijn hoofd in zijn handen.

 

Een eindeloos lijkende tijd bleef hij zo zitten tot een korte blaf hem overeind deed schieten. Bij de hoge kant van het huis was Boel tevoorschijn geschoten.

In volle draf, haar oren recht overeind getrokken. Ze hield in en keek oplettend naar beneden naar Bobo die “Boel” riep, stoof toen opgewekt op hem af en schoot kwispelend onder de bank waar Bobo op zat om vervolgens aan de andere kant van Bobo eronder uit te komen en tegen hem op te springen.

Zo had Bobo dus blijkbaar iemand leren kennen die meer vertrouwen had in hem dan hij in zichzelf had. Hij heeft Boel nooit meer geslagen.

ETAPPE 3

Indien het lot echt zou hebben bestaan, zouden wij er ons voordeel mee kunnen doen omdat we dan in alle gevallen van tegenslag en malheur bijmoedig de blaam daarvoor van ons af zouden kunnen wenden en zouden kunnen zeggen: “Het is het lot dat ons treft.” Maar helaas bestaat het lot al evenmin als God en moeten we dus evenals onze voorvaderen uiteindelijk toch maar liever op onszelf vertrouwen om de dingen van het leven voor elkaar te krijgen. Bobo vervloekte dat gegeven regelmatig die zomer op Het Licht want hij wilde heel veel voor elkaar krijgen en dat ging niet even soepel.

 

Hij had grootse plannen gehad om de renovatie van het huis in enkele maanden te voltooien en vervolgens de rest van de zomer te genieten van de stralende zon bij zijn schitterende zwembad. Eileen in al haar pracht ernaast op een luie stoel. Maar niks zwembad en luie stoel, integendeel: werken.

 

Om te beginnen aan het huis zelf. Oude muren zijn mooi maar dik en als je het in je hoofd haalt om daar veel openingen in te maken is dat veel werk. Bovendien kenden de oudjes die zulke huizen bouwden niet de luxe van het moderne cement en dus lieten ze het bij stenen stapelen met veel kalk en zand ertussen, wat weer betekent dat als je onderin zo’n muur de stenen weghaalt het bovenste deel van die muur volgaarne de plaats van het onderste deel wil innemen, met als gevolg opnieuw veel werk.

Bobo’s wantrouwen tegen de stabiliteit van de muren was mettertijd zó groot geworden dat hij meer ruimtes in de bodem had willen maken. Na een halve meter graven stootte hij op het keiharde bewijs dat hij het in die richting vooral niet verder moest proberen. Hij had dus de aanval op de keien (volgens Eileen die ‘mooie natuursteen’) met verbetenheid hervat met gebruik van drilboren, pneumatische hamers, beitels, hamers en alles waar mee te slaan viel. Het probleem was dat Bobo’s motoriek weliswaar niet welgericht bleek, gezien de vele onbedoelde butsen in zijn handen en in het huis, maar wel van grote kracht getuigde met als gevolg een indrukwekkende verzameling gebroken gereedschap. Na verloop van tijd was overal in en rond het huis gereedschap of wat daar van over was te vinden, wat Eileen tot de verzuchting bracht dat “er nooit eens opgeruimd werd”. Bobo wilde wel opruimen maar hij wilde ook vooruit en op de een of andere manier wilde het een niet goed met het ander samengaan.

Zijn trage vorderingen begonnen hem geleidelijk aan voor te komen als een onwaarschijnlijke reeks toevalligheden die welhaast geen toevalligheden konden zijn. Er zat, zo vond Bobo, een soort negatieve logica in. Hij beschreef dat voor zichzelf ongeveer zo: “Ik moet bijvoorbeeld een gat maken met een drilboor, maar die zit in de kist boren die op slot zit; dus zoek ik de sleutel van de borenkist maar die is niet te vinden zodat de kist opengebroken moet worden en daar heb ik een scherpe schroevendraaier voor nodig; alle schroevendraaiers zijn bot zodat ik er een moet slijpen; om te slijpen heb ik de slijpschijf nodig maar die zit nog niet vast in de werktafel; om die slijpschijf vast te zetten in de werktafel moet ik gaten maken met de boormachine; maar voor de boormachine heb ik een boor nodig en die zit in de borenkist, waarvan de sleutel zoek is, enzovoort…”

Hij werd er moedeloos van.

Het was iets in Bobo’s geest dat hem onverdraagzaam maakte tegen dingen die niet wilden lukken. Als hij erin geslaagd was om iets in zijn geest uit te werken en op te lossen stelde hij zich voor dat het zo ook opgelost werd. Zodra die geestelijke concepten echter op zijn handen moesten worden overgebracht, ging er wat mis. Treffend kon je dat zien aan de strijd met de pomp. Bobo had zich voorgenomen het waterprobleem grondig en systematisch aan te pakken. Voor dat doel had hij vrienden en kennissen geraadpleegd en diverse winkels en specialistische bedrijven op dat terrein bezocht om zich te wapenen met de kennis die daarvoor nodig zou zijn. Thuisgekomen in het gezelschap van dikke handleidingen had hij zich een avond in de berekening van capaciteiten en afstanden verdiept. De dag daarna was hij de pomp, de buizen en koppelingen gaan kopen die volgens zijn berekeningen nodig waren en thuisgekomen had hij die opgewekt naar de rivier gedragen om ze te installeren. Vervolgens was hij de, naar zijn mening, enige sleutel gaan halen die nodig was om alles aan te sluiten. Dat bleek niet helemaal te kloppen. Hij ging terug naar boven om twee andere halen. Na verloop van tijd zaten de buizen op de pomp maar de pomp sloeg niet aan.

 

Het kostte hem twee keer heen en weer lopen voordat hij ontdekte dat er een aan/uitknop opzat. De pomp begon daarop opgewekt te zoemen, en dat was ook het enige wat hij deed. Water kwam er niet uit. Bobo schroefde alles weer los om de oorzaak van de aanwezige verstopping te vinden maar vond niets. Alles er weer op. Gezoem, geen water. Dan moest de pomp te ver van het water staan, dacht Bobo. De pomp werd dus 20 meter lager gesjouwd en pal naast de rivier geïnstalleerd.

Geen water.

Ja, dacht Bobo, ik heb hem wel lager gezet maar de aanvoerbuis is natuurlijk nog even lang dus dat helpt niet. Daarop sneed hij driekwart van de buis af en installeerde hem weer. Water was niet het resultaat van deze actie, wel een aanzienlijk kortere buis.

 

Bobo, langzamerhand radeloos wordend, ging weer naar boven om grootscheeps gereedschap in te slaan en sloopte, beneden gekomen, de gehele pomp uit elkaar. Er zaten geen spoken in, zo bleek, maar ook niets dat hem een oplossing leek te verschaffen. Met doeken en wc-papier begon hij de nog nieuwe pomp minutieus schoon te maken en zette hem vervolgens weer in elkaar. Ingespannen staarde hij in het uiteinde van de buis terwijl de pomp lustig zoemde.

Niets!

 

Dit werd te veel voor Bobo. Dit kon hij niet meer velen. Hij stresste de heuvel op om de grote middelen te halen en kwam met een reusachtige bako en de grootste tang die hij kon vinden terug. Beneden gekomen viel hij daarmee aan op de koppelingen om elke mogelijkheid tot ook maar het allerkleinste luchtlekje uit te schakelen. Hij had zijn krachten weer eens onderschat en draaide met een ruk door de schroefdraad van de aanvoerkoppeling heen, waardoor de slang plots meegaf en van de pomp losschoot. Bobo, die op deze onverwachte meegaandheid in het geheel niet berekend was, schoot met de slang achterover en belandde in zijn volle lengte in de rivier. Hij bleef aldaar verwezen zitten, zijn ogen vol tranen over de tegenslag die hem zo hardnekkig vervolgde.

“Toch is het niet moeilijk hoor,” klonk het plotseling achter hem. Als door een wesp gestoken draaide Bobo zich om, om de etter te ontwaren die hem zout in de open wonde kwam strooien. De brede grijns in het gezicht van Garcia, die op de andere oever van het riviertje naar hem zat te kijken, bracht hem onmiddellijk tot bedaren en hij produceerde zelfs een grijns die een lachje moest voorstellen.

“Ik had hem goed geïnstalleerd,” bracht hij tenslotte uit.

“Ja, dat zag ik,” zei Garcia op een toon alsof hij de meest sarcastische mop van het jaar produceerde. Hij stak behoedzaam van kei tot kei springend de rivier over en duwde de slang losjes op de pomp. “Je moet er wel wat water in doen, Bobo,” zei hij snuffelend aan de pomp alsof het een droge worst was waarvan hij de smaak wilde bepalen.

“Dat ding moet toch zelf water trekken,” antwoordde Bobo zwakjes.

Garcia zuchtte en draaide een minuscuul dopje los boven op de pomp waar hij vervolgens een plastic flesje water in leeggoot. Het water spoot omhoog, eerst uit het gaatje, vervolgens uit de uitlaat. “Zie je,” zei Garcia. “Hij doet het gewoon goed hoor.”

 

“Ik heb een glas wijn verdiend, niet dan Bobo?” Dat moest Bobo toegeven, Garcia vergat nooit de inwendige mens. Hij schommelde zijn brede lijf al voor hem uit de helling op. Garcia was die zeldzame combinatie van een bourgondisch karakter met een idealistisch-optimistische opinie. Hij noemde zichzelf eco-bouwer maar bracht het meerendeel van zijn tijd door in zijn winkel, annex cantine, annex herberg, annex koffiehuis, annex eigenlijk alles wat mensen er maar wilden komen doen. Qua territorium was hij de buurman van Bobo en als Eileen weer eens foeterde over de loslopende koeien en geiten in haar groententuin dan moest Bobo Garcia bellen omdat het diens ecologisch verantwoorde veestapel betrof. Het terrein waar Garcia boerde en Bobo en Eileen woonden werd verder eigenlijk door niemand bewoond. Ook Garcia zelf woonde met zijn ega Auk in het dorp en hij zag dan ook, in elk geval zeker tot Bobo’s komst, geen enkele reden om het wandelgedrag van zijn veestapel aan banden te leggen. Iets wat Bobo al vroeg aan de hand van de koeienfletsen in zijn toekomstige huis had mogen vaststellen.

Garcia’s ecocultuur was een weerspiegeling van zijn karakter: als het makkelijk ging dan wilde hij het wel. Zijn ontwapenende smile van oor tot oor, zijn tolerantie tegen iedereen die zó ver leek te gaan dat je ongeveer op zijn kop moest gaan zitten voor hij bezwaar maakte, zijn open oog voor de kleinheid van de gemeenschap waar hij in leefde, dat alles maakte Garcia tot een sociaal niet te kloppen persoon. Hij was niet alleen onweerstaanbaar voor Bobo maar ook onmisbaar. Garcia wist. Hij was Bobo’s regionale krant. In een regio waar maar enkele tientallen mensen wonen is de drukpers geen nuttige uitvinding en in elk geval minder aangenaam dan de borrelpraat. En aan die borrelpraat gingen ze nu beginnen, wist Bobo en dat vooruitzicht lokte hem. Ook omdat hij meer dan hijzelf wilde toegeven wel op Garcia (hoewel die in bijna niets op hem leek) gesteld was. Eileen wachtte hen boven op. “Als je nou de volgende keer zegt wanneer je van plan bent de keuken onder water te zetten, dan kan ik daar nog wat aan doen.” Bobo realiseerde zich dat hij inderdaad voor de aanvang van het pompgevecht al verwachtingsvol de kraan had opengezet in de keuken.

Garcia schoof tactisch langs hen heen naar binnen en zei: “Water heb je nou wel Eileen en veel blijkbaar. Maar ik heb nog geen wijn.” Hij ging stralend van voldoening over zijn nieuwe treffer aan de grote tafel zitten.

Bobo besloot onmiddellijk Garcia een aantal vraagtekens voor te zetten die bij hem de laatste weken waren opgekomen. “Garcia,” zei hij, “we zijn aan de overkant kennelijk op iets als zwijntjes of zo gestoten want er was een hoop gekrijs en gewroet in de struiken toen we daar liepen. Kan dat hier en kun je ze gewoon benaderen?”

Garcia lachte en zei: “Hoezo Bobo, heb je honger of zo? Zin in malse varkensribbetjes zeker?” En Bobo’s protesten wegwuivend: “Natuurlijk zitten hier bij jou zwijntjes. Hier tegenover de rivier, aan de andere kant naast jouw huis bij de modderpoel, achter je huis op de heuvel. Ze zitten overal en ik kan je hun paadjes wijzen waar ze om je huis heen lopen.”

“Totdat ik ze tegenkwam zou ik dat toch niet geloofd hebben. Je ziet of hoort ze nooit,” verwonderde Bobo zich.

Nu was Garcia even stil en toen viel hij met onverwachte felheid uit: “Verdorie Bobo, wees toch niet zo naïef, man. Natuurlijk komen die niet tevoorschijn om jou een poot te geven. Dit was jarenlang het paradijs voor de jagers. Voor die beesten is een mens een geweer. Er is hier op alles geschoten wat maar bewoog. Als jij dat nu eens niet doet dan zou dat misschien op de lange duur wel eens kunnen veranderen maar voorlopig hebben die beesten geen enkele reden om met jou eens een dansje te maken. En overigens, blijf er nu sowieso maar uit de buurt, want als ze jongen hebben – en dat is nu – dan verdedigen ze zich wel en dat dat tegenover jou niet hoeft weten ze nog niet zo geweldig goed.”

 

Bobo vroeg zich af of hij dat had behoren te weten en besloot van onderwerp te veranderen. Hij liep naar de muurkast en haalde daar een drietal aluminum handgrepen (of wat daar op leek) tevoorschijn en liet die aan Garcia zien. “Wat zijn dat? Ik heb ze hier gevonden en ik kan ze niet thuisbrengen.”

Garcia bekeek ze tevreden achter zijn glas wijn en glimlachte. “Tja, Bobo, die behoor je hier niet te vinden, nee. Hoe zal ik het zeggen. Als je in een gebied bent waar de normen en de regels van jullie stadsmoralisten niet bestaan en waar je wat kunt regelen om het jezelf gemakkelijk te maken, tja dan doen mensen dat. Je denkt toch niet dat die jagers hier als gekken achter de zwijntjes aan lopen hollen, hè. Die zijn ook liever lui dan moe. Nee, die strooiden regelmatig mais hier van de klif naar beneden zodat de beesten zich eraan wenden om daar te komen eten. Als dat niet hielp om ze tevoorschijn te krijgen, dan waren er grovere middelen zoals dit hier,” en hij wees op de drie beugels.

“Hoezo?” vroeg Bobo. “Wat zijn dat dan?”

“Dat,” zei Garcia, “zijn de beugels van handgranaten. Veiligheidshalve doe je die er pas om als je ze nodig hebt en kennelijk hadden ze wat beugels over.” Hij nam een slok en smakte voldaan. “Er zit hier overigens van alles hoor: hertjes, dassen, vossen, roofvogels. En die verstoppen zich nu, want het jachtseizoen mag dan wel niet officieel open zijn maar de jacht is wel begonnen.”

“Niet bij ons,” bedacht Bobo. “Niet bij ons.”

ETAPPE 4

Zin en onzin zijn in het leven onafscheidelijk. Voor zaken waarvoor wij kort tevoren door het vuur wilden gaan, kunnen we ons even later niet meer voorstellen waarom we ons er eigenlijk druk over maakten. Dit is ook een allerzinvolst verdedigingsmechanisme. Het zorgt ervoor dat een normaal mens een muur herkent waar die ook werkelijk staat en niet omkomt in een uiterste vorm van headbanging tegen een dergelijk hard obstakel. Maar, zoals met zoveel zaken waar de meerderheid van de mensheid het over eens is, er is een beklagenswaardig kleine categorie mensen die de waarde van dit verdedigingsmechanisme niet erkent. Ja, sterker nog, er zijn er zelfs die er een deugd van willen maken vooral daar door te gaan waar ieder mens met zogeheten gezond verstand – whatever that may be – er niet over piekert om aan een hernieuwde poging te beginnen.

 

Bobo behoorde tot die categorie. Je kon zelfs met reden stellen dat hij waarschijnlijk het exemplarische voorbeeld bij uitstek was. Zijn koppigheid was legendarisch maar beurde hem zelf zelden op en dreef hem tot een sombere verbetenheid waar het zaken betrof die niet onder zijn wilskracht wensten te buigen.

 

Het bouwen van het huis was zo iets. Stenen die hij op elkaar metselde vielen weer om, bassins die hij bouwde lekten, elektriciteitsleidingen die hij aanlegde gaven daarna water, en Eileen kon hem alleen maar door een felle ruzie van het gasleidingen aanleggen afhouden. Werkelijk niets gaf hij goedstoots op. Het móest allemaal heel erg, maar hoe erger het moest hoe minder het wou. En als het niet wou – nogal vaak dus – dan begaf Bobo’s toch al niet superbe motorieke vaardigheid het vrijwel altijd en strafte God onmiddellijk. Vingers werden geplet, voorhoofden geschramd, spijkers diep in voetzolen getrapt, ellebogen gestoten en ribben gekneusd.

Hoewel dat Bobo niet van zijn scheppingsdrift af kon houden, dreef het hem wel tot een vorm van innerlijke dialoog die niet viel te benijden. “Ja hoor, als ik eens iets simpels wil doen, dan gaat het natuurlijk weer niet, dan mag het weer niet!” Dan zette hij vervolgens verbeten door om deze onrechtvaardigheid te bestrijden. Hij kneep harder in zijn schroevendraaier, sloeg harder met zijn hamer en het bewegingstempo steeg in een tempo dat gelijk lag aan het oplopen van zijn irritatie. Vaak kwam het voor dat hij uitgeputter raakte van zijn eigen opwinding dan van de feitelijk verrichte hoeveelheid werk. Als hij uren achtereen intensief en verwoed gestreden had en in een steeds hoger tempo heen en weer bewogen had over zijn paradijselijke Licht kwam het einde meestal in de vorm van een “Zou je nu niet even wat rustig doen, Bobo?” van de zijde van Eileen. Niet dat hem dat op zich kalmeerde. Maar als hij gedwongen werd met zijn bonkende hoofd op Eileen te reageren, verlegde dat zijn agressie van een granieten steen naar een gummibal. Dat ondertoontje in haar stem trok zijn aandacht. En zoals bekend gummiballen geven enigszins mee en ontglippen ook behendig en snel. Dat gaf Bobo ook een acceptabel excuus om mokkend en mopperend naast Eileen te gaan zitten en een kop koffie te pakken.

 

Het was op zo’n dag vol nijver werk en bijbehorende emoties dat Eileen een creatieve nieuwe poging wilde wagen Bobo’s aandacht naar vreedzamere sferen te verleggen.

“Zullen we eens bloemen gaan zoeken aan de overkant van de provinciale weg, Bobo? Daar zijn we nog nooit geweest.” Ze bekeek Bobo’s bezwete gezicht onderzoekend om na te gaan of haar verkennende opmerking doel had getroffen. In zichzelf tegenpruttelend dat het zo niet opschoot, begon Bobo tegelijkertijd naar vergoelijkende overwegingen te zoeken die het hem mogelijk moesten maken op Eileen’s voorstel in te gaan. Tja, Eileen’s rug zou dat toch niet lang volhouden, zodat ze niet lang weg zouden zijn en: het moet toch mogelijk zijn eens iets ontspannends te doen, en: als dat niet kan, waarom zijn we hier dan gaan zitten? Nadat hij zo voldoende munitie had verzameld om zijn opgehoopte koppigheid – voor één keer maar! – te laten vallen zei hij quasi nonchalant: “Ach waarom ook niet!”

 

Zo daalden Eileen en Bobo met Boel in hun kielzog af van de klif van Het Licht om aan de andere zijde van het bruggetje op de weg uit te komen die langs de ingang van Het licht passeerde. De zon stond helder en warm recht boven de vallei en ze hadden het gevoel van ontspanning gekregen dat hoorde bij onbezorgde zondagmiddagwandelingen. Na enkele honderden meters op het weggetje te hebben gelopen, ontwaarden ze de achterbumper van een kleine witte auto die rechts van de weg met zijn neus in de bush stond. Er tegenaan stond een man die, toen ze hem passeerden, hen nors bekeek na hun vriendelijke groet. Hij droeg een mosgroene jas, een donkerbruine gematteerde broek en bruine leren laarzen die niet goedkoop konden zijn en erg schoon waren. Op zijn dikke hoofd stond een gevlekte legerpet met een voor- en een achterklep en bij zijn voeten stond een groot dubbelloops geweer dat hij bij de lopen vasthield en waarop tot laat in de nacht gepoetst moest zijn.

Een jager, dachten ze beiden, maar ze zeiden niets. Ze wisten niet zo goed hoe ze moesten reageren op dit nieuwe feit. Even verderop, toen ze een weggetje waren ingeslagen dat van de provinciale weg omhoogleidde, zagen ze weer een auto, een dure fourwheeldrive, die op een uitstekend punt stond dat over het terrein van Het Licht uitkeek. Ook hier was een man, ditmaal gezeten op een gegalvaniseerd met leer omkleed eenpootsstoeltje zoals je wel eens aan de zijlijn van sportwedstrijden ziet. Hij had een legergroene bodywarmer aan, ook van die dure laarzen, een pijp in zijn mond en een legerpet op. Onder zijn arm hing achteloos een geweer naar beneden waarop een overdreven groot telescoopvizier prijkte dat waarschijnlijk de bril moest compenseren die hij nodig zou hebben in het dagelijks leven want hij was al grijs en had eerder de trekken van een intellectueel dan het verweerde uiterlijk van een mens van het landleven.

“Jagers, Eileen,” zei Bobo zachtjes, “Die mogen hier toch helemaal niet zijn?

Het is geen jachtseizoen en ze kijken nog op ons terrein ook!”

Eileen knikte en bedacht hoe ze kon voorkomen dat een nieuwe obsessie van Bobo hun middagwandeling zou bederven. “Kijken mag toch,” antwoordde ze voorzichtig. “Het zijn gewoon macho’s, die zitten hier voor hun gevoel van eigenwaarde, grote geweren compenseren kleine piemels.” Tevreden met haar herleiding van dit nieuwe gevaar naar bekende schema’s liep ze verder.

“Hé hé, wat heeft dat er nu mee te maken? Voor kijken hebben ze geen geweren nodig,” mopperde Bobo. “Of bedoel je dat ik geen geweer nodig heb?” gnuifde hij plotseling vrolijk.

“Macho,” zei Eileen.

 

Boel was hen vooruit gehuppeld en was een pad ingeslagen het bos in. Ze volgden haar. Het pad leidde omhoog, dieper de bossen in, langs een uitsnijding waarin bij regen wel een stroompje zou lopen. Ze liepen in de richting van een blokhut, die ze eerder bezocht hadden, die verder in het bos lag. De bomen om hen heen waren hoog maar er waren ook veel sporen van houtkap. De meeste bomen waren naaldbomen en doordat er te veel uitgedund was, groeiden er overal bramenstruiken zodat het bos op de meeste plaatsen ondoordringbaar was. Eileen speurde de wegkant af. Ze vond niet veel bloemen. Het was er niet echt het gebied voor waarschijnlijk. “Hoelang lopen we nog?” vroeg Eileen op een licht bezorgde toon, bobo’s ontembare wandellust kennende...

“Tot de blokhut,” zei Bobo, “want die wil ik weer wel eens zien. Eileen berustte en ze vervolgden hun weg.

Plots geblaf schuin boven hen verstoorde de rust. Boel schoot in de attentie- houding en Bobo en Eileen keken verbaasd omhoog naar waar het geluid vandaan kwam. Schuin boven hen zagen ze een houten dak door de takken heen schemeren en daaromheen liepen mannen met petjes op en enkele ontblote bovenlijven. Het geblaf was inmiddels tot een koor aangegroeid en Boel vond het beter worden zijn dapperheid achter Bobo in plaats van voor hem te demonstreren. Ze zagen dat de weg voor hen een haarspeldbocht maakte en vervolgens boven in een slinger bij het houten dak aankwam. “Daar hoef ik niet heen Bobo,” zei Eileen.

Bobo kende Eileens schrik voor vreemde honden en vond de legerkampsfeer die van boven aan kwam waaien ook niet bepaald aanlokkelijk. Ze draaiden om en begonnen de smalle weg af te lopen. Na tien minuten hoorden ze een auto achterop komen. Bobo riep Boel bij zich, omdat die de nu eenmaal onbedwingbare behoefte had alle bewegende wezens als vrienden tegemoet te springen, en zo stonden ze met drieen stil langs de kant van de weg om de auto te laten passeren. Het was een kleine pick-up met een norse figuur erin die in hoog tempo rakelings langs hen heen scheerde. Ze waren nauwelijks op weg of ze hoorden opnieuw een auto naderen op de voorheen zo stille weg. Nu was het een auto met een hondenwagen erachter waar luid geblaf uit opsteeg. Er zaten twee mannen voorin die gebaren naar hen maakten en lachten.

Bobo keek hen twijfelend achterna. “Wat was daar nu de bedoeling van?” Eileen zei niets en keek met samengeknepen ogen de auto na. Opnieuw hoorden ze motorgebrom hoger op de weg.

“Weet je wat, Bobo. We gaan eens even van de weg af en laten eerst passeren wat daarboven vandaan komt.”

Bobo bekeek Eileens nadenkende gezicht eens “Okay, liefje, als je dat gerust stelt.”

Ze gingen in een inham in het struikgewas zitten en keken onderzoekend naar de passerende auto, die gevolgd werd door nog een auto, en nog een, en nog een. Er waren kleine auto’s met meestal twee mannen erin, pick-up’s met hondenhokken, grote fourwheeldrives met kennelijk dure heren met knechtjes erin en kleine personenwagens met oudere mannen. Iedereen was in groen en bruin gekleed, en allemaal hadden ze legerpetten, camouflagepakken en –jassen aan. Het was een optocht van meer dan 10 minuten en ze telden een zestigtal auto’s.

“Goeie genade,” riep Bobo nadat de laatste auto gepasseerd was, “die hadden een heel leger daarboven. En dat ter ere van die paar varkentjes die hier misschien nog in het bos rondhuppelen.”

“Het gaat die lui niet om de varkentjes, denk ik,” antwoordde Eileen. “Het is meer een kwestie van puberale sentimenten. Die mannetjes komen gewoon klaar op dat gezwaai met geweren en ze moeten hun eigenwaarde bevestigen omdat hun vrouwen dat niet doen.” Bobo vond dat gezien de mogelijkheid dat die opmerking kon worden uitgebreid tot zijn eigen mannelijkheid niet zo’n sympathieke uitleg. Hij zag meer die arme varkentjes voor zich waar die dikzakken uit die auto’s joelend en knallend achteraan joegen. En dat beeld besliste het voor Bobo: hij was van de partij van de varkentjes. “Het is goddorie een compleet leger,” besloot hij zijn verontwaardigde gedachtegang. “Het slaat toch nergens op om met zo’n heel leger achter die varkentjes aan te trekken!”

 

Eileen wist het: Bobo had een kluif gevonden en daar ging hij zijn tanden inzetten, dat kon niet missen. Ze besloot dat verdere discussie niet zinvol was en zo gingen ze terug naar huis.

 

Die avond hielden ze het vroeg voor gezien, vol van gedachten over wat er die dag gebeurd was. Bobo was al snel in een onrustige slaap verzonken. Hij hield van slapen en nog meer van dromen. Dromen werkten therapeutisch. Bobo hield niet van therapie en nog minder van therapeuten. Zijn associaties met de medische wereld waren pijn en ellende en alhoewel de therapeuten de ellende gewoonlijk niet hadden veroorzaakt bleef hij het één toch met het ander associeren en daarom had hij er nooit een goed gevoel bij.

Maar dromen heetten geen ‘therapie’ en dus mochten die wel. In zijn dromen was hij op zijn gemak. Daar loste hij alles op wat hij in werkelijkheid niet oploste. Dromen verschaften hem de tevredenheid die hij overdag miste. In zijn dromen mat hij zich met graagte magische krachten aan. Bouwwerken vlogen uit de grond, oorlogen werden met krachtige hand bedwongen, de machtigen der aarde kregen er geducht van langs; in Bobo’s dromen ging het eindelijk goed met de wereld. Als hij lekker gedroomd had, werd hij altijd tevreden wakker met een groot gevoel van optimisme dat hij dan in de rest van de dag kon opbranden om ’s avonds vernoeid en teleurgesteld aan nieuwe dromen te beginnen.

 

Zo was het ook die dag. Zodra hij in slaap gevallen was, liep hij weer die weg op, alleen nu, want Eileen relativeerde wat al te graag zijn prestaties. Hij klom naar de blokhut toe en zag hoe die dikzakken daar rond drie draaiende spitten zaten waar varkentjes aanhingen. Ze hakten er met grote, getande messen op in, stopten lappen vlees in hun mond en lachtten erbij. Hij stapte op de dichtsbijzijnde vent af. Hij had het gezicht van die vent met dat dubbelloopsgeweer.

“Vinden jullie je eigen wel dapper zo hier?” vroeg hij. De dikke lachte en zei iets van dat hij hier niets te zoeken had en dat hij hem wel eens zou uitleggen hoe het hier in de streek ging. Hij kwam terug met de man van het telescoopgeweer. “Mijnheer is zeker tourist hier?” zei deze. “Waarschijnlijk van de soort die denkt dat ze goed voor het milieu moeten zijn. Wij zijn juist goed voor het milieu hier. Wij voorkomen de overbevolking van varkens.

Wij beschermen ze in zekere zin tegen hun eigen ziektes.” En hij lachte Bobo minzaam toe. Bobo liet zich niet van de wijs brengen. Hij was hier wel tegen opgewassen: “En daarvoor moet je hier met een heel leger komen? Met een arsenaal aan wapens waar je gemakkelijk het hele dorp mee kunt uitmoorden?

Waar is dat goed voor? Ik wed dat jullie niet eens vergunningen hebben en het is geen jachtseizoen ook.” Bobo wist wat er nu ging komen en hij zag verschillende dikkerds naar hun geweer grijpen, maar hij kon dit wel de baas, hij…”

Een snerpende geluid sleurde hem uit zijn slaap. Kijk, daar had Bobo nu een bloedhekel aan, dat hij wakker werd als hij nog niet aan de overwinning toe was. Therapeutisch was de droom mislukt als het ware, in zijn tegendeel verkeerd om zo te zeggen.

Het huilende geluid ging over in een blaf en wel zo dichtbij dat Bobo zou zweren dat het naast zijn oren gebeurde. Hij hees moeizaam zijn hoofd omhoog en keek knipperend over de rand van de vensterbank naast zijn bed recht in twee droefgeestige ogen die van de andere kant van het venster naar hem keken.

“Woef,” zei het hoofd aan de andere kant van het raam en Bobo was klaarwakker.

“Eileen, een hond!” riep hij.

“Ja,” zei Eileen, die naast hem in bed bleek te zitten met een sigaret in haar hand. “Die is er al een half uur en ik hoopte dat hij je niet wakker zou maken, maar je ziet het.”

 

Bobo schoot zijn bed uit. “Hoe kun je nou een hond ’s nachts buiten laten,” mopperde hij in zichzelf en opende de deur. Voor hem stond het magerste scharminkel dat Bobo van zijn leven gezien had. Het beest had een lange magere kop met een spitse snuit die op die van Boel leek, maar met een zwarte neus. Zijn vacht was vaalbruin en erdoorheen kon je bijna zijn ribben zien. Zijn staart hing lusteloos naar beneden en hij zakte lichtjes door de achterpoten, hetzij van angst hetzij van zwakheid. “Goeie genade!” riep Bobo. “Man, ik wed dat jij niet eens meer weet hoe eten eruit ziet.”

ETAPPE 5

‘Filantropie’ is een woord met een dubbele lading. Het betekent niet alleen het in daden geven om mensen maar ook dat dat gedaan wordt omwille van het mens-zijn van die mensen.

Het woord ‘filoveterinie’ bestaat niet en dat zegt al veel. Hooguit hebben mensen ten opzichte van dieren zoiets van ‘leuk maar wel aan jouw kant van de tralies blijven’. Die afstandelijkheid zal rationeel wel een functie hebben maar emotioneel is de verhouding tussen een koning en een schoonmaakster toch echt niet een relatie optima forma.

 

Dus hield Bobo liever oprecht van Boel en hij knuffelde haar herhaaldelijk bijkans plat. Boel onderging dat met groot enthousiasme, sprong op en af Bobo’s schoot, ravotte om zijn benen heen en beet in zijn handen alsof Bobo haar favoriete kluif was. De genegenheid tussen de twee was wederzijds en daarom waren zij min of meer gelijkwaardig.

 

De nieuw aangekomen viervoeter had een andere instelling. Eenmaal op de hoogte van het feit dat er eten kwam uit die handen boven die twee grote voeten had hij onmiddellijk besloten die voeten te volgen waar ze ook heen gingen. Hij volgde die voeten naar binnen, naar buiten, naar beneden naar de rivier, naar boven naar het huis, totdat hij zelfs zittend en jankend voor de pleedeur werd aangetroffen. Bobo, die daar in zijn gewoonlijke haast bij zijn bezigheden niet op bedacht was, was al enkele malen, na een voor de viervoeter te snelle ‘omdraai’, over hem heengevallen wat onmiddellijk tot luidkeels gejank aanleiding gaf.

Boel was de mening toegedaan dat de nieuwkomer zich minderwaardig gedroeg en weigerde met hem te spelen. Eileen had Bobo enkele malen dreigend toegevoegd dat ze altijd gezegd had geen hond, laat staan twee honden, in huis te willen. Kortom, de slaafse viervoeter werd niet geapprecieerd en het leek Bobo verstandiger om hem elders een onderdak te verschaffen.

Maar waar?

 

In de stad vinden mensen honden altijd leuk, vooral als ze die niet zelf hebben. Maar op het platteland wemelt het vaak van de honden op de boerderijen en in afgelegen huizen, en dat is niet omdat daar het principe ‘hoe meer zielen hoe meer vreugd’ gehuldigd wordt maar eenvoudigweg omdat de eigenaars er maar niet in slagen om de ongebreidelde voortplanting van het gedierte in toom te houden. Wie Bobo ook belde, niemand wilde iets van zijn scharminkel weten.

Toen hij Garcia aan de lijn kreeg, hoorde hij - na zijn verhaal gedaan te hebben - eerst het gebruikelijke gebulder aan de andere kant en toen zei Garcia: “Luister Bobo, als je hier een probleem van maakt, kun je nog wat beleven. Als er jagers zijn, zijn er honden. Jagers hebben honden. Ze houden er niet van, maar ze hebben die honden nodig. Als er geen honden zouden zijn, zouden die jagers zelf achter de varkentjes aan moeten zitten. En dan zouden hun kleren vuil worden en moesten ze hun schoenen poetsen en verloren ze hun pet. Allemaal heel erg. Dus dat doen ze niet. Ze komen aan, gaan langs de kant van de weg op hun varkensleren driepoten zitten en sturen hun honden het bos in. Die jagers wachten dan daar de varkentjes op die van schrik het bos uit vluchten en dan bij de heren aankomen die daar op hen zitten te wachten. Poef, einde varkens, einde jacht. Helaas, voor jou, ook einde van het gedoe met de honden. Ze fluiten een keer. Er komen honden terug en er zijn er die niet of niet snel genoeg terugkomen. Wie niet op tijd terug is, heeft pech gehad. Die blijft in het bos achter. En, tja, daar woon jij tegenwoordig, Bobo.” Garcia schaterde het uit.

Bobo begreep dat het hondenleed dat op deze wijze veroorzaakt werd mensen niet zou motiveren een hond op te nemen, want de eenmaal opgevangen hond zou als diefstal beschouwd kunnen worden en te allen tijde bleef het mogelijk dat een narrige jager zou verschijnen om zijn verloren scharminkel weer op te eisen.

 

Hij besloot in arren moede tot een list. “Ik doe hem gewoon zijn riem met het naamplaatje van de eigenaar af en lever hem af bij het asiel in het dorp.” Opgewekt bij dat vooruitzicht ging hij het scharminkel , ondertussen ontdaan van zijn halsband, vooraf naar zijn auto. Hij opende de achterdeur van het autootje maar daar had scharminkel blijkbaar slechte associaties bij want hij deinsde achteruit met een angstige blik gericht op het binnenste van Bobo’s toch onschuldige vehikel. “Ja, als je zo reageert kan ik me voorstellen dat ze je niet meer in de auto kregen,” verzuchtte Bobo. “Nou hop dan. Ik zal je er wel indragen.” Hij pakte scharminkel voorzichtig op in de houding waarin hij stond en droeg het beest, dat in zijn staande positie versteend was, in de auto. In de auto kwam scharminkel in beweging en wel in de richting van de uitgang. Bobo wist hem echter tegen te houden en de deur dicht te wringen zonder poten en oren er tussen, wat gezien Bobo’s reputatie een niet onaanzienlijke prestatie was. Zo togen ze naar het dorp.

 

Garcia had hem uitgelegd waar het asiel was en zijn aanwijzigingen volgend kwam hij achtereenvolgens bij de plaatselijk vuilnisbelt en daarachter bij een lage betonnen bunker waar het asiel gehuisvest moest zijn. Hij draaide de auto voor de enige deur die hij kon vinden en stapte naar binnen. Zijn pad zag hij geblokkeerd door een houten blok dat waarschijnlijk als balie fungeerde. Aarzelend bleef hij staan en probeerde te onderscheiden wat zich achter het blok bevond. Achter een oud groenstalen bureau zag hij een omvangrijk lichaam waarop een rond hoofd bevestigd was, versierd met een overdaad aan overjarige acne en een rood-hoornen bril die voor een reus bedoeld moest zijn geweest. Aan beide zijden van het hoofd stak de bril dan ook enige centimeters uit en een enorme paardestaart laag achter het hoofd completeerde het portret. In dat hoofd stonden twee toornige donkere ogen die argwanend onderzochten of de binnengekomen persoon de moeite waard kon zijn om uit de kantoordossiers te komen. Ze besloten van niet.

Bobo bewoog voorzichtig van de ene voet op de andere, inschattend wat de juiste toonhoogte zou zijn te om de ingetreden impasse te doorbreken. “Eh, uh” mompelen leek hem een zwaktebod. Wachten en zwijgen zou een machtstrijd worden. Botweg om aandacht vragen werd duidelijk als een ongewenste inbreuk in de privacy van dit kantoor beschouwd. Wat te doen? Bobo besloot dat het niet redelijk was om van hem te verwachten dat hij stil bleef wachten en hij deed dus voorzichtig zijn mond open om het initiatief te nemen.

Dat had ze gezien. Ze tilde haar massieve boezem van het bureaublad en verhief zich tot ze uitgroeide tot een berg mens vanwaaruit Bobo door een vlammende blik werd getroffen. Het was háár kantoor en in háár kantoor had zij het initiatief en niet een of andere indringer. Dus zei ze met een stem waarvan het timbre onnatuurlijk laag was: “Was er iets waarvoor u kwam?”

Bobo voelde dat zij, in de veronderstelling dat hij zo’n nitwit was, het niet voor onmogelijk hield dat hij voor niks kwam. Hij besloot zich te bewijzen: “Nou, ik heb een hond gevonden en die kan ik niet houden.”

“Gevonden?”

Bobo begon te zweten en zei vlug: “Nou, aan komen lopen zal ik maar zeggen, hè.”

Ze besloot dat ze genoeg had gescoord en bromde: “Breng maar eens binnen want zo kan ik er toch niks van zeggen.”

Bobo liep naar buiten, haalde de hond uit de auto en droeg het scharminkel naar binnen. Hij zette hem op de grond, waar hij prompt door zijn poten zakte en van schrik een plas deed.

“Geweldig,” sneerde ze. “Waar is zijn band?”

“Geen band,” antwoordde Bobo. “Die had ie niet” en hij hoopte dat hij geloofwaardig klonk.

Haar reactie maakte hem diep ongelukkig. “Geen band? Dan kijken we voor zijn nummer in zijn oor hè” en ze sloeg een van de lange flappen van scharminkel omhoog waar een groot nummer in getatoeeerd bleek. “Ik zal de eigenaar wel even bellen dan kunt u hem daar afzetten.”

Bobo keek met ongeloof van scharminkels flapoor naar de superieure grijns van het kantoormens. “Tja maar waar woont die dan?”

Ze wist dat ze de strijd gewonnen had en belde nu bedaard een nummer. Niemand nam op. Ook een tweede en derde poging faalde. Ongeduldig bekeek ze scharminkel. “Ik heb hem wel te eten gegeven hoor,” zei Bobo in een vertwijfelde poging om nog enige indruk te maken “Gaat u maar,” zei ze somber. “Deze hier is rijp voor de dokter.” Ze draaide zich om teneinde duidelijk te maken dat hij niet meer verondersteld werd daar te zijn als ze weer opkeek.

 

Zwetend vluchtte Bobo het kantoor uit, met een gemengd gevoel van tevredenheid en verslagenheid. Hij had behoefte aan een opkikker, iets om zijn door de ostentatieve minachting van de asielbeheerster ondergraven gedrevenheid weer op te krikken. Hij besloot Garcia’s kantine te bezoeken voor een drankje.

 

La Cantina had zijn naam te danken aan de omstandigheid dat de inhoud van het brouwsel aan activiteiten dat er bedreven werd onder geen enkele erkende bestemming te brengen was. Evenals trouwens het bouwsel waarin garcia opereerde viel in te delen in hetzij de categorie woningen, hetzij de categorie handelsruimtes. Het was zowel het een, als het ander. Er ontbrak een als zodanig te beschouwen ordentelijk dak, het interieur was een betonnen voortzetting van het exterieur, opgefleurd door een tegen de achterwand geplaatst houten bouwsel van bescheiden hoogte waarop lege flessen neerhingen en dat door garcia als bar betiteld werd , maar eigenlijk vooral diende om aan het zicht van de bezoekers het feit te onttrekken dat hij flacons wijn in flessen overgoot. Tegen de drie ramen waren tafeltjes geschoven, waarvan van het blad exact kon worden afgelezen welke kleuren de achtereenvolgende eigenaars er in de loop der jaren op hadden uitgesmeerd.

 

Vrijwel vanaf de eerste maal dat Garcia ook maar een luik had geopend – er hingen toen nog luiken aan La Cantina – had de plaatselijke rechtsorde in de persoon van burgermeester A.J. Van ‘t Veld zich op zijn nering gestort. A-J, die eigenlijk Arend-Jan heette maar graag ‘A-J’ genoemd wilde worden als hij amicaal wilde zijn, kon met het oog op zijn bestuurlijke ‘power’ niet voetstoots aanvaarden dat midden in zijn dorp een middenstander of iets wat dat had moeten zijn van start ging zonder dat hij daarvoor toestemming gaf. Als het een succes mocht worden, dan moest dat toch zeker deels aan zijn formeel gegeven toestemming te wijten zijn. Werd het geen succes, dan kon hij door het intrekken van de eerder gegeven toestemming in naam van allen de falende middenstander de noodzakelijke schop nageven. Voor A-J lag de zin van de politiek in dat manipuleren met toestemmingen. Garcia had A-J wel doorgehad en juist daarom geen toestemming gevraagd. Hij had die toestemming niet nodig (de enige winkel, annex café, slijterij, reisbureau, VVV, restaurant, bakker die het dorp bezat kon niet gemist worden), maar A-J wel, want die had een gezicht op te houden. Geen toestemming vragen maakte het voor A-J noodzakelijk Garcia te smeken of hij niet toch toestemming wilde vragen en zo werd A-J afhankelijk van Garcia en niet andersom. Een zeer tot tevredenheid stemmende situatie, vond Garcia.

 

Een van de positieve gevolgen van het ontbreken van de vereiste documenten was de frequente aanwezigheid van A-J in La Cantina. A-J hield zichzelf altijd voor dat hij daar om bestuurlijke redenen onontbeerlijk was, en Garcia wist in welke glazen vormen die bestuurlijke motieven waren vervat en zo hadden zij samen een modus vivendi gevonden waarin zij hun incomptabilité d’humeur aangenaam konden beleven.

 

De discussie bewoog zich, toen Bobo binnen kwam, zoals gewoonlijk over plezant platgetreden paden.

“Alleen al de alcohol,” zei A-J voor de zoveelste maal, “alleen die al! Daar zul je toch van moeten uitmaken of je dat nu voor winkel-, café- of restaurantprijzen aan het verkopen bent. Dat kun je toch alleen weten als je weet wat je status eigenlijk is.”

“Ha,” antwoordde Garcia, “nee, nou wordt die mooi, jij probeert me lekker te maken voor je vergunning door me de mogelijkheid van restaurantprijzen te bieden, maar wat denk je, als jouw vrouw hier weer eens voor de eenzame uurtjes een fles of wat komt halen, zal ik haar dan maar zeggen dat ze die niet krijgt want ‘dit is een restaurant’?” en hij gnuifde tevreden.

A-J gruwde bij de gedachte aan de meer nuchtere perioden van zijn ega waarin ze hem voortduren sarde over de omvang van zijn machtsbereik (een dertigtal inwoners en 850 koeien) en over het ontzag dat hij niet vermocht in te boezemen. “Daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat erom dat jij niet wilt inzien waarom er regels moeten zijn, hoe de werkelijke verhoudingen in de samenleving liggen, waar de macht ligt, wat beslissend is voor wat jij kunt doen en wat je niet kunt doen.” A-J haalde nog eens diep adem alvorens aan een nieuwe lezing maatschappelijk inzicht te beginnen.

“Bobo!” galmde Garcia, die zich door de juist in de deuropening verschenen nieuwkomer van een hernieuwde les in maatschappelijke regels gered zag. “Kom je het hondse leed of het hondenleed verdrinken?”

Bobo vond het duidelijk niet grappig en zakte somber in een stoel bij een tafeltje naast de deur. Garcia voorzag hem van een karaf wijn. A-J en Garcia bekeken meewarig hoe Bobo de wijn in zijn glas schonk en daarop een veel te grote slok nam waarna hij welhaast leek om te komen in de verslikking die daar het gevolg van was.

“Onze vriend Bobo is gestoten op de maatschappelijke macht hier,” lichtte Garcia toe. “Althans op een voor hem niet onbelangrijk aspect daarvan: de honden.”

“Die honden zijn evenzogoed een bestaanvoorwaarde voor het dorp als voor jou Garcia,” zei A-J. “Je weet net zo goed als ik dat er zonder de honden geen jacht is, en zonder de jacht geen jagers. Zonder die jagers kun jij je tent wel sluiten, vergunning of geen vergunning.”

Bobo mengde zich in de discussie: “Het zal wel aan mij liggen, maar mijn idee van een jager is dat van iemand die geduldig met een geweer door het bos trekt, als het moet dagenlang, achter dat ene beest aan dat hij moet en zal hebben, en niet dat luie volk dat in een stoel aan de kant van de weg gaat zitten en de honden het vuile werk laat doen.”

“Wat doet dat er nou weer toe, hoe ze jagen? We hebben hier geen last van ze en ze brengen een hoop geld in het laatje en daar gaat het voor een kleine gemeenschap als wij zijn gewoon om. Dát zijn de echte verhoudingen.” “Hou nou eens op met je maatschappelijke verhoudingen,” bromde Garcia. “Daar begrijpt Bobo als nieuwkomer toch niks van.”

“Ik weet niet waar ik niks van begrijp maar wel dat die lui hier uit het dorp met mij niks te maken hebben en…”

Garcia onderbrak hem: “Grove vergissing, Bobo, zware denkfout. Jagers zijn geen lui uit het dorp. Integendeel, jagers zijn juist de lui die niet uit het dorp komen, een enkeling of een hondenpiqeur daar gelaten. De jagersvereniging van ons dorp – ‘en van alle dorpen,’ vulde A-J hem aan – bestaat voor een piepklein deel uit mensen uit het dorp en voor een zeer groot deel uit mensen uit de stad; in ons dorp hier telt de jagersvereniging 204 leden van wie er drie uit het dorp komen. En ook al komen ze dan allemaal uit de stad, ze hebben wel degelijk wat met jou te maken en denk maar niet dat A-J hier dat zal tegenspreken, al was het alleen maar omdat hij ere-secretaris van de jagersvereniging is.”

“Het is ook een eer, ook voor het dorp, dat ik dat ben, want zowat alle notabelen uit de hoofdstad zijn hier lid,” zei A-J uit de hoogte.

“Dat is de halve waarheid A-J,” zei Garcia. “De ene helft mag dan notabelen zijn, de andere helft is het soort volk dat zich graag ‘vrije jongens’ noemt en niet bang is voor vuile karweitjes voor de dure jongens in de club.”

 

Op dat moment werden zij gestoord door de verschijning van een omvangrijke en Bobo helaas al bekende gestalte. “Garcia, luie uitvreter die je bent, geef me wat te drinken want ik moet bekomen van weer zo’n sukkel die een hond bij me heeft afgeleverd na hem eerst zowat te hebben vermoord.” Ze had Bobo duidelijk nog niet gezien in het donkere interieur.

“Joella, het is misschien niet helemaal het juiste moment,” probeerde Garcia haar tactvol te remmen.

Tact was niet een eigenschap die Joella bezat. “De droplul heeft een hond die ze voor de jacht hadden geprepareerd zitten voeren; het arme beest heeft zich zowat doodgekotst.” Een zelf in het donker zichtbaar bleek geworden Bobo liet zich nu horen. “Maar hij was uitgehongerd!”

Joella zag hem nu zitten. “Oh god, mijnheer snugger is hier. Zit zijn hondenredding te vieren zeker. “Man, blijf toch daar waar je vandaan gekomen bent.” En ze draaide haar omvangrijke achterwerk zo voor Bobo’s tafeltje dat de hele bar aan zijn zicht werd onttrokken.

“Bobo,” zei Garcia langs het dikke hoofd van Joella turend. “Ze bedoelt dat die hond broodmager MOEST zijn en honger MOEST hebben want anders jaagt ie niet op de dieren in het bos.”

“Bedoel je dat ze hem uitgehongerd hebben om hem te laten jagen?” “Ja”.

“Hoelang?”

“Normaal zo’n twee à drie weken voor de jacht.”

“Dat is niet te filmen, dat is te gek voor woorden, dat is...” Bobo verslikte zich bijna van woede. “Het is dierenmishandeling en dat is strafbaar,” bracht hij uiteindelijk uit.

“Het is nodig voor de jacht en dan kan ik hier – en ze wees beschuldigend naar A-J – er niks aan doen,” zei Joella.

“Je moet ook oog hebben voor het grote belang van de jacht voor de bescherming van de natuur,” bracht A-J zalvend in het midden. “Je weet wat er gebeurt bij overbevolking van dieren, denk maar aan mixtamatose. En de boeren willen ook niet dat hun gewassen beschadigd worden. Eigenlijk is de jacht een gratis dienstverlening die de overheid nu bespaard wordt en die jij anders als belastingbetaler had moeten betalen.”

“Nou, nou, nou, wat zijn we weer onbaatzuchtig. ‘Dienstverlening’ nota bene!!! Ik krijg er tranen van in mijn ogen. Je bent ontroerend A-J, ik zou bijna denken dat er hier niks aan de jacht verdiend wordt.” Garcia lachtte “Allemaal gelul, Bobo, jacht is industrie en winstgevend ook. Die jongens betalen wat hoor. Eerst de winkel in voor speciale kleren, geweren, kijkers, kogels, telescooplenzen, en weet ik veel maar voor een boel geld. Dan moeten er honden zijn en een hondenpiqeur want de heren doktoren, notarissen en dergelijke willen uiteraard geen keffende meute die omkomt van de honger in hun achtertuin. Dan worden ze lid van een jachtvereniging. Niet goedkoop, dat kan ik je verzekeren, en dan kopen ze hun jachtvergunning via de vereniging van de gemeente. Maar dan zijn ze er nog niet want ze weten net zo goed als ik en jij nu dat landeigenaren niet zitten te wachten op afgedwaalde kogels of andere rotzooi en dus moeten ze dokken om de landeigenaren ervan te overtuigen ze toch toe te laten. En ja, als je dan in een dorp in een bos woont zoals jij, Bobo, ja daar moeten er dus veel worden omgekocht. De jacht is hier in het dorp de grote inkomstenbron en niet de officiele landbouw. Dieren mishandelen is hier geen ramp. Dieren dood maken is winst.

Dat is wat het is.”

Bobo keek hem met ongeloof aan: “Maar daar ben jij het toch niet mee eens?” vroeg hij vol afgrijzen.

“Dat zou ik misschien als ik een mening nodig had, maar die heb ik niet nodig. Sterker nog, het gaat hier veel beter zonder.”

 

Garcia glimlachte. “Drink er een van mij Bobo, dan zal ik ondertussen eens kijken of ik je niet voor het probleem, althans voor de zichtbaarheid ervan, kan vrijwaren.” Hij schommelde opgewekt weg naar het donkere achterdeel van La Cantina.

 

Het achterblijvende gezelschap verdeelde zich in een roddeldeel, A-J en Joella, en een peinzend deel, Bobo. Buiten begon de zon steeds zichtbaarder te dalen naar de rand van de vallei, waar hij straks achter de bomen zou verdwijnen. In en rond het dorp kwamen mensen uit hun huizen en openden de luiken, nu de grote hitte wel achter de rug was voor vandaag. Het dorp maakte zich op voor een lange avond.

 

De eersten die kennelijk besloten hadden dat Garcia beter voor hen kon zorgen dan ze voor zichzelf wensten te doen, waren mijnheer en mevrouw Roos. Zij woonden in een afgepast huis aan de rand van het dorp waarvoor elk jaar te juister tijd de bakken met geraniums werden gehangen en waartoe een wit grintpad de toegang verschafte. Uiteraard was dit pad gescheiden van de openbare weg door een houten spijlenhek, niet te hoog, zodat de passanten wel de degelijkheid en kwaliteit van tuin en huis konden zien, maar ook niet te laag zodat passanten niet konden denken dat er zeker geen geld was voor een goed hek. Zij hadden dat feilloze gevoel voor wat hoort: de broek die mijnheer Roos droeg bij het tuinieren toonde dat feilloze gevoel. Het was een soort lichte kaki broek, zo een die een werkman nooit zou dragen als hij echt zou werken en die eigenlijk alleen geschikt was om aan te geven dat de drager tuinwerk alleen voor het chique amusement deed. Mevrouw Roos had er zelfs een soort bijbel van gemaakt die voor Nobert Elias een bron van vreugde zou zijn geweest gezien de uitgebreide en onderscheidende omschrijvingen van gedragingen die de mens tot een burger ombouwden.

Als er een bezoeker kwam – en zij beijverde zich zeer om te zorgen dat die kwamen – opende zij haar servieskasten om te selecteren welk servies bij het uur, de bezoeker en het gerecht zouden passen. Je kon er de donder op zeggen dat als A-J eens met de gemeentelijke werkman langskwam zij twee verschillende kopjes voor de thee kregen.

Tegen hen kon je moeilijk Mark en Jans zeggen, zoals ze in werkelijkheid heetten. Er zijn nu eenmaal mensen van wie afstraalt dat hun vriendelijkheid een functioneel afgeleid gevolg is van de eisen van de situatie en dat die niets te maken heeft met hun karakter of hun opvattingen. Dat is eigenlijk niet precies genoeg uitgedrukt. Het is meer zo dat mensen als mijnheer en mevrouw Roos geen opvattingen of karakter hebben maar die alleen vertegenwoordigen. Zij voeren het toneel op waarvoor de toeschouwers betalen in de vorm van de opgelegde interesse die ze worden geacht te vertonen voor de uitspraken van deze geachte burgers.

 

Uit de aard van de zaak was A-J het meest voor de handliggende doelwit voor het koppel. Hij was daar ook gevoelig voor want mijnheer en mevrouw Roos waren de enigen in het dorp die hem aanspraken met ‘burgemeester’.

“Een heerlijke avond, vindt u niet burgemeester?” De slijtage aan deze platitude was mijnheer en mevrouw Roos blijkbaar onbekend.

“En een heerlijke dag voor de jacht ook,” zei A-J, die naar een gelegenheid zocht om zich te wreken over de valse bejegening van zijn geliefde jacht. “Ah u bent achter de zwijntjes aan geweest begrijp ik,” zei mijnheer Roos in een poging tot joviale meelevenheid.

“Nou nee, ik persoonlijk niet,” schrok A-J terug, bang voor een directe confrontatie met Bobo, die na de nodige glazen nu vertoornd naar hem zat te kijken.

“Het is toch heel leuk om zoiets te doen op zo’n mooie dag?” Mevrouw Roos vond haar opmerking geslaagd en ging door. “Bovendien, als u wat vangt kan ik dat tot een mooie schotel verwerken en dan bent u uiteraard uitgenodigd.” “Nou, Bobo hier zal uw schotel dan niet waarderen,” ging A-J wraakzuchtig door. “Hij begrijpt nog niet de geneugten van het echte landleven.”

Nu het gesprek door de burgemeester was begonnen, vond mijnheer Roos dat hij zich een conversatie met Bobo kon permitteren.

“Hoe gaat het met de bouw, kerel, veel werk zeker he?”

“Met de bouw is niks aan de hand, maar met die toestanden hier wel. Krijgt u soms ook geld om de jacht toe te laten op uw terrein?” Bobo was geobsedeerd geraakt en hij was niet van zins zijn onderwerp te laten schieten.

“Wat een vraag nu weer, Bobo,” zei mevrouw Roos in een poging om Bobo’s directe vraag in liefdevolle beschaving te smoren. “Typisch iets voor jou; dat is altijd zo schattig aan jou, die spontaniteit.”

Bobo voelde dat hij niet boos op haar kon worden, ook al besefte hij dat haar opmerking hem tot de clown in de zijlijn maakte, de dorpsgek waar je je niet echt druk over hoeft te maken. Vrouwen zijn vrouwen, een smile en ik ben weer verloren, bedacht hij enigszins hopeloos.

“Nee, maar wat mij interesseert is niet dat geld en zo, maar het ‘waarom’. U schiet toch ook niet op uw man, mevrouw Roos, of op A-J? Waarom schieten mensen op dieren? Ik bedoel, ik zou dat begrijpen als er een noodzaak is, iets als ‘zij of ik’, survival of the fittest, honger, gevaar. Het kan me niet schelen wat voor noodzaak, maar een noodzaak. Maar voor die lui die in de stad al smakken geld verdienen is er toch geen noodzaak? Ik kan A-J nog begrijpen als het zo is als Garcia zegt. De mensen in het dorp hebben geld nodig en ze krijgen dat van de jagers en dus is A-J voor. Maar jagers zelf, wat is daar mee?” “Daar is niks mee,” zei mijnheer Roos beslist. Mijnheer Roos was manager van beroep geweest en hij wist dat inzichten dan niet hielpen en alleen de kracht van gezag iets zei tegen ondergeschikten. “Jacht is in de natuur van mensen. Het is een kwestie van oog om oog, tand om tand. Wij zijn sterker en dat willen we weten ook.”

“Bullshit!” Dat was niet lief van Bobo maar het maakte wel duidelijk dat hij het meende. “In het echte leven, of hoe u dat ook noemt, doe je juist alles om te vermijden dat het tot een botsing komt. Je wilt eigenlijk niet uitvinden wie de sterkste is. Het hele leven is een organisatie van procedures, regels en dergelijke om te voorkomen dat we op elkaar schieten. Als u gelijk heeft mijnheer Roos, dan moet ik u toch eerst voor uw hersens slaan om te weten wie de sterktste is. Ik sla niet, want ik hoef dat niet te weten. Ik kom zo ook wel uit de discussie, of niet dan?”

“Dat mag ik hopen,” zei mijnheer Roos voorzichtig geworden. “Ergens heb je wel gelijk,” suste mevrouw Roos. “Ik zou eigenlijk ook niet weten waarom ze nu echt schieten, want ze kunnen dat vlees ook gewoon in de winkel kopen.”

“Natuurbeheer!” zei A-J beslist. “Het zijn natuurliefhebbers. Ze willen dat oergevoel terug hebben van de mens in zijn natuurlijke element. Het gaat erom de verbondenheid van je bloed met de bodem en de natuur te voelen. Die tinteling, die spanning! Ja dat is het!” Hij was geheel voldaan door zijn Himmleriaanse vondst.

“Het probleem met jullie,” zie Bobo “is dat volgens jullie het jagen een natuurlijk gevolg is van hoe wij zijn. Maar dan heb ik een probleem met jullie of met mezelf want ik wil het niet en ik vind het afschuwelijk. Alhoewel het in jullie opinie in mijn aard zou zitten om te doden.” “Misschien moet je dat niet zo rechtlijnig opvatten,” zei Joella, die tot dan toe alleen maar had zitten luisteren. “Het is als met mijn honden. Ik zoek de confrontatie niet maar als er een aanvalt, al was het maar uit angst, dan moet ik me de sterkere tonen ook al ben ik zelf nog zo bang.”

“Ja, maar als dat zo is, dan zoeken jagers vrijwillig een situatie op waarin ze hun angst moeten overwinnen,” reageerde Bobo. “Dan is het dus een soort gevecht via de dieren met hun eigen gevoel dat ze tenonder gaan als ze zich niet de sterkste tonen.”

“Misschien,” gaf Joella toe. “Misschien doden ze ze gewoon om hun eigen faalangst, de vrees eens niet de sterkere te zijn, te overwinnen. Dat zou verklaren waarom het jagen allerlei lui aantrekt uit beroepen met een grote prestatiedrang.”

“Je bedoelt dat die lui hier het geweld komen zoeken dat ze tegen hun cliënten of patiënten eigenlijk hadden willen uitoefenen?”

”Als het leven hun jachtterrein is, dan is de jacht op mensen verboden en dan blijft die op de dieren over. Dat wel!” zei Joella.

‘En waarom zouden wij of ik dan niet zo zijn?’ peinsde Bobo.

 

Garcia had zich beziggehouden met het eten. Bobo had al eens gezien hoe dat ging en zich vervolgens voorgenomen nooit tegen Eileen te zeggen wat er in Garcia’s keuken gebeurde omdat hij vreesde dat ze er anders nooit meer zou willen eten. Garcia kookte in twee fasen en een nulfase. In de eerste fase verzamelde hij zijn materiaal en de grondstoffen. Daarbij ging het niet om het uiterlijk. Integendeel, het ging vaak eerder om het doen verdwijnen van het uiterlijk. Een vervaarlijk wit uitziende karbonade moest ontdaan worden van foutieve kleur en geur. Ingelijks de groenten. Garcia placht te zeggen dat wat erin ging niet was wat eruit kwam dus dat het er niet toe deed maar Bobo had wel moeten beloven zijn keukengeheimen niet te verklappen. Na de eerste fase kwam de nulfase. Die fase was nul omdat naar Garcia’s maatstaven dat niet iets was waar zijn bemoeienis nodig was. In de nulfase ging alles in stoofpotten, die vrijwel de hele dag min of meer stonden te pruttelen en waar hij niet naar omkeek. Na de nulfase kwam de tweede en belangrijkste fase. De basis van het gerecht verhuisde uit de stoofpot naar een bord voor een gast en daarop werd dan vervolgens een uitgebreid arsenaal potjes, zakjes, busjes en flesjes los gelaten. Garcia jongleerde in deze fase als een soort circusartiest met zijn ingrediënten en wreef zich van louter genoegen over zijn spectaculaire acties langdurig in de handen. Als hij het gerecht vervolgens liet opdienen ging dat altijd vergezeld van een brandend kaarsje in een exorbitant wit potje met gekleurde bloemetjes eraan.

 

“Eten doe je in vaste en in vloeibare vorm,” placht Garcia te zeggen en: “Het is juist het vloeibare deel dat ons onderscheidt van de koeien die het met droge korrels af kunnen.” Gevolg van die opvatting was dat Garcia het vloeibare deel rijkelijk verzorgde. Dit was soms ook geen overbodige luxe gezien de diversiteit in het smaakassortiment die er na een dag pruttelen overbleef. Een goede aperitief werd gevolgd door een zoete wijn, muskaat of iets dergelijks, waarna een serieuze witte wijn volgde, een chardonnay of een sauvignon, al dan niet opgevolgd door rode wijn, waarbij Garcia zijn gasten bij voorkeur goedkope Rioja in de maag splitste. Het geheel werd afgesloten met een cognac of armagnac al dan niet voorafgegaan of gevolgd door koffie. Er bestond ten aanzien van vde erschillende vaste gasten gerede twijfel of ze voor het vaste of het vloeibare deel van ‘het eten’ kwamen, al hield Garcia bij iedereen vol dat ze voor beide kwamen.

Je kon gewoonlijk aan het stijgen van het gemeenschappelijke geluidsvolume in La Cantina afleiden in welke fase van het menu de gasten verkeerden.

 

Bobo was nog aan de Chardonnay toen Carcia met een figuur bij zijn tafel kwam staan die Bobo tot dan alleen van verre had gezien. Het was een kleine man, rond van postuur die zijn zwaar naar voren hellende ingewanden in bedwang hield door zelf schuin naar achteren te buigen. Hij werd hierbij geholpen door een stok die hij voor zich hield. Op dit scheef gebogen lijf stond een rond hoofd voorzien van twee stoppelige kinnen. Bovenop het hoofd bevonden zich twee slierten grijs haar die in een krans waren gedrapeerd. Deze haardracht moest er blijkbaar toe dienen de pretentie hoog te houden dat de bezitter ervan niet kaal was. Het gezicht werd getekend door twee diep in wallen liggende donkere ogen onder borstelige wenkbrauwen waarmee hij steeds schuin van onderen opkeek, een houding die leek aan te geven dat hij elke gesprekspartner wantrouwde.

“Dit is de Graaf,” verklaarde Garcia de aanwezigheid van de man. “Hij is het wel niet officieel maar hij heet wel zo officieel,” en hij lachte weer om zijn eigen woordspeling. “Hij kan jou helpen en ons daarmee ook want zo voorkomen we misschien dat er problemen komen.”

Bobo bekeek de nieuwkomer hoopvol.

“Er komen helemaal geen problemen en er zijn helemaal geen problemen,” zei de Graaf met grote stelligheid. “Problemen kunnen worden gemaakt maar waarom zouden we?” Hij produceerde een grijns van oor tot oor die inemend bedoeld moest zijn. “Er is hier ruimte genoeg voor veschillende ideeën over de natuur en de jacht. Wij beschermen de dieren ook. Sterker nog…. we geven ze zelfs te eten.”

“Ja, hoho,” zei Garcia “als ik hier mensen te eten geef is dat ook om te zorgen dat ze naar hier komen. Het is met jou en je zwijntjes niet anders. Maar ik zal me er niet mee bemoeien want ik wil ook dat het allemaal gewoon vreedzaam geregeld wordt.” Hij schommelde weg om weer deel te nemen aan het nuttigen van het vloeibare deel van het diner.

“Heeft hij u uitgelegd dat ik niet houd van het idee dat er dieren worden dood gemaakt onder mijn neus?” zei Bobo voorzichtig.

“Dat heeft hij en dat is menselijk hoor. Niemand loopt voor zijn lol in een slagerij rond, hè?” De Graaf lachte weer. “Het is voor ons, de jagers van de jagersvereniging hier, natuurlijk een sport. Wij zien die dieren ook pas van dichtbij als ze al dood zijn. Als voorzitter kan ik uitleggen hoe dat hier werkt.” “Nou,” zei Bobo, “hoe meer ik ervan hoor, hoe minder ik eigenlijk wil weten hoe het werkt. Ik wil het gewoon helemaal niet op Het Licht.”

 

Het was even stil in hun hoek van La Cantina.

“Nu goed,” zei de Graaf tenslotte .“Ik zal ervoor zorgen dat jouw gebiedje (uit zijn mond klonk dat alsof Het Licht een keutelige schuur achter La Cantina was, dacht Bobo) niet meer bejaagd wordt.”

Bobo dacht even dat hij het niet goed begrepen had. “U bedoelt dat het daarmee gewoon afgelopen is met de jacht bij ons, gewoon helemaal fini en zo?”

“Dat bedoel ik ja,” zei de Graaf. “Dat is toch wat je wou?”

Bobo knikte. Zijn geloof in de goedheid van de mens was op slag in zijn voormalige onvoorwaardelijkheid teruggekeerd. De toezegging van de Graaf deed het hele probleem, dat voor Bobo in de loop van de dag alsmaar groter leek te zijn geworden, in rook opgaan Het probleem bestond gewoon niet meer, alsof het er nooit geweest was en er ook nooit meer zou zijn.

Het is in feite een merkwaardig bijgeloof van mensen… dat idee dat je van problemen af kunt komen door ze te ontlopen of er een bezwerende formule over uit te spreken. Het heeft iets van het verwarren van dimensies. ‘Als ik me maar verwijder in de ruimte van het probleem, raakt het vanzelf ook weg in de tijd of in de sociale betrekkingen.’ Ben ik een kluizenaar, dan raak ik ook niet besmet met het smeersel der aardse vervloekingen. Hale je de koekoek natuurlijk. Die aardse vervloekingen reizen in je onderbuik mee naar de woestijn. Mensen zijn warhoofden als het erom gaat de dimensies in het bestaan te onderscheiden zodat ze de dimensie van de taal vaak aanzien voor de dimensie van het onderliggende probleem. Met soms fatale gevolgen zoals uit de historie der ideologieën al te vaak is gebleken.

 

Bobo leed daar onder. Al wist hij dat nog niet.

 

Op slag was Bobo vergeten wat er voor diepere motieven achter de jacht zouden zitten of waarom A-J zo’n voorstander van de jacht was. Zijn oude vertrouwen in de mensheid bracht een brede, rozige smile op zijn gezicht en Garcia – die dat met genoegen had waargenomen – vond dit het moment om de jukebox naast de bar een ferme klap te verkopen. Het was de enige manier om het apparaat aan de praat te krijgen, nadat Garcia eens in een bui van muzikale euforie de startknop te enthousiast had ingedrukt waarna deze geheel in het binnenste van het apparaat was verdwenen.

Het opstijgende geschetter van een hispano-gericht orkestje deed de gasten, die toch al boven hun cognacjes hadden moeten schreeuwen om boven het toenemende tumult uit te komen, besluiten om hetzij zonder enige gene naar elkaar te krijsen dan wel wijselijk te zwijgen. Garcia bezag zijn kudde met genoegen. Dit was het hoogtepunt van zijn dag. Niet de bourgondische geneugten van een goede dis, noch het toch onmiskenbare bevredigende van een goede siësta waren de dingen die hem het meest bekoorden in zijn leventje in dit dorp. Nee, Garcia voelde op het moment dat de banjo’s klonken en de trompetten schetterden zich als de Zorro van het dorp, de held van de dansvloer, de Don Juan te midden van de simpele boeren. In zijn La Cantina was het zijn voorrecht de dames van het gezelschap rond te zwieren als de kogels bij het kogelslingeren en ze met verheven gezicht van zijn ene arm naar zijn andere te werpen en dat, dat was werkelijk het ultiemste geluk dat Garcia zich in dit leven kon voorstellen. De dans was bij hem zíjn dans, niet die van zijn partner , en hij nam dan ook alle initiatieven. Zo stapte hij vastberaden naar de dame van zijn voorkeur. Joella, die dacht dat zij het was, versperde hem verheugd over de geste de weg en viel hem volgaarne in de armen, waardoor Garcia zich uit beleefdheid geroepen zag met haar de dans te wagen. La Cantina was al niet groot maar als de twee omvangrijkste personen uit het dorp daarin een dans ondernamen werd het duidelijk te klein. Het aanstekelijk enthousiasme van Joella verleidde Garcia tot steeds grootsere uithalen met diverse onbedoelde zijwaartse effecten. Joella’s paardestaart sloeg in het rond, Garcia kraakte de stoel van de Graaf en het publiek blerde ‘holee’ als betrof het een stierengevecht. De muziek bereikte een denderende finale en Garcia nam een magistrale laatste zwaai waarin Joella stopte in een houding waarbij haar paardestaart diep in de cognac van A-J gedoopt bleek te zijn, maar het applaus was er niet minder om.

Bobo schreeuwde ‘tango, tango’ want hij wist dat dat het was waar Garcia op uit was. Het was A-J die Garcia’s probleem elegant oploste door Joella van hem over te nemen. Nu was de weg vrij en Garcia stevende, nee, schreed op zijn doel af: “Liefste mevrouw Roos, voegt u zich bij mij voor deze fantastische dans?” Syntactisch was het een vraag maar de ruimte voor een weigering was te verwaarlozen klein en de bleek wordende mevrouw Roos besefte dat, al zei ze nog snel: “Maar ik kan helemaal geen tango.” Ze had nog niet begrepen dat het bij Garcia in het geheel niet de bedoeling was dat zij het kon; híj deed het, niet zij! En hoe!!

 

Hij greep haar hand en hief deze hoog. Niet hoog genoeg want zij was nu eenmaal een kop groter dan hij. De andere hand sloeg hij om haar middel en hij gaf daaraan een ferme ruk waardoor haar een gil ontsnapte in de overtuiging dat haar rug werd gebroken. Dit wordt groots. Dit wordt te gek, dacht Bobo en wiste zich het zweet van zijn gezicht.

Garcia wervelde met mevrouw Roos over de vloer, daarbij op mysterieuze wijze A-J en Joella ontwijkend. Aan het eind van de vloer gekomen rukte hij haar hand omhoog waaronder hij haar als een tol liet draaien. Zo dat al niet te veel voor haar was, dan was het toch zeker te veel voor haar hoge hakken. Eén hoge hak brak af, wat de ander dan in feite beter ook had kunnen doen maar helaas niet deed. Garcia was nu namelijk niet meer te stoppen. Hij zwierde haar naar achteren dubbelgevouwen lijf hulpeloos in het rond en op het moment dat zij duidelijk voornemens was te gaan schreeuwen, klapte hij haar voorover waardoor zij onverwachts met haar gezicht op het zijne belandde en veiligheidshalve haar mond sloot om erger te voorkomen.

“Olee!” riep het publiek, dat een grandioze finale aan zag komen. Mevrouw Roos landde op haar overgebleven hoge hak in de verwachting dat Garcia haar op zou vangen, maar dat was een misverstand. Ze zakte door de onverwacht wegvallende steun scheef op haar nu laag geworden linkerschoen.

Voordat zij wat kon zeggen, schroefde Garcia haar arm plots omhoog en maakte daaronder zelf een pirouette, daarbij haar hand zo verwringend dat zij een gil gaf van de schrik. Dit leidde tot algemeen enthousiasme rondom ondanks dat ze dreigde om te vallen. Je kon van Garcia veel zeggen maar niet dat hij zijn dame liet vallen. Hij raapte haar op in haar val – of had zij weg willen rennen? – en tilde haar op rond haar middel, zo hoog als hij maar kon. “Ik word niet goed,” snikte Bobbo toen hij het harkerige lijf van mevrouw Roos zo in de lucht zag priemen. De muziek ging naar cresendo en Garcia scheurde mevrouw Roos nog eenmaal rond om haar vervolgens met een zwiep achterover te laten slaan zodat haar permanente krullen bijna de vloer raakten.

Toen hield hij stil.

“Gracias, madame, u bent een groots danseuse,” waren zijn afscheidwoorden.

Het antwoord van mevrouw Roos ging in het applaus verloren maar het uitzinnige gestamp, gefluit en geschreeuw bij de finale bezegelde Bobo’s dag.

Het leven was een groots, geweldig en fantastisch gebeuren.

Niet anders.

ETAPPE 6

Niet de waarheid doet ertoe maar of wij het over de waarheid eens zijn. Dat grondbeginsel van wetenschap en samenleving ontgaat veel mensen wanneer het erop aankomt. En het komt erop aan wanneer wij ons op de waarheid beroepen.

Maar nogmaals, wat is waar?!? Is waar niet gewoon wat wij willen geloven. Voor Hitler was het waar dat joden hoorntjes droegen en hun zakken vol geld hadden. Dan kunnen wij wel zeggen dat dat kul is. Maar het vervelende voor al die doden is dat het in zijn tijd wel waar was. Waar is wat degene zegt die het hardst kan slaan. Onwaar is wat degene zegt die geslagen wordt.

 

Treurig.

Maar waar!

 

Nu goed! Bobo was na een zalige nachtrust opgestaan in de volle overtuiging dat Het Licht een nieuwe toekomst gegund was. Geen jacht meer, geen heertjes langs de weg met blinkende geweren op gegalvaniseerde driepotige stoeltjes. Zijn optimisme dreef hem tot grootse plannen.

Reeds tijden had Eileen hem uitgefoeterd omdat hij het gepresteerd had juist dat huis uit te zoeken dat de slechtste toegangsweg had van alle huizen in een omtrek van zeker 1500 kilometer. Bobo had zijn toevlucht moeten zoeken in het ontwijkende antwoord dat hij het er echt niet op aangelegd had, want ontkennen dat de weg problematisch was kon hij moeilijk. De weg had afwissenend links en rechts kuilen van 30 tot 80 centimeter diep, genoeg om zachtjes met de as diep in het zand te duiken en daar te blijven. Het vervelende was dat ondeskundige chauffeurs bij de aanblik van dat mijnenveld ertoe verleid werden zachtjes te gaan rijden, en dat de berg op.

Het resultaat van zulk autotechnisch inzicht was gewoonlijk dat Bobo met een kleine tractor moest afdalen om de ongelukkigen met voertuig en al omhoog te slepen. Als de gasten dan met het schaamrood op hun kaken boven waren aangekomen vond Eileen dat steevast de gelegenheid om te onderstrepen dat dit niet haar maar Bobo’s weg was en zij HET – wat dat dan ook was – al zo vaak gezegd had. Bobo zei dan dat hij nooit moeilijkheden had op de weg waarop Eileen dan zei dat hij zich niet moest inbeelden dat andere mensen vanwege hem de verplichting hadden om als een kamikaze richting Het Licht te schieten. Dat sloeg op Bobo’s rijstijl, die, zoals hij het zelf beschreef, gebaseerd was op het surfen van zeilboten: hij gaf gewoon voor het bruggetje al vol gas in plaats van te remmen en scheurde dan zo hard mogelijk de helling op waardoor de veren niet de kans kregen vol uit en in te klappen en hij vliegend van hobbel tot hobbel boven aan kwam. Bobo vond de weg geen probleem maar Eileens reactie wel.

 

Nu hij het jeu had, besloot hij daar iets aan te doen. Bobo deed – zo vond hij zelf – nooit iets ondoordachts. Hij had derhalve de oplossing van zijn wegprobleem grondig bereflecteerd. Daartoe had hij – zoals geen platvloerse aannemer ooit zou doen – gemeend alle eisen op een rij te zetten die hij zou moeten stellen aan de benodigde middelen. Het idee dat hij gewoon zijn middelen voor gegeven moest nemen en dan de weg moest repareren verhield zich tot Bobo’s analytische aanpak als stamppot tot een exquise bouillabaise. Het middel moest kuilen kunnen vullen. Om te vullen moest het iets hebben en dus moest het kunnen graven. Om alles keurig gelijkmatig te kunnen krijgen moest het kunnen harken en schuiven. En – niet te vergeten – het moest wel de berg op kunnen en dus minstens 4 x 4 wheeldrive zijn. En, oh ja, zo logisch dat Bobo het bijna was vergeten, tussen het graven en het vullen zat het brengen van de graafplaats naar de stortplaats, ofwel het moest vracht kunnen transporteren.

Met deze voor hem logische eisenlijst toog Bobo op pad. Hij ging het wegprobleem radicaal en definitief oplossen.

 

De eerste handelaar hoorde hem geduldig aan en stelde toen voor om een graafmachine, een camion en een bulldozer te nemen. Bobo had eigenlijk gedacht aan één en niet aan meerdere machines. De tweede handelaar kwam met een tractorpel: die kon tegelijk graven en schuiven; en die vulde hij dan aan met een tweeêntwintig-wielige maar wel 4 x 4 supercamion. Bij het horen van de prijs dacht Bobo dat de man zich een nul of twee vergiste maar dat bleek niet het geval te zijn.

Het werd Bobo gaandeweg duidelijk dat bij het uitdenken van machines niet multifunctioneel maar unifunctioneel gedacht werd. En de prijs voor een machine die wel alle door hem gevraagde functies in zich verenigde, bezorgde hem bij voorbaat al een zware hoofdpijn.

Een normaal mens zou de feiten accepteren zoals ze zijn. De commercie leeft dan ook van normale mensen en niet van Bobo en zijn soortgelijken. Bobo was meer van het soort dat als het geen oplossing kan vinden er zelf een zal bouwen. Gezien Bobo’s motorische en technische vaardigheden zou dit leiden tot niet te verwaarlozen gevolgen.

 

Maar ziet, hier kwam het lot tussenbeide en dat weerhield Bobo van zijn grootse plannen, die zeker tot een zenuwinzinking bij Eileen zouden hebben geleid. Bij de zoveelste handelaar waar Bobo was en stond te redetwisten met de verkoper over de vraag of een tractorpel nu wel (volgens Bobo) of niet (volgens de verkoper) een kiepkar kon trekken, werd hij midden in de discussie onderbroken door een breed en vriendelijk grijnzende boer: “En al zou die dat nou kunnen trekken, wou u dat dan allemaal betalen dan?” Zulke vragen zijn lastig, zeker als je te lang wacht met het antwoord zoals Bobo nu deed.

“Ja als meneer dat al niet weet, waar praten we dan over.”

De verkoper liep weg en Bobo bleef met de boer achter. “Er zijn wel oplossingen voor hoor,” vervolgde deze, niet in het minst gehinderd door de afgang die hij zijn gesprekspartner zojuist bezorgd had, “maar die zijn in deze tijd bij de heren fabrikanten niet populair.”

Het was de inleiding tot het vinden van een oplossing die voldeed aan de eisen van Bobo’s systematische analyse maar niet aan die welke aangeduid werden met common sense, en al helemaal niet met die van de esthetica.

 

Eileen genoot. “Rust, eindelijk rust.” Ze haalde die woorden met intens genoegen van onder uit haar buik en snoof ze in de telefoon alsof ze de persoon aan de andere kant aan de bloemengeur van haar genoegen wilde laten ruiken. “Je kunt je nauwelijks voorstellen wat ik hier allemaal moet doen. Ik was de kleren, ik schuur deuren, ik moet steeds alles achter hem aan opruimen, ik ren me helemaal rot.” Intens meeleven van de andere kant van de telefoonlijn moedigde haar aan nog eens flink aan te zetten. “De hele dag door staat hier alles op zijn kop. Dan stoot-ie zich weer, of hij vindt een beest, en wie draait er voor op?”

Op deze retorische vraag werd niet het antwoord ‘Bobo’ verwacht en de andere kant van de telefoonlijn zei dan ook braaf: “Jij.”

“Precies,” zei Eileen, en ze haalde diep adem voor een volgende oproep tot medeleven.

Daar kwam ze echter niet meer aan toe.

Ergens in haar onderbewustzijn drong een lage trilling door die haar nooit eerder in Het Licht was opgevallen. Ze slikte haar voorgenomen klaagzang tijdelijk in om te peilen wat ze nu eigenlijk hoorde. De trilling werd meer een mengsel van gebrom en gedonder en Eileen vermoedde een ogenblik dat zich op de heuvel achter Het Licht een aardverschuiving voordeed. Toen drong het tot haar door dat het geluid niet van de heuvel maar van de kant van het weggetje kwam en ze keek uit het raam.

 

Ze keek lang. Haar ogen eerst klein, toen groot, toen heel groot, en toen weer klein omdat haar mond eronder wijd openging om te schreeuwen: “Idioot!

Gek dat je bent!”

Het was onwaarschijnlijk dat Bobo dat hoorde, al hoorde de andere kant van de telefoonlijn het wel en die hing dan ook dadelijk op. Wat Eileen donderend en brullend tegen de heuvel op zich af zag komen was buitenaards, een Alien in machinevorm, geen reus en geen muis maar een mengsel daarvan, een gedrocht zonder weerga. De enige verklaring voor het verschijnsel dat op Het Licht afkwam moest zijn dat de ontwerper van een allesdoordringende twijfel bezeten was: moest de machine groot of klein zijn, hij wist het niet, moest het een camion of een bulldozer zijn, hij wist het niet, moest hij lang of kort zijn, hij wist het niet, moest hij trekken of duwen, hij wist het niet. Het enige dat hij kennelijk wist was dat hij niet mooi hoefde te zijn.

 

Eileen zag Bobo op zich af komen, gezeten in een stalen doosje waar een raam uitgesneden was. Dat doosje stond bovenop het vreemdsoortigste onderstel dat ze ooit gezien had. Het ‘ding’ had aan de voorkant van zijn wanstaltig korte lijf twee zeer kleine voorwielen die geleend leken te zijn van een forse 2CV. Een meter achter deze bandjes volgde een achteras die waarschijnlijk had toebehoord aan een zware bulldozer of had gediend als onderstel van een fors vliegtuig: vier dikke enorme banden zaten daar zo dicht op elkaar dat het wel haast onbegrijpelijk was dat in het binnenste daarvan nog een as verborgen kon zitten. Bovenop die bandenrij stond een enorme stalen bak waarover de vele verschillende eigenaren van het gedrocht elk hun eigen verfkleur hadden gesmeerd, zodat het meer weg had van een schilderspallet dan van een ordentelijk werktuig. Vóór die bak, en pal naast de doos waar Bobo inzat, stond ‘het wapen’. Als iets anders kon het werkelijk niet bedoeld zijn. Het was een enorme stalen arm, vemomd in een pallet van verroeste kleuren, en met een gigantische klauw eraan. Onder Bobo voeten en de arm bevond zich een glimmend stalen schoongesleten schuif, breder als het voertuig zelf, een mond waar Robocop jaloers op zou zijn geweest. Om de venijnigheid van zijn karakter te onderstrepen had het monster tussen die schijf en Bobo twee kleine diepliggende schijnwerper-ogen waarmee het Eileen doordringend aankeek.

 

En dat geheel schoof drie meter hoog op Het Licht af en stopte bij Eileen’s voeten.

 

 

Het was stil nadat het gebrul was opgehouden. Bobo bereidde zich op Eileen’s aanval voor. Eileen wachtte totdat Bobo iets ter zijner verdediging zou poneren waarop ze hem het absurde van deze actie breed uit zou meten. Ze wisten beiden wat er komen ging en daarom kwam het ook niet. Het was al gebeurd voordat het gebeurde. Bobo wist dat Eileen boos zou worden en Eileen wist dat Bobo het al wist, dus waarom zou ze nog?

Eileen ging zwijgend naar binnen en Bobo bleef stil in zijn stalen doos zitten. Voor zijn bescheiden weggetje was dit ook wel wat veel wist hij en hij voelde dat hij dat allang aan zichzelf had toegegeven als Eileen er niet geweest was om tegen vol te houden dat het tegendeel waar was. Maar discussie over groot – te groot– of klein – te klein – zijn discussies over goed en fout, en die voer je niet meer als je elkaar al zo lang kent als Bobo en Eileen. Die repeteer je alleen maar, en dan nog in stilte om de ellende eromheen te vermijden.

Bobo besloot dat het de goden verzoeken was om nu achter Eileen naar binnen te gaan en dus begon hij met Boel aan een wandeling om ‘de kamers te luchten’.

 

Er is iets tussen de natuur en het menselijk gemoed. Je loopt niet die bossen of de velden in om eens goed kwaad te worden. Integendeel, als je al dat oergroeien om je heen voelt en ziet, dan dempt dat de onrust. Bobo had altijd gevonden dat het enige wezen waarbij je echt voluit open en eerlijk en rustig tegelijk kon zijn een boom was. Die grote, harde rauwe bast, ongenaakbaar als een rots maar van binnen vol van een onstuitbare kracht en pracht, daar loop je niet in woede langs. Die streelt langs je hart en je moet er wel naar kijken, of je wil of niet. En Bobo keek graag. Hij had er plezier in als hij al die vormen en kleuren probeerde te onderscheiden die hij rond het Het Licht tegenkwam.

Hij voelde zich dan als het kleine jochie dat hij ooit was, dat probeerde in de vijver te kijken om de peilloze diepte van al die kringen in het water te doorgronden. Op Het Licht voelde hij zich veilig om zo naar de natuur te kijken. Niemand om hem heen die een directe ondervraging begon ‘of hij wel wist wat dat voor plant was’ of die kwam oreren ‘dat hij eerst eens fatsoenlijk moest leren snoeien voordat hij zich met bomen bemoeide’. Bobo vond eigenlijk dat kennis van zaken vaak een ondoorzichtig scherm optrok voor hij niet wat. Hij wou dat allemaal niet weten. Hij wou alleen maar kijken.

En dat deed hij nu.

 

Hij wandelde het pad achter Het Licht af dat rond de heuvel de zuidelijke poot van het dal inliep, die achter het huis lag. Boel was vooruitgeschoten en stak zo nu en dan haar snuit uit te struiken om te zien of ze Bobo niet kwijt raakte. Het was het hoogtepunt van de zomer en alles stond vol en zwaar in het blad.

Het Licht raakte daardoor al gauw uit het zicht. In dit deel van het dal kwam voor zover Bobo wist nooit iemand behalve zijzelf, want er was geen weg naartoe behalve dat hij had horen vertellen dat er ooit een toegangspad over de heuvel aan de andere kant van de rivier was geweest.

 

Het lopen in een bos geeft ook een soort onbehoedzaamheid, argeloosheid, waarvan je de mogelijkheid vergeet als je in een moderne stad rondloopt waar je bij elke stap weet dat er iemand anders aan kan komen, dat iemand wat tegen je kan gaan zeggen, dat alles beweegt en niets statisch is. Het duurde een tijd voor dat Bobo besefte dat het dal met zijn bomen en planten zijn argwaan hadden opgeheven, dat het niet nodig was om het eeuwige gevecht om zichzelf te mogen blijven te voeren. Bobo geloofde niet in het kluizenaarsdom zei hij altijd vol overtuiging, maar hij was het ondertussen wel graag.

 

Het pad liep over de heuvelhelling parallel met het riviertje en slingerde rond rotsen en bomen waar het bos soms zo dicht begroeid was dat je ondanks de zon je nauwelijks kon zien hoe het verder liep. Je zou iemand niet kunnen zien al stond hij tien meter verder voor je. Als je in zo’n bos loopt, dan is elke stap er een gebaseerd op goed vertrouwen. Vergelijk het met een donkere steeg waarvan je mag aannemen dat ie dood loopt in een donkere achterbuurt: je deinst wel drie keer achteruit voordat je het ook maar één keer aandurft om erin vooruit te gaan, maar in een bos doe je dat wel, want het bos ademt betrouwbaarheid uit. Het was dat wat Bobo aantrok in zijn bos in de vallei van Het Licht: hier durfde hij zonder meer vooruit te gaan. Dat zegt veel over Bobo’s relatie met Het Licht. Hij vertrouwde het. Voor iedereen is achter het voorhoofd van de ander kijken een moeilijke zaak. Kan ik van hem op aan? Zal zij mij niet beduvelen? Ben ik te argwanend? Ben ik te bang? Kan ik nog wel zo zijn als ik wil zonder in conflicten te komen? Bobo’s gevecht tegen zijn Umwelt was voor eeuwig. Hij vocht voortdurend om niet alleen uit angst, uit agressie, uit wantrouwen te handelen. Als hij moest kiezen tussen de self-made-american-businessman-successtory en Don Camillo, dan maar Don Camillo. ‘Houden van’ is ‘ houden van’ en niet ‘kijken in hoeverre ik ze vertrouwen kan’. En vriend is een vriend en niet voor zolang als het voordeel oplevert. Spreuken die hij zichzelf steeds weer voor ogen hield als hij weer eens vol van vertrouwen was geweest en zich op zijn gekrenkte eigenwaarde had moeten terugtrekken. Bobo was continu bezig zichzelf heel te houden tegen de aanslagen die de samenleving op zijn persoonlijkheid pleegde. Hij was bang geworden dat hij zichzelf, zijn karakter, zijn wil, zijn persoonlijkheid zou verliezen juist omdat hij alleen nog maar gevaren zag om de hoek, alleen nog maar zat te wachten op de volgende aanval om af te weren.

Juist daarom had hij een plek gezocht waar hij niet achterom hoefde te kijken, een plek waar het geweld dat ze ‘zakelijke’ en ‘functionele relaties’ noemen niet meer bestond.

 

Die plek was Het Licht.

 

De jacht was – als hij er goed over nadacht – voor hem niet alleen maar een zaak die hij vanuit filoveterinair oogpunt niet lustte. Het hele idee dat hij zou moeten uit gaan kijken of er achter de volgende boom, in die dichte struik of waar dan ook in de vallei, iemand zou zitten die het op zijn dieren, zijn Boel, op Eileen of op hem gemunt zou kunnen hebben… dat idee riep alle onrust, alle vechtpartijen, alle venijn en triestheid van het verleden in hem op. Oh, Bobo was succesvol geweest, had veel meer gewonnen dan verloren als het ging over geld en goederen en carrière en al die onzin meer. So what? Daar had hij geen rust, geen eigenheid mee gewonnen, maar die veeleer verloren. De winst had een Scrooge van hem gemaakt. En nu, nu wilde hij zichzelf terug. Hij wilde Bobo zijn en blijven, zonder argwaan, zonder schrik voor de volgende hoek.

Daarom was hij blij geweest met de regeling die de Graaf hem geboden had. Afschermen! Het Licht als beschermd plekje. Hij had het terug en daarom genoot hij van zijn wandeling in het dal.

 

Hij liep door totdat hij bij een plek kwam waar hij een goed gevoel bij had vanwege een rots waar je als in een luie stoel in kon liggen. Hij dook er in weg alsof het een warm bed was dat op hem had staan wachten en soezde weg

in de warme namiddagzon, Boel tegen zijn benen aan met haar kop op zijn voeten. Bobo sliep de slaap der rechtvaardigen.

 

Wat het eerst tot hem doordrong was een onderdrukt gegrmpfffff van Boel. Ze deed dat altijd als ze wist dat geblaf niet op prijs gesteld werd maar er iets was wat niet helemaal klopte. Het volgende stadium, dat aangaf dat er iets helemaal fout zat, volgde vrijwel direect daarna met een felle blaf.

Bobo schoot wakker en zei: “Boel, hou op!” Het had geen enkel effect op Boel. Ze schoot van de rots af en verdween in het struikgewas. Bobo had de keuze of hij haar felle gekef wilde volgen of proberen het van een afstand uit te zitten.

Hij volgde.

 

Door een haag van halfhoge distellige struiken worstelde Bobo zich achter Boel aan, die in de richting van de rivier bewoog. Takken krasten langs hem heen en doornen prikten in zijn armen en benen, maar het geluid dat Boel maakte had een ondertoon die hem tot doorzetten dreef. Na een tiental minuten worstelen, bereikte hij het struikgewas langs de rivier. Hier stond Boel heftig te blaffen. Bobo probeerde te zien waar Boel naar keek. Het drong plotsteling tot hem door dat het geen loos alarm was: aan de overkant van de rivier stond iemand half in het struikgewas. Om beter te kunnen zien wie dat was, liep hij helemaal naar beneden tot de rand van het water. Boel die niet zo hield van dapperheid verschool zich achter hem. Beneden aangekomen, donderde het water langs hem heen en hij tuurde ingespannen naar de figuur die zich daar verborgen hield.

In Bobo’s hoofd stond de klok even stil, alsof hij niet wilde accepteren dat in de tijd ook de volgende seconde onontkoombaar is.

Het was de Graaf.

 

Bobo keek naar hem. Hij zag op het gezicht van de Graaf een uitdrukking van zich ontdekt weten. Toen zag hij – hij verstijfde van binnen – dat de man glimlachte. Niet met een ontwapenende lach, maar meer een met honende.

Hij lachte om Bobo’s ontsteltenis.

Zo keken zij elkaar aan. Bobo begon te gloeien en zocht naar een mogelijkheid om naar de andere kant van de rivier te komen, naar die smalende kop die uitdrukte dat hij bedrogen was. Toen hoorde hij iets achter zich. Hij draaide zich vliegensvlug om. Achter hem stond nog steeds Boel.

Niet de gewone Boel. Nee, een Boel die hij niet kende, die hij nog nooit gezien had. Ze stond wat hoger dan hij, haar oren lagen half naar achteren en ze had haar lippen helemaal opgetrokken.Haar scheve tand stak vernijnig uit en ze gromde, grauwde met een heftigheid die heel haar lijf deed schokken.

Bobo’s ogen puilden bijna uit zijn hoofd van verbijstering. Toendrong het tot hem door voor wie het gegrom bestemd was. Boel had de dikke terug gezien. Ze schoot langs Bobo heen, sprong op de eerste de beste grote steen en spurtte vervolgens half via stenen en half zwemmend en spartelend naar de overkant. Bobo schreeuwde: “Boel” maar tevergeefs. Boel was al uit de rivier geklommen, schoot als een bruine flits op de Graaf af en het volgende dat Bobo zag was een kluwen toen de Graaf, overrompeld door de plotse aanval, op de grond viel en Boel in zijn hand beet en in zijn been en hem naar zijn gezicht vloog, woest als was ze betrokken in een gevecht met een leeuw. Bobo begreep dat hij kostte wat kostte bij haar moest komen voordat ze dingen aanrichtte die niet te herstellen gevolgen zouden hebben. Hij stortte zich in de rivier. Het kostte hem een tiental seconden voordat hij er in slaagde om aan de andere kant uit het water te komen. Hij rende naar Boel en greep haar in haar nek. Ze was niet te vermurwen en bleef spartelen, grauwen, blaffen, een onbeheersbare woedende bruine bal. De Graaf krabbelde overeind. Hij zag er niet uit. Hij was kennelijk juist onder zijn rechteroog en in zijn rechteroor gebeten en het bloed liep uit een blauw-rode kras. Zijn rechterhand was fors toegetakeld en Bobo durfde nauwelijks verder te kijken want hij vreesde dat Boel nog meer schade had aangericht.

“Wat doet u dan ook hier?” bracht hij eindelijk uit.

De razernij op het gezicht van de Graaf onderstreepte zijn reactie: “Ik doe hier wat ik wil! Vreemdelingen als jij, die met hun geld hier hun normen komen opleggen, kunnen ons onze cultuur niet afpakken. Dit hier is aan ons, onze grond, ons bloed, onze beesten. Wij leven hier al tijden. Je hebt hier geen rechten.”

“Maar we hebben een afspraak gemaakt en u zou…”

“Hebben we soms ook afgesproken dat ik me moest laten bijten? Heb jij soms het recht anderen te mishandelen?”

Bobo voelde dat hij een ad rem antwoord zou moeten geven maar een gevoel van hopeloosheid had zich van hem meester gemaakt, een gevoel van onweerlegbare teleurstelling nu hij met zijn optimisme en illusie aan diggels, druipnat en met een woedend grauwende Boel hier stond tegenover een bedrieger die het kennelijk geen enkel punt vond om bedrog te plegen.

Hij keek de Graaf in volslagen onmacht aan, draaide zich om, Boel ondanks zijn gespartel tegen zich aandrukkend, en liep weg, richting Het Licht. Terwijl het bonkte in zijn hoofd en hij de Graaf achter zich hoorde schelden, keek hij Boel in haar woedende bruine ogen en zei: “Ik weet niet waarom je het deed, Boel, en er zijn momenten waarop ik wou dat ik een hond was.”

ETAPPE 7

Van onwetendheid op zich wordt een mens niet onzeker. Sterker nog, vaak vinden mensen het prettig als zij niet weten of iets waar of onwaar is. Dat maakt het gemakkelijker te geloven in führers en goden. Het schrappen of voorkomen van feitenkennis is een essentieel onderdeel van sociale vaardigheden. Dit overigens geheel en al in strijd met de meer courante opvattingen over onderwijs die ons het tegendeel willen aanpraten. Wie wil er nu weten wat die malse biefstuk heeft doorgemaakt die zojuist voor uw hongerige ogen op uw bord is beland? Niemand toch. Waarom zetten we hekken rondom onze tuin en sloten op onze voordeuren? Om een scheidslijn te creeëren waarvoor we alles willen weten en beheersen en waarachter we niets willen weten of leren kennen.

 

Dat was het mooie van Bobo’s jachtillusie geweest: hij had gedacht de jacht buiten de deur te kunnen houden. Dan hoefde hij het niet te weten en hij hoefde het niet te zien. Het is als met tv-kijken: je kijkt wel maar je ziet niks. De beelden bewegen maar je gedachten blijven onaangedaan stilstaan in het besef dat het scherm een raam naar buiten is , waardoor je achter de scheidslijn van jouw territorium kijkt zonder dat het je raakt.

Nu was het een dicht-bij-huis-show geworden. Bobo was zich heel plotseling en heel pijnlijk bewust geworden dat hij niet ‘wist’ dat er dingen gebeurden in zijn eigen territorium waarvan hij geen weet had. Deze onwetendheid maakte hem onzeker, raakte hem direct. Van heel zijn optimistische dadendrang was niets meer over.

Het duurde lang voordat hij Eileen durfde te vertellen wat hem in het bos was overkomen. Hij was bang dat Eileen dit verhaal onmiddellijk zou omzetten in een herhaling van een oud verwijt aan zijn adres waarin alle problemen werden teruggevoerd op Bobo’s vertrouwen in de mensheid. Mensen waren niet te vertrouwen, zei ze dan, en doordat hij dat steeds koppig wel deed trok hij de problemen aan. Het verwijt zei hem niks omdat het alternatief van algemeen wantrouwen hem monsterachtig voorkwam, maar hij vreesde de ruzie eromheen.

 

Zo scharrelde de nu onzekere Bobo in de dagen na de ontmoeting met de Graaf rondom Het Licht. Hij wist niet goed welke koers te volgen.

Onzekerheid is niet alleen een bron van stress en hoofdpijn maar ook een erg slechte raadgever. Wie onzeker is, is bang, en in angst wordt niet goed nagedacht en vaak daardoor misgestapt. Zo zou het ook Bobo vergaan. De gebeurtenissen zouden een loop nemen die het tegendeel inhielden van wat Bobo zich van zijn leven op Het Licht had voorgesteld.

 

Allereerst kreeg Bobo enkele dagen later een telefoontje dat hij had kunnen verwachten maar met Freudiaanse verdringingsdrift naar zijn onderbewustzijn had weggedrongen.

Ze hadden juist gegeten en Bobo was er wonder boven wonder in geslaagd bij deze maaltijd niets om te gooien, wat Eileen tot enige tevredenheid had gestemd. Juist toen Bobo zijn kopje post-dessert koffie naar zijn mond wilde brengen, ratelde de telefoon achter hem. De koffie in zijn rechterhand houdend draaide hij zich half om om met zijn linkerhand naar de telefoon te grijpen waarbij het kopje dusdanig scheef kwam te hangen dat hij een keurige straal naast de tafel op de grond goot.

Eileen riep:”BOBO!!” en Bobo zei zo beheerst mogelijk in de hoorn: “Met Bobo.”

“Dat hoor ik ja,” zei een niet-onvriendelijke stem aan de andere kant. De stem kwam Bobo vaag bekend voor, maar hij kon er zich geen gezicht bij voor stellen tot de stem vervolgde: “Met de brigadier.” Toen wist Bobo dat die nasale stem thuishoorde bij de man die de kleine politiepost leidde in het volgende dorp.

“Zegt u het eens?” zei Bobo voorzichtig. “Wat kan ik voor u doen?” Dat was de brigadier te direct en hij begon dan ook eerst met omzichtig te informeren naar de gezondheid van Bobo –‘uitstekend,dank u’- en naar die van Eileen –‘ook uitstekend, dank u’- om pas daarna het onderwerp van zijn telefoontje te berde te brengen: “Bobo, luister eens. Ik heb een klacht gekregen over een zwerfhond die vanaf jouw terrein opereert en mensen lastig valt. Je weet dat ik je niet gauw wil lastig vallen en zeker niet als dat niet nodig is, maar ja een klacht is een klacht, en als ik daar niks mee doe in zo’n kleine gemeenschap als de onze, dan weet je hoe dat gaat, hè. Dan zeggen de mensen dat aangifte doen toch niks helpt en dat de politie er niet voor hen is, enzovoort, enzovoort. Dus ik dacht: ‘kom, ik bel Bobo maar eens om het verhaal uit de wereld te helpen’.”

 

Bobo kon het niet helpen maar hij voelde zijn nekharen prikkelen en het zweet brak hem uit. Eileen begon verwoed een natte dweil onder zijn benen door te halen om de koffie op te dweilen. Hij wist dat het juiste antwoord zoiets zou moeten zijn als: ‘Zwerfhonden heb je nou eenmaal overal, brigadier, daar kun je weinig aan doen’ en dat de brigadier dan tevreden zou zeggen: ‘Ach ja, dat is ook zo, maar tegen een klager moet ik toch wat zeggen’ en dat het dan afgedaan was geweest.

Maar in plaats daarvan zei hij dom: “Er zijn hier geen zwerfhonden.” “Bobo,” zei de brigadier op overredende toon, “voor zwerfhonden ben je niet verantwoordelijk en voor je eigen honden wel, dus je snapt wel dat...” Verder kwam hij niet want Bobo was nu goed wakker geworden en doordrongen van het doel van dit telefoongesprek “Wie klaagt er eigenlijk, brigadier?”

“Nou, dat doet er niet toe,” klonk het defensief.

“Toch wel, want als ik weet wie het is, weet ik ook waarom en of het enigszins zinnig is.” Bobo’s nekharen stonden nu stijf overeind.

“Als er in ons dorp iemand wegens hondenbeten bij een dokter belandt, kan ik niet de struisvogel gaan uithangen, dat begrijp jij ook.”

“De Graaf dus!”

“Ja, maar daar wist je blijkbaar al alles van.”

“Ik wel ja, maar u niet,” beet Bobo in de telefoon terwijl Eileen haar gezicht voor het zijne drukte en heftig ‘nee’ begon te schudden.

“Die verdomde oetlul verborg zich hier op ons terrein...” “Bobo, wees redelijk want…”

“met kennelijk de bedoeling om dieren te kelen…” “er worden geen dieren gekeeld…”

“en dan ben ik notabene degene die aangeklaagd wordt…” “je hond, Bobo, je hond, niet jij…”

“kan me niet schelen, het is godgeklaagd, godverdomme…”

“Als je wilt klagen, kom dan een klacht indienen maar ondertussen gaat het hier over jouw hond.”

“Mijn hond heeft verdomme een naam en die is ‘Boel’. Ik zeg tegen jou toch ook niet de hele tijd ‘politie’ of zo?”

“Zo gaan we persoonlijk worden?”

“”Het is ook persoonlijk. Boel is de goede kant van het bestaan hier, als jij tenminste begrijpt wat een goede kant is.”

Eileen ging met een diepe zucht en de blik op de hemel gericht zitten. Aan de andere kant van de lijn heerste enige tijd een bedenkelijke en diepe stilte.

“Ik wil je er formeel op wijzen dat je aansprakelijk bent voor je hond.” “Boel, godverdomme! Boel!”

“Je hond dus, en dat die afgemaakt zal worden als we mogen aannemen – en dat mogen we blijkbaar- dat hij...”

“Zij, godverdomme!”

“zij dan, een mens heeft aangevallen.”

“Als jullie ook maar met een vinger aan Boel komen dan...”

Dit was het punt in de conversatie waarop Eileen de hoorn uit Bobo’s hand griste en met een dusdanig kracht op de haak klapte dat het niet breken ervan een deugdelijk bewijs leverde voor de kwaliteit van het materiaal.

“Ben je niet wijs geworden of zo, Bobo! Ga je de politie hier bedreigen met moord en doodslag omdat die stomme hond de plaatselijke voorzitter van de jagersverenging een stuk uit zijn oor bijt? Wat je daarmee bereikt is dat het leven hier – voor mij dus ook, ook al denk jij daar nooit aan - onmogelijk gaat worden. Wat moet je daar nou mee? Gaan we Boel verstoppen? Ga je een geweer kopen om je te verdedigen? En dan, verdorie? En dan nog meer ellende?? Hou op met die onzin. Bel die man op en bied je excuses aan, nu, direct.”

Bobo keek haar aan – nog steeds minstens even woedend op de brigadier als zij op hem - en zei toen ineens nuchter: ”En dan, dan Boel aan de kogel uitleveren zeker?”

Eileen zakte terug op haar stoel, keek hem begripvol aan en zei alleen maar: “Oh, Bobo!”

 

De dagen erna liepen over van beklemming. Bobo observeerde de ingang als verwachtte hij daar de mammon te zien verschijnen, Eileen zat bovenop Bobo, bang voor alles wat hij aan onbeheerste reactie zou gaan produceren.

Maar wat er gebeurde?

Niets.

En niet meer dan dat.

 

Dat is wel het allerergste wat er kon gebeuren. Concentreer je volkomen op een scherp omschreven punt in de volstrekte zekerheid dat het gaat bewegen en dat je dan zijn beweging moet kunnen volgen.

En dan beweegt het niet.

Godgeklaagd.

 

Bobo raakte getergd en Eileen werd daar zoals zij dat plastisch uitdrukte ‘poepnerveus’ van. Eileen zei steeds dat Bobo zijn gemak moest houden en Bobo zei dan dat hij toch niks deed en dan zei Eileen dat het dat nou juist was en dan zei Bobo dat hij dan niet begreep wat ze hem verweet en dan zei Eileen dat ze hem niks verweet en dat hij nooit iets begreep en dan zei Bobo dat dat dus wel een verwijt was en dan hadden ze ruzie.

Tja.

Na een dag of vier om elkaar heen gedraaid te hebben, had Eileen besloten de kat, dat wil zeggen Bobo, de bel aan te binden. Bobo voelde de bui al hangen. Hij observeerde nerveus haar al maar bruusker wordende bewegingen. Toen zij voor het avondeten zijn bord dusdanig voor hem op tafel klapte dat het een godswonder mocht heten dat er geen duizend stukjes maar een bord voor hem stond, wist Bobo dat het ging komen.

“Wat denk je eigenlijk te gaan doen?” beet zij hem over het verbazend gave bord toe. “Of moet ik maar afwachten of uwe genade bedacht kan hebben dat er iets zal moeten gebeuren?”

Het was duidelijk dat zij geen vast omschreven strategie of planning als antwoord verwachtte, maar toen Bobo voorzichtig zei: “Ik zou het niet weten,” was dat toch klaarblijkelijk nog ver onder het minimum dat zij verwacht had. “Kloot dat je bent. Ik moet dat allemaal maar aan kunnen. Jij permitteert je om de meest onoplosbare conflicten uit de grond te stampen en ik mag in de miserie leven die daaruit ontstaat.”

Bobo achtte het niet verstandig dat te ontkennen, ook al loeide in zijn brein de verontwaardiging over Eileen’s verschuiving van de schuld van de Graaf naar hem.

“Je kiest er toch zelf voor om hier te leven?” ondernam hij de tegenaanval. “Als je met mij leeft, dan weet je dat ik voor mijn principes wil staan. Dat is niks nieuws.” Uitdagend keek hij over de tafel naar het resultaat van zijn ‘stellingname’.

Het ‘resultaat’ stond daar, grote gazelleogen gevuld met tranen. Tranen zijn het ontmoetingspunt bij uitstek tussen emotie en ratio. Wat doet een mens in het bezit van het gelijk als de tegenstander het argument van de tranen, het intens meegedeelde verdriet, te berde brengt? Een tegenargument heeft geen zin. Toegeven ondergraaft het eigen gelijk. ‘Help’ roepen is ook niet van toepassing. Een pasklaar antwoord is er niet. De mens zegt dus maar niks, knuffelt de betraande opponent en het twistpunt wordt begraven tot de volgende episode van nuchterheid.

Deze oplossing bestaat alleen niet voor mensen die niet met tranen om kunnen gaan. Die worden als het ware opgesloten in hun eigen rationaliteit.

Zo ook Bobo.

Eileen bekeek vol van ellende het blok ijs voor haar en zei: “Als je er zo over denkt, alsof ik geen principes zou respecteren, dan kan ik maar beter een tijdje weg gaat. Dat is dan voorlopig mijn keuze.”

Nu was het te laat. Bobo wist het.

Hij zou niet terugkrabbelen.

Nooit.

Ook al wist hij dat ze eigenlijk gelijk had. Dat hij wat had moeten doen, actie had moeten ondernemen. Ergens besefte hij dat het zijn onzekerheid over het effect was die hem belet had tot actie over te gaan, zijn angst voor de confrontatie die hij had willen ontwijken. En dat Eileen nu het slachtoffer was van zijn terugwijken.

 

Maar hij zei niets.

Niets!

 

Dat is pas onvermogen. De samenleving is doortrokken van het onvermogen om samen te leven. We kijken elkaar aan in de passie van het debat. En we kunnen het antwoord niet vinden. Er is geen oplossing. Er is een manco in onze samenleving. De diversiteit wordt scheiding, de discussie wordt monoloog, de te delen smart blijft een onverdeeld genoegen.

 

De twee vreemden op Het Licht gingen uiteen: zij, beladen met een klein valies en grote tranen, hij, geslagen met stomheid en bonkend in zijn kop. Beiden opgesloten in hun lot. Bobo en Boel zaten op de drempel toe te kijken hoe Eileen in de opgetrommelde taxi stapte en hoe die taxi met Eileen verdween en hoe leeg het was daarna, hoe wezenlijk leeg.

 

De eerste dag dwaalde Bobo door het huis, Boel voorzichtig achter hem aan trippelend. Niet dat hij iets concreets zocht, meer om het gevoel te bevestigen dat hij iets had willen kunnen aanwijzen dat er had moeten zijn en er niet was. Lege huizen zijn nu eenmaal pijnlijk leeg en zeggen niets terug. Dan dook hij in de krant en probeerde zich op te winden over ’s werelds onrecht. Normaal hoefde hij daar geen moeite voor te doen maar zelfs de zoveelste Bush-iaanse stupiditeit kon hem niet tot een woedeaanval of een schaterbui brengen, ondanks dat het normaliter altijd één van die twee werd bij dit model van Amerikaanse intelligentie. Eileen keek mee. Dat wil zeggen: haar niet- aanwezige persoon leek voortdurend verwijtend achter hem te staan en Bobo moest steeds de neiging onderdrukken om zich om te draaien en te zeggen: “Blijf daar niet zo stom staan, ik kon er toch niets aan doen?”

Toen hem op de tweede dag een gevoel van wanhopige depressie begon te bekruipen besloot Bobo tot de verdediging die hij gewoon was: hij ging tot de aanval over. Na een summiere analyse van wat er om ging in zijn hoofd kwam hij tot de slotsom dat dat heel wel te vergelijken was met een obsessie en die dient men te verdrijven met afleiding en andere interessen. En omdat het huis hem nog altijd te dicht op zijn lijf zat besloot hij tot een wandeling naar plekken op het terrein van Het Licht die hij nog niet verkend had.

 

Boel kwam enthousiast achter Bobo aan toen hij hem vastbesloten in de richting van de rivier zag stappen. Er ging gewandeld worden, feest! Toen ze de richting onderkende die Bobo’s wandeling namde, kende haar vreugde helemaal geen grenzen. Ze schoot Bobo voorbij, nam een aanloop en belandde met een plons in een dieper plekje van de rivier waar ze verzaligd met haar snuit juist boven water in bleef zitten. Normaal was Bobo er bij gaan zitten om Boel even te laten genieten van haar bad maar nu stak hij in gedachten verzonken springend van steen naar steen de rivier over. Dat zinde Boel niet en ze schoot het water uit om zich vlak voor Bobo uitgebreid en heftig uit te schudden. Dat doorbrak de misere. Bobo moest lachen om Boel’s actie en om het verzopen plukje haar dat hem opgewekt stond te bekijken.

Zo begonnen ze samen aan de klim naar een plateau dat halverwege de helling moest liggen en nog niet door hen verkend was. Bobo had het vanaf de tegenoverliggende helling gezien toen hij aan het dak van Het Licht bezig was. Het leek niet ver weg maar er zat een nogal steile klif onder zodat het niet makkelijk leek om erop te komen... Maar juist die uitdaging leek Bobo nu welkom en hij stevende vastberaden af op de steenklomp die geleidelijk uit de bomenbrij opdook.

 

Waarom moet een mens altijd iets proberen waarvan hij het resultaat niet kent? Niemand is zo zot om op een afgrond af te rennen en naar beneden te springen en dan beneden te bezien of hij nog leeft. Nee, dat is waar. Maar mensen beginnen voortdurend ondernemingen zonder dat ze maar het minste idee hebben of die zullen slagen. Ze beginnen ook steeds weer betrekkingen met andere mensen terwijl ze geen enkel idee hebben of dat goed zal aflopen.

Springen in het diepe lijkt haast iets aantrekkelijks te hebben zolang het maar geen ‘fysieke’ diepte is. Zolang we kunnen ontkennen dat het diep is, is het niet diep. Dus storten we ons voortdurend in de kwellende onzekerheid met het duidelijk masochistisch genoegen van niet te weten waar we aan toe zijn. Dat veroorzaakt het expansief vermogen van mensen maar ook hun selbstdammerung.

’Ach, hadden we maar niet…’

Maar ja, ‘je hebt wel’, ook al weet je niet meer waarom en weet niemand je te vertellen hoe je tot zulk een waarlijk ongelofelijke stupiditeit hebt kunnen komen. Het moest allemaal zonodig. Je moet weten wat achter de einder ligt. Je moet weten wat verborgen ligt in het donkere hoekje. Wij mensen verdragen niet de onzekerheid van het niet-weten. Wij zullen en moeten werkelijk de bodem uit de zoutpot krabben om te achterhalen of daar nog een bodem onder ligt.

 

Bobo was niet anders. Hoe hoger de witte rotsenwand van de klif hem scheen waarachter hij het plateau wist, hoe meer hij gedreven, nee, verplicht was om die te bestijgen. Het was lastig. Ook in psychologische zin. Een rots die spiegelglad is en keihard ontmoedigt de beste klimmer. Het gaat gewoon niet en dat is het dan. Maar een rots die eruit ziet als een brokkelige rij tanden, met richels en scheuren, dat moet een zachte noot zijn om te kraken. Maar zachte noten zijn vaak rot en je kunt er daarom beter af blijven. Zo was het ook met Bobo’s rots. Met een sprong was hij over de eerste anderhalve meter heen gekomen maar toen hij daar zo half hing, half stond zag hij bij nader inzien toch niet goed hoe het nu verder moest. Hij zette zijn rechtervoet schrijlings neer en zocht met zijn linkervoet houvast. Maar in afwijking van wat de tv hem in avonturenfilms steeds had voorgeschoteld vond zijn linkervoet geen houvast en schoof hij met ongedachte snelheid naar links waar hij zich nog juist aan een boompje kon vastgrijpen zodat hij in horizontale stand bleef hangen, ongeveer een meter boven de vaste grond.

 

Na deze escapade begreep Bobo dat onvervaardheid en onverstandigheid te veel met elkaar gemeen hebben en begon hij vanaf de veilige begane grond zijn route langs de helling naar boven te verkennen. Na Boel, die hem piepend had gadegeslagen, gerustgesteld te hebben begon hij aan een zeer voorzichtige opmars naar boven. Voetje voor voetje, richeltje voor richeltje, klom hij naar boven. Op vier meter boven de vaste grond kwam hij tot het zelfinzicht dat hij hoogtevrees had toen hij naar beneden keek en een opdringende misselijkheid vanuit zijn buik omhoog rees. Afwegend wat erger was, die vier meter naar beneden of die ene omhoog, koos hij voor dat laatste. Je kunt natuurlijk achteraf altijd zeggen ‘wat een stomme fatale keuze’ maar dat is makkelijk praten.

Het noodlot is gewoon het noodlot.

 

Zo klom Bobo die ene meter. Het vergde een enorme krachtsinspanning omdat zijn greep op de richels heel klein was en hij achterover moest hangen om steeds de volgende richel te kunnen pakken. Zijn nagels klauwden in de zachte rotssteen. Hij pufte en hijgde en het zweet liep in stromen over zijn gezicht en zijn rug. Bobo was niet dik en nogal gespierd maar ook zwaar en het gewicht dat hij naar boven moest trekken speet hem zeer. Hij was nu een halve meter hoger en hij dacht – omhoog kijkend - dat het hem met een uiterste krachtsinspanning zou moeten lukken om de bovenrand te grijpen en zich dan op te trekken. Hij strekte zich tot het uiterste uit en sprong, voor zover hij dat op zijn smalle richeltje durfde, totdat zijn linkerhand juist het randje kon pakken.

Bobo was niet links maar rechts!

Hij herinnerde zich dat pas toen hij verkeerd om hing en zich met moeite kon optrekken tot ook zijn rechterhand greep had op de bovenrand. Nu had hij goed beet en kon hij zich optrekken tot zijn ellebogen ineengevouwen waren en zijn gezicht met gesloten ogen van inspanning boven het plateau verscheen. Bobo klapte zijn ellebogen op de rand van het plateau en opende met een zucht van verlichting zijn ogen.

 

Wanneer staat de wereld eigenlijk stil? Er zijn trauma’s waar ons bewustzijn de medewerking van de verwerking weigert. Een reactie van ‘tot hier en niet verder’. De computer die zegt “memory overload”. De doodklap. Het is onvertaalbaar. Je ziet, je wordt gewaar, het dringt door en je brein wenst dat niet te verteren. Het brein zegt ‘ho’ en het valt uit. Dat is wanneer de wereld stil staat.

 

Bobo opende zijn ogen. Hij dacht een veldje te aanschouwen met groen gras dat hij van de overkant gezien had op het plateau. Dus had hij moeite te ontwaren wat zijn bezwete ogen zagen. Recht voor zijn ogen, op ongeveer tien centimeter, zag hij iets wat hem grijszwart leek. Hij knipperde heftig om het zweet uit zijn ogen te krijgen. Nu zag hij een rechte witte streep en aan weerszijden daarvan twee zwarte ogen. Onder die gaten staken twee witte dingen omhoog en boven die twee witte dingen waren halfnatte dingen te zien en, en... Ineens drong de samenhang van die dingen en die witte streep tot Bobo door. Hij hing met zijn neus tegen een half rottend lijk. Hij keek in de dode ogen van een heel dood varken.

De schok was te veel voor Bobo. Met een gil deinsde hij terug voor het varken dat hem met zijn rottende lippen bijna een doodskus leek te geven. De reactie was menselijk maar daarom niet minder stom. De helling verzuimde hem op te vangen en Bobo viel vijf meter naar beneden.

Katten die vallen verhogen hun overlevingskans als ze van hoger vallen omdat ze dan de tijd krijgen om hun poten in zweefstand te brengen. Bobo viel maar van vijf meter en gedroeg zich daarenboven in alles als het tegendeel van een kat. Hij verstijfde en viel als een baksteen naar beneden, op zijn rug, op de rots.

 

Boel had alles in de hoogste staat van verontrusting aangezien. Zij wist dat Bobo tot onverwachte ongelukken in staat was en ze had geroken dat er daarboven iets doods was. Toen Bobo zo plotseling voor haar ogen terugkeerde bevestigde dat haar gevoel van ongerustheid. Bobo bewoog niet. Het normale gebulder bleef helemaal uit en Boel besnuffelde hem van voor tot achter maar er kwam geen geluid. Ze ging zitten. Ze zocht naar een teken van geruststelling maar er kwam niks. Na een twintigtal minuten stond ze op en begon rond Bobo te draaien maar toen ook dat niets opleverde beving haar een gevoel van angst. Een aanvankelijk onderdrukt gepiep gevolgd door een steeds luider wordend gejank gevolgd door een onweerstaanbaar gehuil kwam uit haar keel. Boel was in paniek. Ze huilde hoger en hoger, afgewisseld met schel geblaf.

Dat was wat Garcia hoorde en zo vond hij ze naast elkaar: Bobo bewusteloos en Boel huilend.

 

Wij leven in een tijdperk waarin de ongelukkige combinatie van Foucault en neo-liberalisme geleid hebben tot een heftige zelf-ontkenning van de belangrijkste instituties. Ziekenhuizen bijvoorbeeld doen niets liever dan ontkennen dat ze ziekenhuizen zijn. Kom je erin terecht dan willen ze niets liever dan dat je weer buiten gaat. Een verblijf in het ziekenhuis is alleen te rechtvaardigen als voorstadium van een operatie, maar ziek zijn, nee, dat moet je er beslist niet doen en dat is er bovendien –zo houden ze niet op te beklemtonen- nog gevaarlijk ook. De immuun wordende bacterien worden aangenaam vermengd met de gevaren die een neo-liberale systematische onderbezetting van personeel opleveren en de slotsom is onveranderlijk dat de beste plaats om gezond te blijven en –zoniet- dan toch te worden thuis is.

 

Bobo, in het ziekenhuis bijgekomen, werd er binnnengehaald als het ideale speeltje voor de juist vers aangerukte assistenten. Zij zetten hem rechtop voor het röntgenapparaat, ook al bracht hij zwakjes te berde dat zijn rug dan pijn deed.

“Even stilstaan en de adem inhouden,” was het maximum aan response. Toen hij juist te vroeg weer in elkaar zakte, werd dit met verontwaardiging begroet. “Als mijnheer niet meewerkte konden ze niet veel voor hem doen.”

Het werd een gehannes waarvan Bobo later niet eens meer kon vertellen wat er precies gebeurd was. Foto’s, scans en rapporten tezamen met veel hoofdpijn waren het resultaat. Toen uiteindelijk na vele uren een oudere arts naast zijn bed verscheen met de mededeling dat het ‘goed met hem ging’ wist Bobo al dat er iets goed fout was. “En daarvoor komt u hier, om mij te vertellen dat het goed gaat?”

“Nou, u mag van geluk spreken gezien de val die u gemaakt heeft. U heeft enkel een ruggewervel gebroken en een beenspier gescheurd.”

Ben ik even blij, dacht Bobo en hij zei: “Ja, en wat gaat er nu gebeuren dan?” “Nu, niets eigenlijk. Wij kunnen dit niet opereren. De Natuur zal alles vanzelf helen, als u maar lang genoeg blijft stilliggen.”

“En lang genoeg, wat is dat dan eigenlijk?” vroeg Bobo voorzichtig. “Een week of acht en drie maanden zeker niet werken.”

“Nee,” zei Bobo. “Ja,” zei de dokter vrolijk.

“Hier?” vroeg Bobo.

“Niet hier, wij kunnen hier niets voor u doen. U hoeft alleen maar te liggen.”

En zo keerde Bobo terug op Het Licht, in de horizontale stand in een verblindend witte ambulance, die Boel als een witte geest over het toegangsweggetje op zich af zag komen. De twee potige begeleiders droegen Bobo op een drafje naar binnen, deponeerden hem op het bed en verdwenen achterwaarts ‘veel succes met de genezing’ roepend schielijk terug in hun limousine, die daarna zand spuitend wegscheurde richting het bruggetje.

 

En dat was dat.

 

Bobo vond het tijd om de situatie eens nader in ogenschouw te nemen. Bewegen mocht niet en - hij probeerde het natuurlijk naar alle kanten even – het ging ook nauwelijks. Naar links draaien leverde een gevoel op alsof er een cirkelzaag van zijn tenen naar zijn heup scheurde. Naar rechts draaien resulteerde in een vlaag van bewustzijnsverlies omdat er duidelijk een bijl werd gezet in het midden van zijn rug. Omhoog komen ging gewoon niet. Nou, dacht Bobo, het gaat werkelijk verschrikkelijk goed met mij, met nadruk op ‘verschrikkelijk’ dan.

Hij zou eerst die pijn wat moeten drukken en – oh ja – daar hadden ze medicijnen voor achtergelaten. Helaas op het keukenkastje, drie meter verder. Hij knipperde met zijn ogen bij het idee wat hij zou gaan voelen om bij de medicijnen te komen. Er zat niets anders op. Hij kon met die pijn niet slapen. Dus veranderde hij van positie in het bed zodat hij er langzaamaan dwars in kwam liggen en probeerde er ruggelings af te schuiven op de grond.

Halverwege kwam hij tot de pijnlijke ontdekking dat zijn rug echt gebroken was en dit geheel geen verstandige maneuvre vond. Bobo gaf een gil, zakte door zijn armen en lag ineens op de grond. Nadat de pijn iets gezakt was, schoof hij voorzichtig richting keukenkastje en griste daar de medicijnen af. Hij bekeek de doseringen, overwoog dat doktoren altijd doseringen baseerden op de grens waar patiënten in ziekenhuizen de nachtzuster gingen bellen, en slikte het dubbele van wat voorgeschreven was. Hij was al niet enthousiast bij het idee terug te moeten keren naar zijn bed via dezelfde pijnlijke weg, maar zover kwam hij ook niet.

Plat op zijn rug voor het keukenkastje viel Bobo in slaap.

 

“Hee, hallo, halloo!” Tik tegen zijn wang. “Hallo, Bobo? Slaap je of ben je helemaal out, halloooo!” Tik tegen de andere wang. Bobo opende voorzichtig een oog en keek tegen het licht in dat recht in zijn oog viel. Hij ontwaarde de ronde omtrekken van een kop met witte haren en een martiale witte snor waarvan hij geleidelijk aan doorgrondde dat het een gezicht moest zijn dat al in zijn geheugenarchief zat.

“Godsamme,” zei hij, “Ray.” Hij herkende de hondenmenner uit het dorp, die vaker langskwam voor een borrel en een praatje.

“Ja,” zei Ray. “Je herkent me toch nog. Garcia zei dat ik eens naar je moest gaan kijken en dat is blijkbaar maar goed ook. Kom ik help je terug je bed in.” Ray was een kleine man en niet de jongste maar wel vierkant en hij sjorde Bobo met opmerkelijk gemak terug in zijn bed.

“Wat deed je daar eigenlijk, Bobo? Waarom moest je zo nodig die klif op en waarom ben je gevallen?” Bobo’s uitleg bracht een begrijpende uitdrukking op Ray’s verweerde kop. Als een van de oudste autochtonen van het dorp had hij geleerd dat de uitheemsen nu eenmaal tot de meest bizarre capriolen in staat waren en wat hier gebeurd was verbaasde hem niet.

“Ja,” zei hij opgewekt. “Een lijk kan je hier natuurlijk altijd tegenkomen.” “Nou,” zei Bobo, “dat is dan toch wel heel typisch wat anders dan ik hier verwachtte tegen te komen. Hoe kan zo’n beest nu, kennelijk in de volle bloei van zijn leven, ineens doodvallen op zo’n veldje hier. Dat is toch niet zo vanzelfsprekend, dacht ik.”

“Oh jawel hoor,” antwoordde Ray. “Het zal er wel een zijn die we aangeschoten hebben en niet meer bijtijds hebben kunnen vinden.”

“Hoezo ‘aangeschoten’? Raak is toch raak, of niet dan? En wat bedoel je eigenlijk met ‘bijtijds’?”

“Bobo, je leeft nog in de oertijd. Om raak te schieten, zoals jij dat neemt, moet je zo’n beest volgen in de bush en struiken en naderen tot op korte afstand. Bovendien moet je een heel goede schutter zijn en daarvoor enorm veel oefenen en daar dus ook de tijd voor hebben. Zoals je weet hebben mijn klanten uit de stad alleen hun vrije uurtjes voor de jacht en dan moet er direct resultaat zijn. Ze hebben trouwens ook helemaal niet de conditie om achter die beestjes aan te rennen.”

“Ik snap het verband niet,” hield Bobo vol. “Als ik jouw redenering volg dan vangen ze dus gewoon niks of weinig omdat ze lui zijn en niet kunnen schieten.”

“Ze zijn niet alleen lui, maar ook rijk en slim en dus hebben ze dat anders opgelost. Ze schieten niet zoals jij denkt met een gerichte, dure kogel, maar met busjes loden balletjes ofwel hagel en daar mikken ze niet bepaald gericht mee. Ze sproeien meer globaal in de richting waar ze denken dat er iets beweegt. Het zijn over het algemeen wat oudere en vaak gezette figuren en ze zijn niet van de snelsten; dus om wat te raken beginnen ze gewoon voortijdig in de meest waarschijnlijke richting te sproeien zodra ze door ons gestuurde honden horen en als ze denken dat daar iets gaat bewegen. Daarbij raken ze soms wat ze willen raken, maar vaak raken ze dat maar gedeeltelijk. Ze raken vaak ook van alles wat niets met de jacht te maken heeft. Opvliegende vogels, onze in de weg lopende honden, muizen, bewegende takken, noem maar op. Wat ze wel geraakt hebben, krijgt dus loden balletjes in zijn lijf. Soms weinig. Soms veel. Voor een flink varkentje dus meestal te weinig. Zij zijn trots dat ze ‘hem hebben’, maar wij, het voetvolk, moeten dat dier eerst terug zien te vinden, want zo’n aangeschoten beest zet het op een lopen. En hoe fitter dat dier is, hoe verder het loopt. En dan kan het lang duren voor we hem terugvinden. Als we hem al terugvinden. Wij blijven natuurlijk niet oneindig zoeken, want na een dag beginnen die wonden van dat beest zo te ontsteken dat het niet lekker meer is om te eten. Afin, dat heb je dus met eigen ogen kunnen zien. Niet echt lekker.” Ray haalde eens diep adem en lachte Bobo, die hem met ontzetting zat aan te kijken, vriendelijk toe.

“Bedoel jij,” zei Bobo, “dat dat beest daar voor mijn huis dagen kan hebben liggen doodgaan, creperend van de pijn en dat jullie dat wisten en hem niet zijn komen afmaken?”

“Je kon hem toch niet meer eten, Bobo, dat zei ik toch! Dan heeft het toch geen zin. Dure kogels spenderen en dan nog niets kunnen eten. Dat is toch je reinste idioterie!”

 

Waarden groeien niet aan takken, je vindt ze niet onder een microscoop en je kunt ze niet construeren. Een waarde is pas een waarde als je het als zodanig wilt zien en benoemen. En omdat wij nu eenmaal het ongeluk hebben een samenleving te vormen, geldt die uitspraak de samenleving en niet het individu.

Individuen hebben geen waarden, die hebben opvattingen. Twee dezelfde opvattingen van twee individuen worden voor hen samen een waarde. Zonder in ieder geval een minimum set aan waarden weten mensen niet hoe een dialoog te voeren. Er ontbreekt dan een beslissingscriterium om het ergens over eens te worden en ze blijven dan sprakeloos ten opzichte van elkaar.

 

De waarde van een kogel tegenover de waarde van een dierenleven. Ray en Bobo begrepen van elkaar niet hoe de ander de situatie kon beoordelen zoals hij deed.

Het was even stil en toen zei Bobo: “Luister. Het is toch net zoals met jonge bomen. Je plant ze omdat het mooi is om een boom te zien groeien en groot worden ook al hebben ze geen nut en kan je ze niet eten. Dat is toch gewoon een kwestie van respect voor het leven?”

“Maar nee, dat is niet zo!” riep Ray uit. “Jij negeert gewoon om wiens leven het eigenlijk gaat. Dat zie je aan dat bomenvoorbeeld van jou. Volgens die nieuwe eco-wetten moeten de bosbouwers hier inderdaad jonge boompjes zetten in de plaats van de gekapte, ook op terreinen die goed zouden zijn voor de landbouw. Weet je wat de jonge boeren dan doen? Die gaan een nacht erop uit en knippen keurig alle toppen eruit zodat de teelt mislukt. Wat jij met je respect voor de groei! Het gaat hen om het winnen van landbouwgrond, om hun groei, om de mais en het landbouwbedrijf. En het zal de bosbouwers echt een zorg zijn. Die geven wat loslopende geiten de schuld en de zaak is geregeld. Wij zijn mensen Bobo. Het gaat hier op de wereld om mensen en niet om dieren of planten. Als jij het de mensen hier in de buurt lastig maakt dan steekt er vroeg of laat een de fik in jouw bos want ze willen hun leven en hun manier van leven beschermen.”

Bobo had het gevoel dat er een wereld voor hem openging die hij helemaal niet open had willen zien gaan. Tegelijk was er het deja vu toen hij Ray de mens tot de maat aller dingen hoorde verklaren. Hij vroeg zich af of het mensenhaat in hem was die hem tot de afwijzing van Ray’s opvattingen dreef.

En dan, wat dan nog? Want het kon toch zijn dat zijn afkeer van mensen terecht was? Wat kon er erger zijn in een levend wezen dan dat het zijn eigen aard aanroept als rechtvaardiging voor het ombrengen van alle andere wezens? Was er een grotere monsterachtigheid denkbaar?

Bobo verzonk in somber gepeins, terwijl Ray ‘sterkte’ roepend de aftocht blies.

 

De eerste dagen bracht Bobo braafjes op zijn rug door. Geholpen door de pijnstillers deed hij zo af en toe een voorzichtige uitval naar de ijskast, telefoon en toilet, maar voor het overige bleef hij toch liever wijselijk plat,want elk uitstapje werd gevolgd door een half uur adembenemende pijn.

Maar ja, verder? Verder kon er niet veel. Geen gepruts, nauwelijks lezen want een boek omhoog houden is lastig en bij de krant kon hij niet komen, want de brievenbus stond aan de weg. En wat doen mensen in hun verveling als er een hond bij is. Juist, ze beginnen eerst minder en dan geleidelijk aan steeds meer infantiele conversaties met het arme beest te voeren. Terwijl het toch duidelijk is dat die niet meer dan blaffen verstaat. Het is natuurlijk te verkiezen boven de volslagen debiele tv maar het blijft er niet minder stompzinnig om.

Bobo sprak Boel eerst aan over elke stap die hij ging zetten. ”Kom Boel, we gaan er maar weer eens even uit.” (Boel was natuurlijk geenszins ‘in’.) En: “Boel, nou lusten we wel een kopje koffie.” (Boel niet, maar ze luisterde braaf naar de mededeling.) Daarna ging het over in een ernstiger stadium, waarin Bobo aan Boel vragen stelde. “Die lui zijn toch stapel mesjokke daar, beesten half dood achterlaten, vind je niet?” Boel begreep dan dat haar iets gevraagd werd en hoewel ze niet wist wat gaf ze Bobo ten antwoord een uitgebreide lik over zijn oor. Als Eileen er geweest was zou ze bestraffend gezegd hebben: “Bah, Boel, niet in zijn gezicht likken,” maar Eileen was er niet en Bobo vond het wel een prettige blijk van sympathie van de enige andere aanwezige in de zaal. Na drie dagen was Bobo het toch wat eenzijdige gesprek wel zat en besloot hij tot een wat intensiever samenspel. Hij zette Boel naast zich op het bed en begon spelletjes voor hen samen te bedenken. Bobo handen in de lucht, Boel poten in de lucht. Bobo zijn kop scheef, Boel zijn kop scheef.

Bobo bekken trekken, Boel blaffen, enzovoort. Na een tijdje waren ze ook dat moe en zaten ze weer stil naast elkaar op het bed, te kijken door het ronde raam naar de bomen die buiten stonden te wiegen in de wind. “Weet je wat, Boel,” vroeg Bobo, “zou iemand er ooit in geslaagd zijn de blaadjes van een boom te tellen? Dat lijkt me wel een mooi experiment, dat gaan we doen.” En hij pakte Boel bij haar smalle schouders, zette haar op zijn schoot en begon ingespannen starend tussen haar rechtop staande oren naar de lindeboom die recht voor het raam stond de blaadjes te tellen. Bijna meende hij twee takken geteld te hebben toen, bij het einde van de tweede tak, er een heel licht briesje opstak zodat de tak bewoog en hij de tel kwijt was en niet meer wist wat geteld was en wat niet. “Help dan ook eens Boel!” zei hij en Boel keek vragend naar hem achterom alsof ze instructies wilde hebben hoe dat te doen.

Toen ging de telefoon.

 

‘Stalking’ is een merkwaardig begrip in het kader van communicatie. De ontvanger ontvangt een bericht waarbij het de vraag blijft of de verzender dat bericht verzonden heeft. Misschien heeft hij wel een heel ander bericht verzonden. Sterker nog, in de regel wordt ermee bedoeld dat de verzender die boodschap niet verzonden heeft maar de ontvanger die boodschap wel ontvangen heeft. Het niet verzenden, van de eigenlijke boodschap, door de stalker is eigenlijk de essentie ván de boodschap. Een indringende blik die door de ontvanger wordt opgevat als een onbeschaamde uitnodiging is juist een uitnodiging die ingehouden is, die niet gedaan is. Stalking is eigenlijk een voor bedreiging gereserveerde vorm van communicatie waarbij de dreiging uitgaat van hetgeen niet gezegd wordt. Er zit altijd een hoop ruis in stalking maar de hoofdintentie, dat waar het om begonnen is, wordt niet uitgesproken. De zender wil als het ware bovenop de ontvanger gaan zitten maar weet niet hoe hij die vast moet pakken.

Een onmacht die dicht bij geweld ligt.

 

Dat gevoel van onmacht beving Bobo toen hij de telefoon van de grond gegrist had, waar deze uiteraard beland was na de eerste mislukte poging om hem te pakken. Uit de hoorn klonk geruis en Bobo vroeg vriendelijk “Met wie spreek ik?” Er kwam geen antwoord. “Hallo, met wie spreek ik?” vroeg hij nog eens. Hij twijfelde of er wel een verbinding was totdat hij iets hoorde dat het midden hield tussen gemompel en onderdrukt gelach. “Hallo, hoort u mij niet? Ik hoor u in elk geval niet, dus ik zal maar neerleggen dan kunt u het opnieuw proberen.” Hij legde de hoorn neer en keek er nadenkend naar.

 

De telefoon ging die dag niet meer over en hoe langer Bobo daarover nadacht, hoe minder hem dat beviel. Hij besloot zijn gedachten op constructievere zaken te concentreren en begon plannen te maken om op de een of andere manier toch te kunnen lopen. Na ingespannen de hele kamer rondgekeken te hebben naar hulpmiddelen voor zijn looppogingen viel zijn oog op de skiuitrusting die tegen de kleerkast stond. Het was het ei van Columbus.

Voorzichtig zakte hij uit bed en schoof in de richting van de skitas, waar uitnodigend twee skistokken uitstaken. Hij trok ze eruit en ging met zijn rug tegen de muur zitten, met in elke hand een skistok. Zich met twee skistokken omhoog drukken bleek niet te gaan. Dus draaide hij zich om, ging op zijn knieën zitten en trok zich aan één skistok omhoog totdat hij tegen de muur leunend min of meer stond. Een overwinning. Nu pinde hij vastberaden de skistok vooruit met het voornemen er zijn benen achteraan te zetten. Skistokken zijn echter niet voor niets skistokken en geen wandelstokken en een oude gladde ijzeren punt is heel wat anders dan een rubberen dop. De skistok schoot vooruit en Bobo, die op die meegaandheid in het geheel niet bedacht was, viel languit voorover op het theetafeltje, dat met een droge krak in elkaar klapte maar wel zijn val mee opving. Dit zou duidelijk nog wat oefening vergen.

 

De volgende ochtend was Bobo de hele dag bezig met zijn oefeningen in het lopen met een skistok. Voorzichtig geworden liep hij langs de muur van de kamer met twee handen geklemd om de skistok. De skistok en de muur samen hielden hem overeind. Snel ging het niet, maar het ging. Hij liep heen en weer totdat zijn rug signalen gaf dat het welletjes was. Terug in bed viel hij weer in slaap totdat de telefoon hem wekte. Die stond te ver weg nu. Bobo moest uit zijn bed om erbij te komen. Met behulp van de skistok slaagde hij er toch nog snel in om het apparaat te bereiken.

Geruis.

Bobo riep twee keer: “Wie is dit.” Geen antwoord.

Hij perste de hoorn klemvast tussen zijn schouder en zijn kin zodat hij een hand vrijkreeg om zich vast te houden. Nu hoorde hij duidelijk de adem van een kennelijk zwaar persoon in de hoorn.

“Als ik u zo goed hoor, kunt u net zo goed wat zeggen, vind u niet?” probeerde hij.

De andere kant hield nu plots de adem in. Er klonk enig gestommel en toen ging de hoorn er blijkbaar weer op.

“Etter,” zei Bobo.

 

De verbeelding is vaak een grotere verschrikking dan de werkelijkheid. Bobo kreeg de wildste vermoedens en gedachten over de zwijgzame beller. Als zo vaak was het zijn primaire reactie die overheerste. Hij nam zich voor het niet over zijn kant te laten gaan, precies de reactie die elke doorsnee stalker prefereert. Hij ging rechtop zitten in zijn bed met de telefoon aan het voeteneind waar hij woedend naar ging zitten kijken. Na enkele uren drong het tot hem door dat deze ingespannen houding niet echt zinvol was en hij besloot zichzelf een blik op de buitenwereld te gunnen. Behoedzaam verliet hij het bed en schoof leunend op de skistok naar de buitendeur. De deur ging gemakkelijk open en Bobo knipperde tegen het zonlicht. Voorzichtig hief hij een voet op om zijn eerste stap sinds dagen in de buitenwereld te wagen.

De telefoon ging.

Bobo bevroor in zijn houding, draaide zich toen om met een snelheid die hij zelf niet voor mogelijk had gehouden en schoot, voorzover hem dat mogelijk was, naar de telefoon op het voeteneind. Hij had zijn voorgenomen reactie van tevoren goed uitgedokterd.

“Hallo, ik ben blij dat je weer belt hoor. Ik vind het altijd fantastisch als mensen zo enorm gefrustreerd kunnen raken van hun eigen onbenul dat ze alleen nog maar met hun bek vol tanden aan de telefoon kunnen gaan staan. Ik wed eigenlijk dat je dat ook gebeurt als je met een vrouw bent, zal het ook wel allemaal enorm slappe zooi zijn. Of, nee, die bel je natuurlijk ook alleen maar met gehijg op. Nee, joh, als je me je adres geeft zal ik dat wel voor je doorsturen naar de psychiater of naar de seksshop als je dat liever hebt. Je bent vast de figuur bij uitstek die zich alleen daar kan uitleven!”

“Nee, dat ben ik bepaald niet,” zei de stem van de brigadier afgemeten. Bobo, die tot dan toe gespannen voorover in de telefoon had staan blaffen, schoot overeind, geheel en al vergetend dat zijn rug nog niet tot die houding in staat was.

“Aaahhh,” bracht hij uit.

“Wat is dit, Bobo?” klonk het van de andere kant.

Bobo was te druk bezig met van pijn vertrokken gezicht zijn evenwicht te hervinden. Hij zwaaide wanhopig met de skistok door de lucht in een verwoed gevecht met de lucht om hem heen om houvat te vinden. Hij slaagde er uiteindelijk in de skistok achterwaarts naar beneden te brengen en met een ferme klap op de grond te zetten.

De gil die daarna van achter hem klonk was zo doordringend dat hij ervan overtuigd was dat zijn trommelvliezen dat niet konden hebben overleefd. Hij draaide zich bliksemsnel op zijn skistok om, en merkte dat hij die exact in het midden van Boel’s voorpoot had gepland. Krijsend staarde Boel naar haar voorpoot, ondertussen verwoed rukkend om die los te krijgen. Uiteindelijk lukte het haar met een ultieme gil om de vliezen tussen haar tenen te scheuren waardoor ze haar poot terug kon trekken. Jankend en gillend rende ze als een waanzinnige in het vertrek rond. Bobo hoorde de stem aan de andere kant van de telefoon nog vaagjes roepen: “Wat doe je daar Bobo?” voordat hij de hoorn erop klapte en achter Boel aanging om haar te bedaren.

 

Als in een waas scharrelde Bobo met zijn skistok achter Boel aan, greep en griste naar haar totdat hij haar uiteindelijk duikend en haar in een hoek drukkend met een grote hand op haar rug kon pakken. Hij drukte haar tegen zich aan en draaide zich met zijn rug tegen de muur. Zo keken ze verdwaasd om zich heen. De kamer zag eruit alsof hier juist de derde wereldoorlog had plaatsgevonden. Stoelen lagen om, servies en vazen aan gruzelementen. Het kon Bobo niet schelen.

Hij had Boel vast en het enige op de wereld dat hem nu nog belangrijk leek was Boel ervan overtuigen dat hij echt van haar hield en dat alles een ongeluk was, niet een straf of een wreedheid zoals mensen die begaan.

Voorzichtig schuivend over de vloer, met de piepende Boel onder zijn arm geklemd, schoof Bobo richting het medicijnenkastje. Hij rukte er een rol bindsel uit en een dot watten en propte de watten op Boel’s poot, onder de verbijsterde blikken van Boel die dat een kennelijk minstens even grote aanslag vond als de skistok daarvoor. Daarna draaide hij het bindsel om de watten met een druk die passend zou zijn geweest om een lekkende waterleiding te dichten. Boel berustte, nog natrillend. Haar ogen waren nog steeds groot van de doorstane verschrikking. Bobo bekeek het resultaat: Boel’s poot had de omvang gekregen van een kinderolifantenpoot en het was onwaarschijnlijk dat ze er ook maar een stap mee kon zetten maar Bobo’s goede bedoelingen waren er wel mee duidelijk gemaakt. Hij zuchtte diep en tot zijn lichte opluchting slaakte ook Boel zoiets als een verontwaardigde zucht. Zo bleven ze daar zitten.

Onder het medicijnkastje. Te moe om de afstand naar het bed te overbruggen, Bobo onderuitgezakt tegen de muur, Boel met een vijfmaal te grote poot in een wit pakket op zijn schoot.

 

Toen zwaaide de deur open.

Eileen!

ETAPPE 8

Onzekerheid en onmacht zijn heel verschillende zaken. Sterker nog, zij die onzeker zijn en daarmee heel goed kunnen leven zijn in principe juist machtiger want zij zijn bereid en in staat de in’s en out’s, de goede en de slechte uitkomsten van elke situatie onder ogen te zien. Onzekerheid is geen slechte eigenschap maar juist een goede: het garandeert dat je steeds alle voor- en nadelen van een situatie blijft overwegen en heroverwegen en niet verblind wordt door een dwangmatig optimisme. Maar onmacht is zo slecht dat het zelfs geen eigenschap is van een individu op zich maar eerder een kenmerk van een situatie: je kunt het wel maar de situatie laat het je niet toe het te realiseren. Je stort je vol goede moed op een klus, je weet dat je het kunt, en de klus is loos, er is niks, het is een blindganger, het was alles voor niks. Onmacht is wat een mens vals maakt. Hij moet en zal realiseren, hij moet en zal zichzelf tot iets maken, iemand worden met een gezicht, een karakter, een persoonlijkheid, een expert in zijn eigenheid.

En zo niet?

 

Dat willen wij mensen niet weten. We willen niet weten wat er gebeurt als we niet kunnen wat we willen, als we niet komen waar we willen zijn, als we niet worden wat ons onze bestemming leek. Dan beginnen we onze negativiteit te ontwikkelen. Dan sublimeren we wat we daarvoor in onszelf en ander verachten. Neemt een ander zijn toevlucht tot geweld, dan kunnen wij dat ook, en beter! Maakt een ander misbruik van ons vertrouwen? Dan zijn wij in staat om hem er nog veel ingenieuzer in te laten lopen. Verachten zij ons, wij kunnen hen nog veel zwarter maken. De spiraal van onmacht is tegelijk de opbouw van een zelfbeeld dat we in ons hart verachten maar waar we ons aan overgeven om het falen te ontlopen. De naadloze overgang van idealistich geinspireerde gemeenschappen naar rasistische en geweldadige clans komt daaruit voort. Het menselijk project moet lukken. Zo niet, dan wordt het een onmenselijk project.

 

Dat was wat Eileen zag toen ze de deur had opengezwaaid: de mislukking van haar beeld van samenleven met Bobo. Vol bij elkaar geraapte nieuwe goede moed was ze teruggekeerd naar Het Licht. En nu, onder de kamerlamp, zag ze Bobo in zijn pyjama tegen de muur zitten, Boel verfomfaaid met een poot zo groot als een bokshandschoen op zijn schoot, stoelen en servies als in een grote brei dooreen op de grond, haar huishouden aan scherven.

“Nee, he!” was het enige dat ze uit kon brengen.

Bobo begon, niet wetend hoe te beginnen met het uiteinde van een uitleg waar hij eerst een begin had moeten maken. “Eileen, luister, er was een ongelukje…”

Maar ze onderbrak hem, terwijl Boel hinkpotend naar buiten de benen nam. “Waarom denk je eigenlijk dat ik terug ben gekomen?”

Bobo durfde het niet aan om daar een pasklaar antwoord op te geven. “Voor een soort van leven met jou! Een leven waarin je eindelijk ook eens tijd hebt voor mij, ook eens aandacht hebt voor de dingen die ik doe of tenminste wil doen, een leven dat niet vol is van conflicten en waar gezelligheid is!” “Iets waar ik niet ben, bedoel je,” vulde Bobo plots vals behulpzaam aan. “Zodra ik maar de deur open doe, zit je daar weer levensgroot alle ruimte opeisend met JOUW problemen, JOUW conflicten, JOUW ongelukken, JOUW miserie waarin nooit plaats is voor mij. Je hebt in al je afkeer van anderen zo’n groot ego dat je gewoon geen ruimte voor mij laat!” En in snikken en tranen besloot ze tot haar herintrede in Het Licht.

 

Er heerste een tijdje stilte. Toen zei ze: “Waarom ga je trouwens niet in je bed zitten als je blijkbaar toch te lamlendig bent om je aan te kleden?”

“Dat gaat niet,” zei Bobo, hulpvaardig nalatend om haar uit te leggen waarom dat dan niet ging. Hier was een tafereel op handen dat de beide hoofdrolspelers op Het Licht bekend was maar buitenstaanders merkwaardig voor moest komen. Immers, wat was het stom om als er iemand in bed gaat zitten als een razende om de bedlegerige heen te gaan rennen, een estafette naar de keuken en de medicijnkast te ontwikkelen, dokters, apothekers en ziekenhuizen de kop suf te zeuren en zelf ondertussen alles maar in te slikken wat je dwars zit. Nee, dan zijn er voor de aspirantverzorger betere oplossingen denkbaar en die werden nu accuut in praktijk gebracht.

 

“Je bent toch niet ziek of zo, hè Bobo?” zei Eileen argwanend.

Bobo knikte voorzichtig bevestigend: “Ik vrees van behoorlijk wel ja.” “Nee hoor, dat kan ik er nu niet bij hebben,” zei Eileen vastbesloten. “Ik voel mezelf al niet goed en ik heb een hoofdpijn van hier tot gunder. Ik moet gewoon mijn bed in.”

Bobo knikte, niet dat hij er begrip voor wilde tonen maar hij had het al verwacht. “Maar,” vervolgde hij ,“deze keer is het wel wat…”

Verder kwam hij niet want Eileen had zich omgedraaid met haar tas en was in de deur verdwenen om even later weer in haar nachtpon te verschijnen. “Ik denk dat ik koorts heb, het klamme zweet breekt me uit.” Zwaar zuchtend klom ze in het door Bobo wanordelijk achtergelaten bed.

“Eileen,” probeerde Bobo nog eens voorzichtig, maar ze had zich al van hem afgedraaid en liet door het uitdraaien van de lamp en demonstratief zacht gesnurk weten dat hij niet langer haar volle aandacht genoot.

 

Zo zat Bobo in het donker tegen de muur en staarde naar Eileen’s rug. Een storm van gedachten welde in hem op. Hij was aan het ‘woeden’. De angst en razernij kwam in hem op die hem steeds bekroop als hij in een situatie was gemanoevreerd die hij alles behalve gewild had maar waar hij niet aan kon ontsnappen. Dit keer was dat ook waar in de zeer letterlijke zin van het woord. Hij begreep Eileen. Dat was het stompzinnige nu juist: hij begreep haar wel. Maar hij kon niks met dat begrip. Hij kon moeilijk tegen haar zeggen dat hij wel voor haar wilde zorgen, want dat kon hij niet en ze was nog niet eens echt ziek ook. Hij kon haar ook niet uitleggen dat hij haar wel ruimte had willen laten maar zichzelf gewoon niet kleiner kon maken dan hij was. Hij hield

van Eileen maar hij was nu eenmaal Bobo, zelfs al had hij die graag voor een ander geruild. Hij werd er opstandig van. Het bloed bonkte in zijn kop. Alle taferelen van de laatste weken maalden dooreen: de Graaf, Eileen, Garcia, Ray en de brigadier leken hem allemaal figuren waar hij niet mee kon leven, die hem niet begrepen en die hij niet wilde begrijpen. Ze waren een andere wereld aan het worden, waar hij liever vanaf zag. De wrok trok zijn gezicht in een pijnlijke grimas en hij dommelde even van vermoeidheid weg.

 

“Kom je niet in bed, Bobo?” Het was Eileen, die plots rechtop in bed bleek te zitten. De lamp was aan.

“Ik wil wel, maar het is lastig want ik ben mijn skistok kwijtgeraakt en je deed het licht uit zodat ik niet meer kan zien waar die is en...” Bobo had ineens haast om alles te verklaren wat hij deed en hoe dat kwam en hoe eigenlijk alles kwam en dat het zo kwam zonder dat hij er iets aan had kunnen doen.

Halverwege zijn relaas zag hij Eileen teneergeslagen onderuit zakken. “Je wilt eigenlijk zeggen dat ik hier niet eens rustig ziek kan zijn Bobo,” zei ze op matte toon. Hij had niet de indruk dat hij dat had willen zeggen maar hij onderbrak zijn relaas om snel zijn stok te zoeken, want hij vreesde dat zij het licht weer uit ging doen. Ze deed het niet en hij vond zijn stok waarmee

hij zich overeind trok onder haar meewarig toeziend oog. “Daar ben ik mooi

klaar mee,” zei Eileen. “Dat wordt weken pezen.”

Bobo bereikte bijtijds het bed en kon er zich nog juist in laten zakken voordat het licht weer uit ging. Hij dacht dat ze weer was gaan slapen maar ineens zei haar rug tegen hem: “Als jij maar weet dat we eens grondig moeten praten over hoe jij je gedraagt tegenover mij.”

Het was maar dat Bobo het wist.

 

De volgende dagen brachten ze zwijgzaam door. Het was Eileen al gauw duidelijk dat ze weliswaar een principieel recht op ziekzijn kon doen gelden maar dat de fysieke realiteit van Bobo hem niet toestond om het huishouden voor haar te voeren. Dus was ze in arren moede op de been gekomen en rommelde her en der in en rond het huis. Boel was haar voornaamste aanspreekpunt en ze vertroetelde haar beschadigde poot als was het een van haar eigen ledematen. Bobo bleef zorgvuldig in bed en liet angstvallig alles na wat naar haar zeggen ‘zijn genezing’ verhinderen zou.

 

Toen ze na een dag of vier liet merken dat hij wel eens wat moeite zou kunnen doen om op de been te komen, kroop hij zo snel hij maar kon uit het bed, wijselijk vergetend haar in te lichten over het doktersverbod van vele weken. Zijn behoedzaam geschuifel in het huis gaf de schijn van herstel aan de situatie. Enkel de telefoontjes die zo af en toe binnenkwamen, waarbij Bobo zonder zelfs maar te luisteren direct de hoorn op de haak deponeerde verstoorden Eileen’s gemoedsrust.

“Zou je niet eens uitleggen wat je steeds met die telefoon doet, Bobo? Het kunnen ook wel telefoontjes voor mij zijn, weet je, ook al vind je dat blijkbaar geen relevante mogelijkheid.”

Bobo slikte en bleef met zijn hand nog op de telefoon en zich verbijtend stilstaan, twijfelend tussen niets zeggen en de onweerlegbare zekerheid van het verkeerd te zullen zeggen. Hij voelde dat de ruimte ontbrak om met een creatieve wending aan de vraag te ontsnappen. Het bloed steeg hem voelbaar naar zijn hoofd en eindelijk kookte hij over en kwam alles naar buiten.

BOBO’S MONOLOOG

“Klootzakken, Eileen! Dat daar aan die telefoon dat zijn klootzakken. Ik houd niet van schelden, want je weet dat ik vind dat dat verspilde energie is en dat het bovendien elk gesprek vertroebelt ,maar het is in dit geval ook geen schelden want ze zijn het immers in werkelijkheid. Ze hangen daar aan die lijn met hun gevoel van normen en waarden en ze doen alsof er een soort natuurlijkheid zit in hun normen en waarden, die ze vervolgens als de vaste waarden van de natuur op mij projecteren. Maar ik deel hun waarden niet, Eileen. Voor mij hebben zij opvattingen en heb ik andere, zo simpel zie ik dat.

Oh ja, ik hoor het je al zeggen! Dat ik evenmin recht heb om mij van mijn kant het eeuwige gelijk aan te meten, maar ik doe dat ook niet. Sterker nog ik wil dat niet eens. Ja, zeg je dan, maar zij zijn de samenleving en jij gaat daar buiten staan omdat ze jouw opvattingen niet delen. Jazeker ga ik er buiten staan. Zoals iedereen doet die recht wil houden op het geloof in zijn eigen vermogen om mens te zijn, om zelf te denken, om niet met de voorgeschreven mentaliteiten mee te gaan. Zoals iedereen moet doen die zou willen dat er creatieve, nieuwe en spannende dingen gebeuren.

 

En – oh best – ik heb er geen moeite mee om toe te geven dat ik de eeuwige strijd om mezelf te blijven moe ben geworden en me terug heb getrokken om er even van af te zijn. En dan heb je nog gelijk ook, blijkbaar, dat dat een valse vorm van verstoppen is want die klootzakken aan de telefoon bewijzen dat helaas. Maar ik ga niet meer zo ver in die put wegduiken dat ik zelfs in mijn afgelegen schuilplekje hier op Het Licht niet meer in mijn eigen opvattingen zou mogen geloven. Ook al kan ik ze hier niet tot de waarden van een samenleving maken. Natuurlijk kun jij het belachelijk vinden als ik voetbal een sport voor waanzinnigen vind, omdat je waanzinnig moet zijn om achter een bal aan te lopen tot je hem hebt om, als je hem eenmaal hebt, hem zo gauw mogelijk weer weg te schieten, zodat je hem kwijt bent en er opnieuw achteraan moet hollen. Inderdaad vind ik dat als je hem hebt je hem beter vast kunt houden zodat je er niet meer achteraan hoeft te hollen. Maar ben ik dan gek of zijn al die lui gek. Die lui die of in het veld staan of langs de kant gaan staan en roepen dat je hem moet pakken. En die dan weer roepen dat je hem weg moet schieten? Je lacht me uit en zegt dat ik de enige ben op de wereld die zo denkt, maar mijn probleem is juist dat me dat niet kan schelen! Dat dat er niet toe doet, omdat het argument op zich juist is. Mensen hebben geen betere waarden en normen dan ik. Ze hebben andere en er is geen reden om mij aan te wrijven dat ik een inferieur wezen ben omdat ik niet doe wat zij willen. Wat kan het mij schelen dat zij mijn opvattingen over eten niet delen? Ik deel die van hen niet. Dat is het toch waar het in mijn situatie over gaat? Ik vind het inderdaad belachelijk zoals mensen met eten omgaan. Ze verzamelen de mooiste verse groenten die er schitterend uitzien en beginnen daar vervolgens als gekken op te hakken, te slaan, en zelfs op te stampen totdat er een onherkenbare smerige brei is ontstaan en roepen daar dan ‘lekker’ tegen. Ik zie geen reden om dat normaal te noemen. Ik vind dat smerig en niet lekker.

En wat zou dat nou helemaal dat ik dat vind? Waarom zou ik van mening moeten veranderen? Alleen omdat zij met meer zijn en ik alleen ben? Alleen omdat zij een stropdas voorschrijven zou ik er een moeten? Alleen omdat zij op hun benen staan zou ik niet op mijn kop mogen staan? Wie is er hier nu een afschuwwekkend wezen? Ik die het hun niet voorschrijf of zij die het mij wel voorschrijven op basis van geen enkel ander argument dan dat ze de meerderheid zijn en ik hun meerderheid blijkbaar verstoor?

Ja hoor, ik heb inderdaad gedacht dat ik ze daarbuiten kon laten en zelf met jou en mij en Boel hier kon leven zoals ik dacht dat ik kon leven. Blijkbaar heb ik de kracht van dat allerafschuwelijkste wezen dat de natuur heeft voortgebracht, de mens, weer eens schromelijk onderschat. Want jij, jij maakt me elke keer weer duidelijk dat ik geen ruimte heb, geen ruimte zal krijgen ook, al is het nog maar zo klein om te zijn zoals ik ben. Jij, Eileen, je manouvreert het zo dat ik steeds op twee tegenovergestelde antwoorden uitkom bij alle problemen. En dat zijn antwoorden die je allebei af zult keuren. Als ik zeg dat ik gezond ben, zul jij zeggen dat ik mezelf voor de gek houd en op mijn tellen moet passen. Als ik zeg dat ik ziek ben, zul je zeggen dat ik het me gemakkelijk maak en jou met de brokken laat zitten. Het gaat zoals met autorijden: ik rijd volgens jou steeds te hard en als ik dan langzamer ga rijden dan zeg je ineens het tegenovergestelde. Dan rijd ik volgens jou belachelijk zacht en doe ik dat om jou te pesten. Er zit gewoon niks tussen. Er is geen kilometerstand die goed is. Er is geen ruimte. Er is geen mogelijkheid waar jij zegt dat het goed gaat.

Als er dan geen ruimte over blijft voor mij, wat word ik dan geacht te doen? Moet ik doen alsof mijn persoon niet bestaat? Alsof ik niet geloof in waar ik wel in geloof? Alsof een argument dat ik opstel niet waar kan zijn omdat het een argument van mij is? Alsof de wereld zelf een ontkenning van mijn bestaansrecht is? Alsof het enige wat ik kan en mag zijn, is niet mij zijn? Als ik dat zou moeten doen, dan word ik een monster voor mezelf, het meest afschuwelijke creatuur dat er is. Iets wat als een zwarte schaduw voor mij uit loopt en me aan het oog onttrekt. Ik kan niet eens zeggen dat ik dan gedwongen werd, alleen maar dat ik geen andere uitweg zag. Nee, Eileen, ik word dat monster niet. Ik vertik het. Als die klootzakken weer aan de telefoon komen, zal ik ze door de telefoon heen uitwringen en dan ben ík niet het monster maar zij!”

 

Eileen had hem met toenemende woede aangehoord en nu hij eindelijk blazend van opgekropte spanning was uitgesproken, boog zij zich diep over de tafel naar hem toe en zei:

“Als jij de Robinson Crusoe wilt gaan uithangen ten opzichte van de wereld dan moet jij dat weten maar sleep mij niet mee, versta je, niet mij!!” In woede haalde zij uit met haar rechterarm en sloeg met haar vlakke hand op tafel.

Daarop werden haar ogen plots zeer groot en riep ze: “Aaaaaahhhhh.” Bobo keek haar verrast aan en vroeg: “Aaaaahhhh???”

Ze leek met haar ogen naar achteren te wijzen en Bobo keek achter haar maar zag niets bijzonders. Eileen stond nog steeds over de tafel gebogen en zei toen schor: “Mijn rug! Ik zit vast! Mijn rug zit vast! Het schiet er zo in! Hij zit vast.” Plotseling drong het tot Bobo door wat er gebeurd was en hij vertoonde onmiddellijk de reactie waar Eileen niet op stond te wachten: hij schoot in de lach, zo vreselijk, dat hij er bijna stuiptrekkingen van kreeg en naast Eileen over de tafel hing van het lachen.

“Ik vind dat niet om te lachen,” piepte Eileen.

“Nee,” zei Bob, “dat zal wel niet maar God straft hier wel onmiddellijk.” Nog nahinnekend pakte hij haar bij haar arm en begeleidde haar in een hoek van 90 graden gebogen lijf naar het bed.

 

De hele merkwaardige afloop van de confrontatie tussen Bobo en Eileen werkte als een ontlader op Bobo. Hij zat naast Eileen in het bed en keek geamuseerd naar haar opgevouwen positie onder de deken. “Ongemakkelijk he?” zei hij meelevend. “Moet je ook een skistok?”

Het woedende gegrom van onder het laken verstoorde zijn herwonnen gemoedsrust niet en hij wilde haar juist ondervragen over haar wensen voor het eten toen de telefoon weer ging. “Kijk Eileen, ik zal het eens doen zoals jij wilt, ik ga heel beschaafd die telefoon beantwoorden,” en hij pakte de telefoon op.

“Luister Bobo,” klonk het van de andere kant .“Voor je weer allerlei grove taal gaat uitslaan deel ik je bij dezen mee dat we morgen je hond komen ophalen voor vernietiging.” De brigadier was zo te horen duidelijk berekend op een verwoede uithaal van Bobo maar het was al eerder tot zijn onderbewustzijn doorgedrongen dat deze mededeling ging komen en hij reageerde daardoor ook voor hem zelf verrassend rustig: “Ik zou zeggen doe uw best dan hè”, en hij hing op.

“Ik zal maar niet vragen wat dat was zeker,” klonk het van onder het laken naast hem. “Nee,” bevestigde Bobo.

 

Het was een licht gekraak en gerommel buiten waarvan hij wakker schrok. Hij zag Boel op haar achterpoten tegen het deurraam staan, haar boxhandschoen tegen het glas. Ze keek naar iets buiten bij de houtstapel en stootte een onderdrukte blaf uit. Bobo trok zich overeind ,strompelde naar de muur en keek door het raam in dezelfde richting als Boel. Hij meende enkele gestalten te zien die aan iets leken te schudden maar hij kon niet goed zien wat het was.

Als ze voor Boel komen dan pakken ze mooi mis, bedacht hij en hij tikte fel tegen het raam. Dat had grote opschudding buiten tot gevolg en de gestalten gingen er vliegensvlug vandoor over het veld in de richting van het bruggetje.

 

De nacht viel over Het Licht. Boel bekeek over haar boxhandschoen het schijnsel van de maan. Bobo dwaalde door zijn gedachtenwereld totdat uiteindelijk de slaap hem voor de laatste keer de rust bezorgde die zijn geest hem niet had kunnen geven.

De vallei van Het Licht sliep niet.

Zij wachtte op morgen.

ETAPPE 9

Een spiegel heeft een goede kant en een kwade kant. De goede kant is dat we alleen ons uiterlijk in de spiegel zien en verschoond blijven van al het kwalijks dat zich achter ons voorhoofd afspeelt. De kwade kant is dat we alleen ons uiterlijk in de spiegel zien en daardoor maar niet kunnen bevatten wat zich achter ons voorhoofd afspeelt. Waarom schrikken we terug voor onze eigen gedachten? Zijn ze niet mooi genoeg? Verwringen ze te veel het optimistische beeld dat we van onzelf koesteren? Denken wij dingen waarvan we weten dat we ze niet kunnen of willen accepteren? Bij het aankijken van de ander spelen zich hele films af in ons hoofd, rolprenten die beschrijven wat we allemaal met de ander zouden willen doen. Maar we censureren die rolprenten. Onze normen verbieden ons te denken wat we denken, laat staan te doen wat we denken. De dokter met een hekel aan zijn patiënt kan wel denken dat hij de verdoving zou willen vergeten maar hij laat dat toch uit zijn hoofd. De terraszitter die graag de schone passante van de stoep zou willen plukken bijft bij nader inzien toch liever zitten.

En ja, de notaris die in hoog beschaafd jargon de omgang met zijn verachte cliënte afhandelt, vermoordt graag levende wezens in het weekend in het donkere bos, waar niets hem dat kan beletten en het zelfs tot beschaafde cultuur is gesublimeerd om wreedheden te begaan en moorden te plegen onder de noemer van de jacht.

Want zo is het ook: wat wij liever niet rechtstreeks in de spiegel willen terugzien aan duistere gedachtenspinsels, moet wel ergens naar buiten, er moet een uitweg voor zijn. Is onze echtgenoot niet tot de duistere seksuele spelletjes bereid die we in onze dromen in elkaar knutselen, dan komen we via een pornootje aan onze trekken. Veroordelen wij keurig het oorlogsgeweld, in onze dromen vergelden wij de kwalijke oorlogsmidaden met heel wat heviger tegenmaatregelen, en in oorlogssituaties doen we dat, zoals de jagers in het grote bos, in werkelijkheid ook.

Mensen en monsters zijn in de officiële spiegel van films en literatuur, elkaars tegengestelde. In werkelijkheid zijn ze één geheel, twee zijden van dezelfde munt. Moeilijk te verteren is die notie en dat niet zonder reden. De twee zijden verdragen elkaar niet, hebben een afkeer van elkaar. De mens verdringt liever de gedachten die hij niet acceptabel en gewaardeerd weet. Maar door het monster niet te willen zien, maken mensen zich niet beter maar slechter. Want niet zien is niet bevatten, en niet bevatten is niet beheersen. Waar de mens zijn monster niet beheerst, omdat hij het niet heeft willen bevatten en begrijpen, daar heerst de ware monsterachtigheid.

De vallei van Het Licht zou het schouwtoneel van die ongelukkige waarheid worden.

 

“Allemachtig,” foeterde Bobo. “Ook al bestaat god niet, we hadden hem beter wel kunnen uitvinden, want zonder hem is het allemaal heel onhandig.” Hij stond in de keuken met zijn linkerarm leunend op zijn skistok en hij hield in zijn rechterhand een koekepan met een klont boter. Hij stond nu voor het vraagstuk hoe het vuur aan te steken als allebei zijn handen bezet waren en noch zijn benen noch zijn piemel voor dat doel geschikt leken. Eileen had voor het eerst sinds dagen een wat opgewekter teken van leven gegeven door hem te vragen een ei voor haar te bakken en Bobo was – blij dat er zo tenminste weer een vorm van dialoog was – opgewekt aan het klusje begonnen.

“Wat doe je nu weer, Bobo?” Eileen vermoedde dat er onheil brengende manoeuvres op komst waren en onderzocht nu of haar argwaan terecht was. “Ik wil dat vuur aanmaken maar ik heb geen hand vrij om een lucifer aan te steken,” sputterde Bobo.

“Nee, schat, je hoeft geen lucifer aan te steken want er zit een elektrische ontsteking op en je moet dus alleen maar op het knopje drukken.” Vreugdevol nieuws voor Bobo, die nu met de steel van de koekepan op het knopje duwde waardoor het vuur inderdaad aansprong maar de klont boter helaas uit de pan op de grond gleed. Verstild stond hij ernaar te kijken:

een onbereikbare klont boter en een brandend vuur. Hij besloot de pan op het vuur te zetten en er nieuwe klont boter in te doen en die op de grond te negeren. Zacht neuriend om zijn humeur weer wat op te krikken bakte Bobo Eileen’s ei. Het gepruttel op het fornuis kwam hem als het toppunt van huiselijke sfeer voor. Het hoorde thuis in een keten van referentiepunten waar zijn definitie van gezelligheid aan opgehangen was: open vuur, eten koken, kaarsen, warmte, Eileen.

Goh ja, schoot het ineens door hem heen. Ook Eileen. Niet de vrouw in het algemeen, maar die vrouw, die daar bezig was zijn heelal vol te kletsen en hem full time bezig te houden. Hij glimlachte in zichzelf om alle beelden van Eileen die in zijn geest opkwamen: Eileen, die in alle vlammende furie Boel uit haar keuken joeg; Eileen, die zijn pijnlijke plekken aaide na zijn zoveelste ongelukje ondertussen heftig op hem mopperend om zijn stommiteiten; Eileen, die hem zachtjes wegtrok als hij in razernij weer het voornemen had een deel van zijn technische uitrusting onherstelbare schade toe te brengen wegens klaarblijkelijke weerspannigheid; Eileen, die onvermoeibaar op hem in bleef praten, nooit aflatende gesprekspartner als ze was zelfs als bij hem de moed tot het gesprek tot ver onder zijn voetzolen gezakt was. Oh Eileen, dacht Bobo, wat ben je toch lief ook al heb je dat prikkeldraad om je heen. En in een rozig liefdevolle stemming zwaaide hij de pan met het gebakken ei van het vuur om haar die fluks te bezorgen. Hij besteeg het trapje naar de slaapruimte zijn skistok achter zich afzettend, helaas juist op de gevallen klont boter.

Bobo schoot naar achteren, de pan schoot omhoog, het ei verliet de pan en eindigde tegen de balk die het lage deel van Het Licht van het hoge deel scheidde.

 

Eileen had Bobo niet gezien maar zag wel het ei tegen de balk uiteen spatten.. Ondanks haar vaste voornemen om boos te worden kon ze haar lachen niet houden en schaterde: ”Dat bestaat niet, hoe krijg je dat ei nou tegen die balk, Bobo?”

Bobo hoorde in haar stem zijn ‘oude’ Eileen, de warmte van goede tijden. Hij keek over de rand van het trapje en zag haar stralende gezicht boven de dekens en zei: “Ik hoef het zeker niet uit te leggen, hè?”

“Nee,” antwoordde Eileen, “maak maar een nieuwe, je weet nou hoe het moet.” Het ijs was gebroken. Sterker nog, het was er eigenlijk niet geweest. Het moest een luchtspiegeling zijn geweest, een verzinsel van ijlende geesten, want tussen hen kon er nooit iets echt fout gaan. Bobo en Eileen koesterden zich in de cocon van Het Licht, het was er veilig en het was er goed.

 

Het was enkele uren later dat Bobo merkte dat Eileen uit haar tevreden slaap van de laatste uren begon bij te komen.

“Hoe voel je je nou?” vroeg hij in haar oor. “Geradbraakt,” zei ze en glimlachte met gesloten ogen.

“Het is ook niet goed dat je alsmaar in een en dezelfde houding blijft liggen,” mopperde Bobo. “Je zou zo af en toe moeten proberen eens wat te bewegen.” “Ja, maar dat doet pijn,” zei Eileen verzaligd om het medeleven dat ze van Bobo kreeg. “Toch proberen,” zei Bobo streng. “We wandelen samen naar de open haard en daar ga je dan lekker zitten. We maken een knapperend vuurtje en ik maak een drankje voor je en je zult zien dat je je dan helemaal heerlijk zult voelen.”

Leunend op zijn skistok hielp hij haar uiterst voorzichtig naar de rand van het bed en daarop begonnen ze getwee, zij in een hoek van 90 graden, haar neus welhaast op de grond, hij achterover leunend op zijn skistok, de schuifelende gang naar het trapje en de haard.

“Bobo,” merkte Eileen op, “zelfs in het lopen zijn wij volgens mij nooit geschikt geweest voor de middelmaat.”

“Wij zien de hemel én de grond,” zei Bobo. “En die middelmaat van jou ziet zelfs dat niet, die kijken alleen maar recht voor zich uit; dus wat wil je nou, het is toch veel beter zo!” Gieberend schoten ze het trapje af en Bobo installeerde Eileen in de grote stoel pal voor de open haard.

 

Bobo dribbelde naar buiten naar de houtopslag. Hij glimlachte in zichzelf om Eileens gemonkel en om hun gezamenlijk gekwakkel en besloot dat ziek zijn lang niet zo erg is als je het met tweeën kunt doen. Het hout was nat en Bobo meende dat er een vreemde geur om hing. Boel zal hier wel zonodig haar behoefte hebben moeten doen, dacht hij en hinkelde met een arm vol hout terug naar Het Licht. Eileen zat in gedachten voor het gat van de open haard. “De telefoon laten liggen, Bobo, is echt niet de oplossing. Het is bij jou niet eens dat je de agressie van de anderen wilt ontlopen. Jij wilt gewoon je eigen agressie ontlopen. Dat is het waar je echt bang voor bent. Jij bent niet bang om aangevallen te worden, jij bent bang om aan te vallen. Niet uit lafheid maar uit afschuw om wat je dan bent, om het beest in jou.”

“Beesten zijn goed Eileen,” reageerde Bobo zwakjes.

“Niet lullen, Bobo. Waar of waar?” Ze bekeek hem met een mengsel van koestering en bezorgdheid.

“Ja,” zei Bobo na enig nadenken. “Maar wat moet je dan eigenlijk als je de keuze hebt tussen je in jezelf opsluiten met je gevoelens of ze uiten in de wetenschap dat die uiting zowel voor jou als voor anderen onverteerbaar is?

Ik ben toch wat ik ben, ook al ben ik niet wat ik zou willen zijn. Ik cultiveer zoveel mogelijk de ‘goede Bobo’ en hang aan de rem bij de ‘kwade’. Dat is wat ze, denk ik, ‘beschaving’ noemen. Die klojo’s die aan de andere kant van de telefoonlijn hangen proberen mij ertoe te brengen om hun kwade kant, het ongegeneerd uitleven van hun frustraties op levende wezens, te zien als beschaving. Dat gaat me te ver. Dat is alsof ik de rem van mijn kwade kant af moet gooien. Ik wil die telefoon niet opnemen omdat ik op de rem wil blijven staan.”

Eileen lachtte: “Maak niet zo’n tegenstelling tussen jou en de rest van de wereld Bobo. Wat zij in zich hebben, heb jij net zo goed. Als zij hun agressie erkennen en er het etiket ‘legaal’ opplakken, wil dat nog niet zeggen dat jij die agressie niet hebt of dat die van jou altijd illegaal is. Doe er wat mee. Maak er iets moois mee. Je zult zien dat de agressie creativiteit wordt, dat het lelijke mooi wordt. Doe je er niks mee, dan vreet het in en stapelt het zich op. Hoe meer het opgesloten wordt hoe lelijker het wordt. En als het dan naar buiten komt ben je inderdaad zelf het monster geworden.”

“Amen,” grijnsde Bobo. “Ik ben er diep van ingedrukt.” Hij hobbelde naar de keuken om Eileen’s drankje te halen.

 

Leunend op zijn skistok bouwde Bobo voorzichtig het hout in de haard op tot een mooie brandstapel. Hij duwde er wat kranten en een aanmaakblokje onder en bekeek het resultaat met tevredenheid. “Ik zet er je dicht bij, Eileen, zodat je het lekker warm zult hebben als het brandt. Je moet zelf maar kijken wanneer je het aanmaakt. Ik geef je een stuk papier en een aansteker dan kun je het vanuit je stoel aanmaken. Ik moet hout bij halen verderop de helling.” Hij keek zachtmoedig in haar grote ogen, waar nog een denkrimpeltje boven zweefde.

“Bobo, blijf wel gewoon Bobo, hè,” zei Eileen.

Bobo knikte, aaide over haar hoofd en draaide zich om om naar buiten te gaan. Bij de deur draaide hij zich nog eens om en zag haar zitten in de grote stoel voor de haard, een blond hoofd boven een grote kamerjas.

 

De helling was niet echt steil maar Bobo was niet erg mobiel met zijn skistok en hij had grote moeite om de helling op te komen. Hij pufte en hijgde en schoot herhaaldelijk recht als er een pijnscheut door zijn lendenen vloog. Het kostte hem zeker een tiental minuten totdat hij gekomen was bij de plek waar hout van vorig jaar opgeslagen was. Hij raapte een paar hanteerbare blokken bijeen en klemde ze onder zijn vrije arm. Hij draaide zich om om af te dalen naar Het Licht. Hij keek naar het huis. Eerst zag hij het niet, maar toen drong het tot hem door dat er iets abnormaals was.

Uit de schoorsteen van Het Licht kwam een massieve dikke vette rookwolk, die heftig omhoog borrelde.

Verbijsterd staarde Bobo ernaar. Heel zijn lijf kwam met een klap tot stilstand. Toen kwam de paniek. “Nee, oh nee, Eileen, niet doen.” Hij struikelde, hij viel, kroop overeind, verder naar beneden, hij gleed weg, weer overeind. Hij voelde geen pijn, paniek, paniek, overeind, verder. Hij kroop en kroop. Hij kwam bij de houtopslag en trok zich overeind, hinkte naar de huisdeur en zwaaide die open. De stoel stond nog steeds voor de open haard. Hij zag Eileen’s hoofd van achteren, al hing er veel rook in de kamer. “Oh Eileen,” riep Bobo terwijl hij naar haar toe hinkte. “Wat doe je toch? Ik dacht dat het huis in brand stond!” Hij pakte de stoel vast en draaide haar naar zich toe.

 

Onvoorstelbaar is de kloof tussen het gevoel van iemand die iemand anders iets aandoet en het gevoel van het slachtoffer dat het ondergaat. Wreedheid is gebaseerd op een zeker gemak, een soort luiheid. Met geweld een gemeenheid uithalen geeft een zeker soort ontspanning, een opluchting van het vrijkomen van energie. Pijn lijden kost energie, pijn toebrengen geeft energie aan lichaam en geest. De eerste gewaarwording van pijn verstijft je waarneming en je denken. Er blijft alleen de allesoverheersende priemende klap van de ontdekking van de pijn zelf. Je lijf slaat op tilt. Pijn is de ultieme energieverbruiker. Het is niet de wond zelf die het probleem is. Het is het bewustzijn dat in ene obsessieve alarmfase terecht komt.

 

Dat was wat Bobo overkwam toen hij de stoel had omgedraaid.

 

Eileen was er niet meer. Hij staarde naar een zwart verbrand kadaver.

 

Hoeveel geluid Bobo maakte, wist hij niet. Misschien gilde hij alleen in zijn gedachten. Misschien gilde hij in werkelijkheid. Hij greep haar vast, verbrandde zijn handen maar hij voelde het niet. Hij zakte op zijn knieen. En hij gilde.

 

De blauwe stationcar van de brigadier was niet gesteld op de keien in de toegangsweg van Het Licht. De veren kraakten vervaarlijk en de hele carrosserie zwaaide heftig van links naar rechts. De brigadier vloekte toen de wagen kennelijk de bodem raakte en dreigde te blijven steken. “Als het me nog schade aan de wagen kost, mag hij die ook betalen,” gromde hij in zichzelf. “Als we er zijn, houd je je gemak,” zei hij tegen de Graaf, die naast hem zat. “Dit is een kwestie voor de wet en zo gauw als jij je mond open doet, gaat het iets hebben van een wraakactie en daar mag het niet op lijken. Dat weet je best.”

Het dikke hoofd naast hem knikte.

Met piepende remmen kwam de auto ze tot stilstand voor de deur van Het Licht. De brigadier wachtte in de auto want hij verwachtte dat Bobo of Eileen wel naar buiten zouden komen. Maar er kwam niets. Zelfs geen geblaf van Boel.

 

“Blijf zitten,” zei hij. “Als zij niet naar buiten willen komen, ga ik wel naar binnen.” Hij stapte zorgvuldig uit, trok zijn stropdas recht en streek over zijn haar. Daarna liep hij – vooral heel rustig en zelfverzekerd – naar het huis en klopte. Er kwam geen reactie en hij probeerde de klink.

De deur zwaaide moeiteloos open. Hij ging naar binnen en zag ze.

 

Het was twee uren later voor de laatste grote auto’s over het toegangsweggetje in het duister waren verdwenen. Alleen de stationwagen van de brigadier stond er nog. De brigadier was binnen en zat naast Bobo, die ze in een stoel hadden gehesen na zijn handen te hebben verbonden. Bobo was nog altijd verstard en keek met wijdopen ogen in het niets.

Ze hadden Boel niet kunnen vinden.

De brigadier bekeek Bobo twijfelend: “Hoor je me helemaal niet Bobo of wil je me niet horen. Ook al ben je in een shock zoals die lui zeggen, dan nog moeten die spuiten nu toch wel wat werken?”

Elke reactie bleef uit. Bobo’s ogen waren rooddoorlopen maar er sprak geen teken van leven uit. De brigadier stond op en liep naar het raam. In het donker kon hij de omtrekken van de heuvels aan de overkant van de rivier zien. Er was geen teken van leven, niets dat erop wees dat hier zulke ingrijpende dingen waren gebeurd.

“Luister Bobo. We zijn hier geen onmensen en we zullen zorgen dat de begrafenis van Eileen geregeld wordt. Maar je moet begrijpen dat je vroeg of laat een verklaring zult moeten geven voor het impregneren van dat haardhout met benzine of kerosine of wat het dan ook was. Ik bedoel, ik wil voorlopig aannemen dat het een ongeluk was maar het blijft vreemd.”

Verbeeldde hij het zich of was er even een flikkering te zien geweest in Bobo’s ogen. De brigadier was er niet zeker van.

Hij pakte zijn pet van de stoel en zei bij de deur “Tot dan maar.”

Toen het geluid van de auto wegstierf in het duister bewogen de takken van de struik naast het huis.

Twee grote bruine ogen keken naar de krimpende rode achterlichten.

Boel was terug.

 

De tijd was gestopt. Ontegenzeggelijk. Het was voortdurend het tijdstip dat hij de stoel omdraaide. Minuut na minuut, uur na uur, dag na dag was dat het enige beeld dat voor Bobo’s geest verscheen. Ergens ver weg in zijn onderbewustzijn waren er waarnemingen. Boel die tegen zijn benen en handen wreef en likte. Garcia en zijn vrouw die een tijdje naar hem hadden zitten kijken. Een regenbui die door de openstaande deuren en ramen naar binnen kwam. De telefoon ging niet meer maar dat was hem ontgaan. Slapen! Hij wist niet of hij dat deed. Slapen of wakker, dat maakte niet uit. Het beeld bleef voor zijn ogen. Als hij weg dreigde te zakken van vermoeidheid dan kwam het beeld als een lichtflits terug en zag hij het weer zoals het was, in alle details.

Dan schok hij terug in de volle pijnlijke gewaarwording van dat moment.

Bobo’s geest was verstijfd, niet meer tot bewegen in staat, gecrasht.

 

Zo trof Garcia hem aan op de ochtend van de begrafenis. “Kom Bobo, oude jongen, nu zul je toch voor je eigen Eileen in beweging moeten. Het kan niet meer wachten.” Garcia en zijn vrouw kleedden Bobo aan, zetten hem in hun bestelautootje en reden ermee naar de kerk. Niemand in het dorp geloofde dat Bobo en Eileen gelovig waren maar een andere manier van begraven hadden ze niet en wie moest dan het woord voeren bij het graf als de pastoor het niet deed. Bobo zat bevroren op de voorste bank, alleen. Niemand had uit hem kunnen krijgen of er verwanten of vrienden waren die ingelicht hadden moeten worden. Het is niet duidelijk of hij iets hoorde van de mis en de preek maar hij bewoog niet en het leek eerlijk gezegd ook meer een gerustellend ritueel voor de goegemeente van het dorp dan een blijk van medeleven voor Bobo, laat staan voor Boel. De tocht van de kerk naar het kerkhof legde Bobo af met de steun van Garcia. De dorpelingen volgden zachtjes mompelend onder elkaar. Rond de rechthoekige kuil die daar gegraven was kwamen ze tot stilstand: Bobo niets ziend voor zich uit starend, de dorpelingen in nauwelijks verholen nieuwsgierigheid naar hem glurend. Het was niet denkbaar dat er nog iets op deze wereld was dat een zo in waanzin verstijfd iemand als Bobo in beweging zou kunnen krijgen. Ze stonden daar allemaal te wachten tot ze het achter zich konden laten en gerustgesteld in hun zekerheden naar huis konden gaan.

Toen gebeurde het dan toch.

 

Zit er een bodem in een mens? Je mag een mens natuurlijk niet vergelijken met een emmer, maar goed, een emmer raakt op een gegeven moment leeg en bij een mens komt er na ogenschijnlijke leegstand toch weer een plens water uit. Tijden van berusting en beleden passiviteit worden bij onderdrukten in de regel op een volslagen onverwacht moment gevolgd door verwoed en fanatiek verzet, ook ‘against all odds’. Hoe harder de pressie, hoe verder de mens wegzinkt in de misère, hoe heftiger kennelijk de vlam die uit de eerste vonk van het heropleven komt. Onrustbarende gedachte voor dictators maar reuze opwekkend voor diegenen onder ons die willen blijven geloven in de humaniteit van de mens.

 

De aanleiding was klein, futiel eigenlijk. De vrouw van Arend-Jan, die het als haar plicht als burgermeestersvrouw zag om gepast medeleven te demonstreren en zich daarom pal achter Bobo geposteerd had zodat hij haar gesnif zou kunnen horen, had voortdurend opmerkingen in het rond gestrooid om de dorpelingen ook tot het betuigen van medeleven te bewegen. Niet gestoord door enige sociale intelligentie richtte zij zich in het kader van dat streven tot de Graaf: “Zo triest toch hè, dat zo’n lieve vrouw op zo een verschrikkelijke manier aan haar eind moest komen.” Op zo’n retorische vraag antwoord je niet.

Maar de Graaf zei: “Dan is inderdaad een kogel heel wat humaner. Vindt u niet, mevrouw?”

 

Het werd doodstil. Bobo moest het gehoord hebben. Dat kon niet anders. Het leek eerst alsof er niets gebeurde maar toen zagen de mensen die direct om hem heen stonden dat zijn halsslagaderen begonnen te zwellen en zijn spieren zich spanden. Bobo ontplofte, zowat letterlijk. Hij draaide zich in een slag om zijn as en klauwde in een vewoede aanval naar het gezicht van de Graaf onder het uitstoten van een rauw gegrom. Deze was totaal verrast en ging direct onderuit met de woeste Bobo bovenop zich.

Toen stortte de vrouw van de Graaf zich op Bobo om haar man te redden. Toen waren er andere dorpelingen die iedereen uit elkaar wilden halen en toen was er Garcia die Bobo wilde kalmeren.

Keurige pakken werden gescheurd. Arend-Jan viel in de grafkuil. De pastoor werd achteruit geduwd waardoor hij achteruit over de kist heenviel, waarvan het deksel niet op zijn gewicht berekend bleek.

Waarop iedereen in afschuw terugdeinsde.

 

Behalve Bobo.

 

Die had zich afgekeerd en strompelde weg. Weg van het dorp, weg van die mensen.

Er was een vonkje ontbrand in zijn hoofd.

 

Een klein vonkje maar.

ETAPPE 10: FINALE

Reinheid, dat is wat zonlicht is. Eerst een rossige gloed tonend, dan goudgeel glinsterend gleed zij als een warme voile de vallei van Het Licht binnen. Ze wierp haar stralen door de takken van de bomen en struik voor struik, tak voor tak, kroop uit het duister tevoorschijn. De warmte van het leven waarde rond en dampte uit de grond.

Het werd schoon. Het werd dag.

 

Bobo, die languit op zijn rug in het gras lag, voelde hoe de warmte in het gras rond zijn hoofd langzaam opkwam. Hij hoorde het opgewekte gezoem van vliegen en insecten, het getjilp en gefluit van de vogels die elkaar begroetten. Een warme bries raakte zijn lippen en hij proefde de geur van het bos. Boven zijn open ogen zag hij het groen van de bladeren tussen het zwart doorkomen.

Alles glinsterde en schitterde en schreeuwde om bewondering. Katharsis, helderheid! Dat was wat Bobo gewaar werd bij het opkomen van het licht.

 

Hij draaide zich op zijn zij en keek naar de bol roodbruin haar naast hem waar de roze neus uit stak en zei: “Hé, Boel, met deze dag heb ik het gevoel dat mijn leven nu net zo rechtlijnig is geworden als het jouwe; ik weet nu waar ik van houd en waar ik niet van houd.” Twee grote bruine ogen gingen open en keken hem vergenoegd, nog warm van de slaap, aan. Aan een kant van de roodbruine bol begon een pluizige kwast heftig tegen de grond te kloppen.

Bobo glimlachte: “Tja, en dan is er dat vervloekte verschil tussen jou en mij: jij hebt geen keuze, want voor jou is de baas altijd goed. Maar ik heb een keuze.

Ik ben gedoemd te kiezen tussen goed en kwaad. Dat is mijn noodlot.” Hij zakte terug in het gras. Het meest kwade van al was de keuze te willen ontlopen. Dat had Eileen hem goed duidelijk gemaakt. De hele nacht had hij in het gras gelegen, starend naar die donkere wand om hem heen, die we nacht noemen. Alles was keer op keer voor zijn ogen gepasseerd. Steeds weer zag hij Eileen terug die zei: “Doe er wat mee, maak er iets moois van, en je zult zien dat agressie creativiteit wordt, dat het lelijke mooi wordt.” Hij had een wrang soort genoegen gehad bij de herinnering aan zijn aanval op de Graaf maar tegelijk voelde hij zich schuldig naar Eileen. Het was precies geweest wat hij niet moest doen. Dat had ze hem duidelijk gemaakt. Het was alleen maar onmacht geweest. Hij had zich, bedacht hij, voortdurend gedragen als de naïeve ecolo die niet beter wist dan ‘bah’ te roepen elke keer als hem iets niet beviel. Het enige wat hij ermee bereikt had was dat ze nog meer op hem waren gaan drukken. Dat alles nog benauwder om hem heen werd. Het Licht voelde hij nu als een mislukte ontsnapping.

Hij had de keuzes willen ontlopen en daarmee het monster in hem alleen maar aangewakkerd in plaats van de sussen.

 

Nu, bij de helderheid van het ochtendlicht, wist hij dat er geen ontkomen aan was. Hij zou de confrontatie niet meer ontlopen. Hij wilde Bobo zijn, een fontein van de daad. Ze zouden hem niet meer passief vinden.

Zijn manier om bij Eileen te zijn had hij gekozen.

Vastberaden strompelde hij de heuvel af naar Het Licht.

 

Het was lang geleden dat Boel zo’n intensieve activiteit rond Het Licht gezien had. Alle ramen van het huis stonden open. Bobo liep in en uit, sjouwde met spullen en gereedschap. Boel volgde alles met kwispelende staart en zijn oren recht overeind. Toen Bobo uiteindelijk begon te werken, ging Boel erbij zitten en keek naar het lassen, het monteren, het schilderen en het gehijs. Bobo neuriede er zelfs zo af en toe bij en dat had hij vroeger nooit gedaan als hij iets moest maken. Het leek Boel eigenaardig maar er ging ook geen gereedschap stuk en kennelijk was Bobo ook niets kwijt. Er werd lang intensief en geduldig gewerkt en tot Boel’s ongenoegen was er voor eten blijkbaar geen tijd. Ze had al een paar keer haar snuit onder Bobo’s arm gewrongen maar die had dat kennelijk alleen gezien als te veel bemoeizucht en haar na een knuffel weggeduwd. Dus bleef ze maar toekijken met een rammelende maag. Toen Bobo begon te schilderen was Boel achteruit gegaan want ze hield niet van spuitbussen, waar ze altijd van moest niezen. Hoe meer het vorm begon te krijgen, hoe meer Boel het idee kreeg dat ze beter wat verder weg kon gaan zitten. En toen de motor werd gestart, liet ze haar staart zakken tussen haar poten en ging naar binnen, in haar mandje liggen en keek met haar kop op de rand door de geopende deur naar buiten waar Bobo doorzwoegde. Haar ogen stonden wijd open en waakzaam.

Boel voelde het tijdstip naderen waarop het af moest zijn.

Daarachter lag iets waarvoor ze vagelijk bang was.

 

“Nou, nou, zo moeilijk is het toch niet,” mopperde de brigadier terwijl hij in de achteruitkijkspiegel keek. De kleine karavaan leek wel te kruipen over het slingerweggetje. Het busje achter hem met de politieagenten vertraagde voor elke bocht alsof het daarachter ravijnen of ander onheil verwachtte. De auto van de Graaf en zijn vrienden, die daarachter kwam, volgde het busje praktisch pal op de achterbumper maar kon daarmee de snelheid ook niet opschroeven. Arend-Jan, die op veilige afstand daarna reed, had kennelijk niet de aandrang om het tempo op te drijven. De brigadier schoof ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer en schakelde maar weer eens terug als om zijn ongeduld te benadrukken. Het hele gedoe rond Bobo bezorgde hem langzamerhand een gevoel van een ongrijpbare loop der gebeurtenissen. Hij kreeg er geen vat op. Het was alsof er steeds dingen gebeurden die hij juist niet had willen zien gebeuren. Zo af en toe dacht hij dat zijn inschattingsvermogen hem in de steek had gelaten, maar hij wist niet precies waar. Hij was een man van actie en hij hield niet van bijgedachten en achtergrondfilosofieën. Dit moest hij zo gauw mogelijk achter zich zien te laten. Het waren nu eenmaal de onplezierige kanten van zijn baan, maar hierna zou het weer rustig worden en kon het leven zijn normale gang hervinden. Hij smakte met zijn lippen bij de gedachte aan het avonddiner bij Garcia en de onvermijdelijke aperitief die daarbij hoorde.

 

Ze naderden de ingang van de vallei van Het Licht. De brigadier gaf gas en zijn auto dook over de heuvelkam in de vallei. Nieuwsgierig tuurde hij naar links en speurde het terrein af om te zien of er iets veranderd was en of er enig teken van Bobo was te zien, maar hij zag niets. Hij wist praktisch zeker dat Bobo hier ergens was. Hij hoopte vurig dat het allemaal snel achter de rug zou zijn. Hij was bij de ingang van Het Licht gekomen en draaide het weggetje op zodat er achter hem ruimte zou komen voor de andere auto’s om te stoppen.

De politieagenten bleven in het busje zitten want niemand had ze gezegd uit te stappen. De anderen stapten uit en verzamelden zich rond de auto van de brigadier. Deze was zelf ook uitgestapt en tuurde naar de overzijde van het riviertje maar in Het Licht was geen teken van leven te zien. Zo stonden ze even zwijgend bijeen, wachtend op een teken dat hen zou kunnen brengen tot de eerste stap.

“Er is niets te zien,” zei de brigadier, zijn onderhuidse wens verwoordend. “Nee????” vroeg de Graaf op overdreven toon. “En dat dan?” Hij wees naar de kleine roodbruine gestalte die voor het huis zat en met haar oren hoog opgetrokken naar hen keek.

Het viel nauwelijks te ontkennen. De aanleiding van veel ellende deed geen moeite om de benen te nemen of zich te verbergen. Integendeel, ze zette nu een langgerekte blaf met uithalen in, die niet anders uitgelegd kon worden dan groot alarm.

”Bobo is er dus,” zei Arend-Jan en de brigadier zuchtte bevestigend. “Ik zal eerst eens proberen met hem in gesprek te komen.”

“Waar is dat goed voor brigadier?” Het was de Graaf aan te zien dat hij liever direct zijn gram voor zijn verwondingen ging halen. “Je weet net zo goed als wij dat hij niet aanspreekbaar is. We halen hem eruit en hij wordt opgeborgen zoals het hoort. Zo moeilijk hoeft dat allemaal niet te gaan.”

“Het is vrij simpel hoor, Graaf,” zei de brigadier, giftig op de figuur die naar zijn gevoel veel had bijgedragen aan het ontstaan van dit onplezierige klusje. “Ik ben domweg verplicht hem de kans te geven vrijwillig mee te werken en die kans krijgt hij ook. Daar zul jij niks aan kunnen doen.”

Hij pakte de megafoon uit zijn auto en richtte die op Het Licht.

 

Het geluid van de megafoon was een voor de vallei van Het Licht ongekend geluidsvolume. Vogels vlogen verschrikt op en uit het geritsel in de struiken viel op te maken dat de Graaf niet voor niets op zijn jachtrechten op Het Licht had gestaan.

“Bobo, we weten dat je daar bent. Kom naar buiten zodat ik met je kan praten.” Er viel een daverende stilte na het gegalm van de megafoon. Er was niets te zien of te horen. Boel was wel verschrikt naar binnen gestoven en keek voorzichtig vanachter het keukenraam naar de bron van dit enorme geluid. “Nou,” vroeg de Graaf, “en wat dacht je dan nu te gaan doen? Ik zei toch dat hij niet op redelijkheid zal reageren?”

“Ik zal wat meer druk zetten. Hij is misschien gewoon bang.” De brigadier veegde zich het zweet van zijn voorhoofd en zette de megafoon opnieuw aan zijn mond. “Bobo, iedereen hier heeft begrip voor je, maar je begrijpt best dat je niemand, zelfs niet op de begrafenis van je vrouw, zomaar in elkaar kunt slaan zonder gevolgen.” Hij zuchtte en voegde er toen geheel onverstandig aan toe: “Nog afgezien van het feit dat je de dood van je vrouw nog afdoende zult moeten verklaren.”

 

Ook deze keer kwam er vanaf de andere kant van de vallei geen enkel geluid dat van Bobo had kunnen zijn als antwoord. De brigadier draaide zich met een zucht om, om zijn mannen uit het busje te halen.

Dat was het moment waarop achter hem, van over de andere helling van de vallei, een brullend geluid opsteeg. Als door de bliksem getroffen draaide de brigadier zich om en staarde ingespannen naar de andere kant. Er bewoog iets achter het huis en er steeg een zwarte rookpluim op. Toen kwam langzaam van achter het huis een schepsel tevoorschijn dat voor het gezelschap bij de ingang niet in beelden, laat staan in woorden, was te bevatten. Voor Het Licht zagen zij een bewegende ijzeren doos, waaronder een brede schuif te zien was waarop witte tanden waren geschilderd. Aan één kant was een enorme grote hoektand op gelast die schuin omhoog en naar voren stak. De doos was in bonte strepen beschilderd, in alle kleuren van de regenboog. Aan weerszijden van de doos staken witte vleugels uit die hoog naar achteren priemden. Hoog boven de doos uit torende een graafmachinearm waarin een gasfles stond met een brandblussertrechter. Achter op de doos was een bak te zien die gevuld leek te zijn met een vloeistof.

En dat geheel bewoog.

Het bewoog daadwerkelijk naar beneden, naar de brug, met een oorverdovend gebrul van de motor.

De brigadier en zijn gezelschap keken er sprakeloos naar. Het geheel leek hen zo buitenaards dat het geruime tijd duurde voor het tot hen doordrong dat de richting waarin het zich bewoog hen kon treffen.

 

Waarop baseert macht zich in onze samenleving? Op het onvermogen van de onderdanen om zelf hun bestaan in te richten. Het model dat wij democratie noemen is het meest ondemocratische model dat er bestaat. Wij organiseren het uit handen geven van de macht over onszelf en dat omdat we menen er anders een puinhoop van te maken. Westerse democratie bestaat uit een systeem van de ontmachtiging van de burgers. De plaatsbekleders van de macht houden u ook aan die afspraak. Zij mogen slaan, u niet. Zij bepalen waar u gaat of staat, waar u bij hoort en wat u mag weten, en u dient zich daar niet mee te bemoeien. Wie daar tegen in gaat, wie betwijfelt of de macht dat eigenlijk wel mag zeggen en het zelf wil bepalen gaat tegen de basisprincipes van de Westerse democratie in. Hij gaat daar tegen in omdat hij enerzijds de macht van de machtsdragers in twijfel trekt en anderzijds zijn eigen ontmachting niet meer aanvaardt.

Dat was precies wat Bobo liet zien.

 

“De geweren! Laad de geweren! Kom eruit, op post, in dekking!” De brigadier riep alles wat hij op films had horen roepen in vergelijkbare situaties in sneltreinvaart, maar zijn mannen in het busje bleven vooralsnog in stomme verbijstering naar het gedrocht staren dat daar naderbij schoof. Hij trok daarop zelf zijn revolver en draaide zich om, in het voorbijgaan opmerkend dat de Graaf en zijn mannen hun geweren stonden te laden. Iedereen was ineens druk in de weer met zich strijdvaardig te maken zodat niemand merkte dat datgene waar het allemaal om ging niet meer bewoog.

Het stond stil.

Vlak voor het bruggetje was het gestopt en ook het vervaarlijk gebrul was weg.

Er bleef alleen iets van een duister onderaards gerommel te horen.

De brigadier kwam voorzichtig uit zijn ingespannen gebogen houding overeind en rechtte zijn rug.

“Hallo allemaal!”

Het geluid kwam onmiskenbaar uit het gedrocht, en toen ze zochten naar de bron zagen ze dat er een stuk van Bobo’s gezicht te zien was in de spleet tussen de twee staalplaten die tegen de voorkant van de doos bevestigd waren. “Welkom in Het Licht,” klonk het weer.

De toeschouwers klonk dat niet in de oren als een welgemeende uitnodiging. Je kon hun hersens bijna horen malen in de inspanning om te begrijpen wat hier nu eigenlijk gebeurde.

“Godverdegodver, Bobo, wat is dat?” bracht de brigadier eindelijk uit. “Nou gewoon,” klonk het van tussen de metalen platen. “Ik wilde een beetje in jullie sfeer meedenken. Dit moet je zien als zo ongeveer de aartsengel Gabriël, weet je wel, die figuur die met het zwaard in de hand de kwajen van de goejen scheidt. Ik bedoel een soort gezonde zifting voor de hemelpoort, maar dan met de bedoeling dat niet de verkeerden binnen komen. Snap je?”

“Het is verdorie een monster.”

“Nee, nee, je begrijpt het niet brigadier. Het is een aartsengel die onderzoeken moet of jullie monsters zijn. Het Licht hier fungeert als hemel en – eh – is trouwens ook echt een hemel.”

“Stapelmesjokke,” mompelde de Graaf.

“Ja waarom nou? Ik bedoel de aartsengel is een mooie figuur, die onderzoekt eerst wie een goede kant en wie een kwade kant heeft gekozen. Wie de engel is en wie het monster. Die knalt niemand zomaar af zonder iets te vragen. Dat lijkt me al een hele vooruitgang vergeleken bij jullie ‘tradionele’ cultuur of niet dan?” Er klonk homerisch gelach vanuit het gedrocht.

“Maar, Bobo, als je zo engelachtig wilt zijn, heb je toch niet zo’n ‘ding’ nodig ?” probeerde de brigadier voorzichtig.

“Monsters zijn monsters, brigadier. Dat heb ik hier wel geleerd. Je herkent ze niet en dan zijn ze er toch. En met monsters praat je niet. Die gaan naar het vagevuur als ze voor verbetering vatbaar zijn en anders naar de hel, en aangezien ze dat niet vanzelf doen heeft Gabriël een zwaard nodig”.

“Sinds wanneer ben jij katholiek?” vroeg Arend-Jan.

“Ik ben helemaal niet katholiek maar jullie begrijpen niks anders dan dat. Ik denk dat ik niet beter ben dan jullie, en dat er ook bij jullie waarschijnlijk geen goeden en geen kwaden rondlopen. Iedereen kan zijn keuzes maken. Wie een monster is, wil dat zijn, dat is het punt. En ik wil nu de engel zijn.

Het zit hem niet in het zijn maar in het willen, in de daad die bewijst waar je staat. Wie mijn houtvoorraad met kerosine overgiet, die weet toch wat ie doet, of niet soms. Je bent toch geen engel als je mijn Eileen verbrandt!!”

Er viel een doodse stilte na deze laatste woorden.

“Ah,” zei de Graaf. “Nu is het genoeg. Die gek is gevaarlijk en iedereen praat hier maar alsof we met een redelijk iemand te doen hebben.

We trekken die idioot daaruit en...”

 

Verder kwam hij niet omdat ze gestoord werden door het hakkeplofferige geluid van Garcia’s bestelautootje dat zo snel het maar kon de heuvelkam kwam overgesnord. Met zwaar jankende remmen kwam het pal voor de voeten van de brigadier tot stilstand en terwijl de motor onmiddellijk van pure schrik afsloeg sprong Garcia met rood aangelopen hoofd en badend in het zweet uit het autootje.

“Wat gaan jullie allemaal doen hier? Wat is dit?” Hij liep van de een naar de ander. “Jullie weten allemaal dat we het zo goed kunnen hebben hier. Het was toch altijd gezellig in ons dorp? Dat moeten we toch houden zo. Bobo is gewoon een bovenste beste jongen, misschien een beetje ongestuurd, maar alla, dat overkomt iedereen wel eens!”

En hij keek de brigadier bijna smekend aan.

“Garcia, gedraag je. Ik heb je al zo vaak gezegd dat regels er niet voor niks zijn. Ze leggen vast waar de rotte plekken zijn en daarvoor moet je gewoon stoppen. Een mens aanvallen is het ergste wat je kunt doen. Mensen zijn goed.

Dat is het fundament van onze samenleving, en ons dorp.” Arend-Jan voelde zich op bekend terrein.

“En dat is dus precies wat niet waar is,” klonk het vanuit het gedrocht. “Ze kunnen het zijn ja, maar dat hangt af van wat ze kiezen.

Ik beweer dat er monsters onder jullie zijn.” “Klopt ja, jij!” zei de Graaf.

“Nee, want ik kies daar niet voor en jij wel.” Het was gezegd en kon niet teruggedraaid worden.

 

“Graaf,” zei de brigadier, “heb jij...”

Verder kwam hij niet want met een grauw trok de Graaf zijn geweer recht en mikte op de aartsengel aan de andere kant van het bruggetje.

 

“Nee, niet doen!” riep Garcia. “Ik zal hem wel bepraten. Hij komt er heus wel uit. Ik zal...”

En onder het schreeuwen van deze woorden rende hij in Bobo’s richting. Het schot kraakte als de hamerslag van de hemelse rechter zelve. De kogel moest Garcia recht in zijn achterhoofd getroffen hebben want hij viel zonder een kik te geven voorover op het weggetje.

 

Het was niet moeilijk te raden welke gedachten zich op dat moment in Bobo’s hoofd afspeelden. Vijf eindeloos lijkende volle seconden later steeg een machtig gebrul op uit het gedrocht. Een zwarte rookpluim steeg op in de helderblauwe lucht. Met een ruk kwam het gevaarte verbazend snel in beweging en rolde over het bruggetje.

 

Toneel en film zijn mooi en handig. Je zit rustig in een stoel en heel de entourage, de gemaakte en geaffecteerde toon, alles pepert je hersens voortdurend in dat er een, zij het vaak misselijk, spelletje gespeeld wordt waardoor we in staat zijn rustig de meest gruwelijke moorden, martelingen en slachtpartijen met genoegen te aanschouwen, vaak onder het verorberen van één dan wel meerdere hamburgers. Maar snijden mensen een ietsie in hun eigen vingers of komen ze langs een echt verkeersongeluk dan gapen ze met intense inspanning naar de onuitstaanbare gruwel voor hun ogen. En staan ze er middenin, zijn ze deelgenoot van het geweld, dan vliegt de hysterie hen naar de keel. Ze gillen. Hun bloed suist door hun kop. De handen trillen en de knieën knikken en van eetlust is al helemaal geen sprake meer. Waar het geweld ontbrandt, ontbrandt de onmacht. Iedereen weet dat de gebeurtenissen niet meer in de hand te houden zijn en elke seconde de laatste kan zijn. Iedereen rent heen en weer, zoekt een plekje waar tenminste het hoofd in gestopt kan worden, knijpt de oren dicht en de ogen toe en hijgt als een afgesleten paard.

Het is bar.

 

Boven aan het weggetje voltrok zich van dit alles veel. De Graaf had eerst verbijsterd gezien hoe Garcia onder zijn schot neergevallen was en toen hij daaruit met een schok bijkwam zag hij het gedrocht hoger en hoger rijzen naarmate het de helling beklom. Hij deinsde achteruit en riep naar zijn kameraden: “Schiet, schiet dan toch, sukkels,” terwijl het geweervuur al om hem opklonk.

Maar de spleet in de stalen platen was niet groot en de hoek om iets te raken was niet makkelijk, totdat het gedrocht boven aan het weggetje kwam en daar recht zakte.

 

Zij zagen nu Bobo’s gezicht. Hij zat te snikken. Zijn geschreeuw was niet te verstaan maar ze hadden het kunnen raden. Hij trok binnen aan iets en de trechter boven in de graafarm braakte plots een vlam van wel twintig meter die het groepje van de Graaf voluit trof.

Brullende mensen renden als vuurbollen rond.

De brigadier besefte dat liggen in de schiethouding geen effectieve actie inhield en krabbelde overeind om opzij van het gedrocht te komen waar Bobo goed zichtbaar was. Hij raakte hem wel ergens, maar Bobo schudde alleen maar met zijn bovenlijf als om iets van zich af te gooien.

Het gedrocht nam een onverhoedse wending naar rechts, waar Arend-Jan niet op die beweging gerekend had en onder de stalen schuif verdween voordat deze vol het busje met de agenten raakte.

Even was alleen nog het allesoverheersende gesnerp van metaal op metaal te horen, voordat het busje met de gillende mannen erin over het randje van de weg in de diepte verdween en daar enkele malen over de kop sloeg waarop de benzinetank ontplofte en het geheel brandend in de vallei neerkwam.

Bobo had het gedrocht juist tot stilstand weten te brengen voor de rand en draaide zich om in de cabine, teruguitschakelend om achteruit te rijden, toen de brigadier als een razende tijger op de ingangstrap verscheen en zijn revolver op hem richtte.

Het was niet dat Bobo nog een gerichte actie ondernam.

Nee, dat was het niet.

Het was gewoon een staaltje van Bobo-iaanse handvaardigheid. Hij had het stoeltje waarop hij zat vergeten vast te zetten. Door de plotselinge verschijning van de brigadier uit zijn evenwicht gebracht flikkerde hij simpel met stoeltje en al om en nam in de val met zijn linkerarm de bediening van de vlammenwerper mee terwijl hij zich probeerde op te trekken aan de hendel van de kiepbak. Het gevolg van deze actie, die magistraal had kunnen zijn als hij hem uitgedacht zou hebben, was dat de vlammenwerper boven op de graafarm zich onverhoeds hondertachtig graden draaide terwijl de kiepbak haar inhoud van benzine en kerosine uitbraakte over het terrein.

 

Er was vuur.

Overal.

Eerst brandde alleen de grond, de struiken, de mensen. Toen brandde ook het gedrocht zelf, als een enorme fakkel.

 

Daarna verspreidde het vuur zich naar beneden, waar het zich samengevoegde met het vuur van het brandende busje.

 

Het vuur daalde af en stak de rivier over.

Het besteeg de hellingen. Het greep de bomen.

 

 

Het Licht zelf vatte moeilijk vlam.

Alsof het niet wilde geloven dat de duisternis gekomen was.

EPILOOG

De man in het witte pak keek op van zijn macabere werk. Hij had het gevoel bekeken te worden. De figuur die hij hier probeerde los te pellen van zijn skistok kon het niet zijn. Die keek allang nergens meer naar. Hij keek speurend rond in de geblakerde vallei, waar hier en daar nog rook opkringelde.

 

Alles was zwart voor zover hij kon zien. Er stond niets meer. De vallei was één groot gapend zwart gat. Zijn ogen dwaalden over de diepte, over het bruggetje waaronder hij water vermoedde, over de tegenoverliggende helling waar restanten van muren te zien waren en daarachter waar stronkerige kale masten verrezen.

Hij wist dat geen enkel levend wezen hier vrijwillig kon zijn gebleven.

 

Plotseling meende hij iets rossigs te zien op de heuvelrand boven hem. Hij kneep zijn ogen samen om beter te kunnen kijken.

 

Wat het ook was, het wist zich kennelijk ontdekt. Het rossigs kwam overeind en het werd een kop met twee grote flaporen dat indringend naar hem staarde.

Toen draaide het zich om en hij zag in een flits een roodbruine pluim door de lucht zwaaien.

 

Het was weg.

 

POURQUOI IL FALLAIT QUE LES LUX BRÛLAIT

Brief van 19 mei 2015 aan le courier des lecteurs du Monde

 

Dans le sud de la France, la région des haute corbières, commune Clermont sur Lauquet, j’étais jusque 2010 propriétaire d’ún propriété extraordinaire beau, Les Lux, 108 hectares, 80 ha de bois, 40 hectare de prairie, avec une belle maison de 700 m carrés. A demi janvier 2015 la maison est brûlée.

La Police recherche la piste des cambrioleurs qui auront amené des explosives pour détruire le bâtiment. Imaginez vous, cambrioleurs qui vont détruire le bâtiment, ou ils veulent voler toutes les choses de valeur. Ridicule, mais acceptable pour la police de Saint Hilaire et Limoux.

Pourquoi cet volonté de accepter des contes? C’est un histoire extraordinaire mais pas pour le sud, pays des chasseurs.

 

Sous le gouvernement Jospin j’avais fait un appel au loi spécial, qui était seulement valable pendant le gouvernement Jospin. La chasse et la pêche étaient après tout court interdit, obligatoire parce que les ruisseaux étaient vides et il n’ý avait plus des animaux sur le territoire. Pendant des années tout restait, a part d’un menace par le maire d’un commune voisin, tranquille.

Mais ça devrait changer. Le seul eau coulant, clair et propre de la région était sur mon propriété, aux Lux. Bien sur les animaux cherchaient l’eau, et si tot ils avaient découvert que la place avait de l’eau mais aussi de sécurité ils revenaient.

C’était un problème pour la chasse. De 2005 les chasseurs commençaient de envahir Les Lux. Ils ont envoyé leurs chiens dedans, ils ont coupé les clôtures, ils menaçaient ma femme, ils ont bloqué la porte d’entrée, etc. Quand même je n’étais pas un homme de dehors, j’étais membre du conseil municipal, j’étais engage dans le village. Mais chasseurs ne sont pas des gens de la campagne, ils sont des notables des villes et des village grandes de Ariège etc., et ils cherchent leurs plaisirs dans les hautes corbières.

 

Moi, je n’étais pas apparemment le Plaisir. Bien sur j’ai essaye de parler. J’ai visite leur campement, j’ai mange avec eux, etc. Mais être amiable avec un groupe des chasseurs est le même comme être l’ennemi des autres groupes. Les incidents n’ont pas arrêtés, et les menaces non plus. J’ai essaye de déposer plainte au police de st Hilaire. On a refuse de registrer la plainte. J’ai demande au moins de prendre des mesures contre les chasseurs coupables. La police a visite Les Lux. J’ai montre les clôtures coupes, et, après voire, ils ont dit que c’était mon faute que les chiens ont envahis le terrain parce que les clôtures étaient coupes. Ils ont aussi dit que ils étaient eux mêmes des membres des chasseurs et que c’était impossible de poursuivre les chasseurs.

Alors, dans mes yeux, un climat criminel avec un omerta effectif, parce que mes voisins, toutes oppose contre la chasse, n’avaient pas le courage de témoigner contre eux.

 

Qu’est ce que-il faut faire dans ce cas? J’avais mon commerce à Belgique et Pays Bas et je ne pouvais pas rester tout le temps. J’ai laissé des gardiens, mais les chasseurs ont menace les gardiens avec l’aide du chef de police de St Hilaire. Ils ont parti, et après c’était clair que Les Lux ne pouvait plus survivre avec un propriétaire qui n’était pas la tout le temps. J’ai vendu a un français qui a promis de vivre la avec toute sa famille. La crise a intervenu. Seulement un jeune restait là et il était strictement et forcement opposé à la chasse.

 

Mais opposer sans rester là est comme un invitation pour les chasseurs. Et il, étant seul, ne pouvait pas rester tout le temps aux Lux est détruit. Un dernier place pour les animaux menaces du sud n’est plus la.

Mais ça n’est pas le plus pire.

Parce que le plus pire est la démoralisation du climat dans la campagne. Il n’y pas plus de politique de gestion du faune, il n’y a pas plus de place pour la loi, il n’y a pas plus de sécurité pour propriétaires qui suivent leurs principes, il y a seulement le pouvoir du plus fort, comme la France qui a retourné aux moyen âges. Qu’est ce que la France veut? Une perte de morale civil et un guerre ouvert dans le sud, ou une revitalisation des valeurs civiles? C’est maintenant la question principale. Je fais un appel aux autorités françaises de prendre leurs responsabilités, et de remplacer les policiers-chasseurs de la sud et de faire une recherche indépendant, afin les coupables seront trouvés et la supériorité de la loi sera remis.

La gestion de la nature est un affaire national et européen, et pas seulement un sujet du plaisir des notables locales.

Il faut retrouver la morale et retrouver la responsabilité française.

Maarten van den Oever

p/a Oude gracht 92 a

3511AV Utrecht

0031308894199

00316-37386373

Ludov123@gmail.com

VERANTWOORDING

Er zijn een paar kanten aan deze tekst die om uitleg vragen, en ook al denk ik niet dat ik mijzelf altijd ten volle kan of zou moeten verklaren, ik wil het toch ten behoeve van u, lezer, proberen.

De ordentelijke ‘hoofdstukken’ ontbreken. Ja, want ik weet niet wat dat zijn. Zijn dat stukken van een hoofd of is dat het hoofd van een ‘stuk’. Is het verhaal soms het hoofd waarvan de delen stuk zijn??? Help, ik kom daar niet uit. Erger nog, het zegt ook geen moer. Je weet helemaal niet of je al die ‘hoofdstukken’ in willekeurige volgorde kunt lezen, of dat ze juist wel een volgorde hebben. Kortom, het gebruik van de term ‘hoofdstukken’ zegt niks over de samenhang. Daarom koos ik voor ‘etappes’, dan weet u tenminste dat het verhaal in die volgorde loopt en zo ook gelezen zou moeten worden. Het moge wellicht niet ideaal zijn, het is dan toch minstens een vooruitgang.

Zondigen tegen taalregels is alleen een zonde als je gelooft in het bestaan van zondes. Dat doe ik niet, althans niet in de zin van de Nederlandse taalpuriteinen, die kennelijk nooit helemaal uit hun puberale schoolbankjes zijn losgekomen. Het zal me worst zijn of u mijn taalgebruik zuiver vindt.

Het enige wat me interesseert is of u de gebruikte termen ‘to the point’ vindt, of ze u meer duidelijk maken dan een andere term of uitdrukking uit het vaderlandse erfgoed doet, overigens wat mij betreft volslagen ongeacht uit welke taal ze afkomstig zijn.

De hoofdpersoon gaat dood. Dat is alleen al nuttig om te voorkomen dat ik ooit gedwongen zou kunnen worden in geval van onvermoed succes tot het maken van vervolgdeel 2 tot en met 384.

De auteur